Het Planbureau is sinds vorig jaar wettelijk verplicht een becijfering te maken van de programma's waarmee de partijen naar de verkiezingen trekken. Het gaat weliswaar niet om het volledige programma. De partij mochten zelf drie tot vijf prioriteiten naar voren schuiven, waar verschillende maatregelen achter schuilgaan.

Het maakte dat het Planbureau de voorbije maanden liefst 314 maatregelen doorrekende binnen 60 prioriteiten. De verdienste van de oefening is dat ze de resultaten objectiveert en meer transparantie biedt.

Het was ook initieel de bedoeling van de wet partijen ertoe aan te zetten voorstellen met enige zin voor budgettaire realiteit te lanceren.

Het nadeel is wel dat de partijen zelf hun prioriteiten kunnen kiezen, wat vergelijken bemoeilijkt. Bovendien kon het Planbureau niet alles doorrekenen en konden de partijen zelf na feedback van het Planbureau maatregelen intrekken.

Het Planbureau publiceert de resultaten sinds vrijdagmiddag op de website www.dc2019.be. Daaruit blijkt dat tien partijen de personenbelasting verlagen en tien de sociale bescherming versterken. Zeven partijen verlagen de werkgeversbijdragen, zeven verhogen de investeringen, zeven verhogen de werkingskosten van de overheid, vijf verhogen de vennootschapsbelasting en vijf verhogen de indirecte belastingen.

Macro-economische gevolgen

De doorrekening toont in de eerste plaats de macro-economische gevolgen van de voorgestelde maatregelen: de evolutie van het bbp, het reëel beschikbaar inkomen, de werkgelegenheid, het begrotingssaldo en de overheidsschuld.

Geen enkele partij slaagt erin elke indicator te verbeteren. De oefening houdt evenwel geen rekening met effecten op de markten en dus de intrestvoeten, met het eventueel niet-respecteren van de Europese regels en de mogelijke krapte in specifieke segmenten van de arbeidsmarkt.

Het berekenen van de koopkrachteffecten leert dat de groei globaal bij elke partij verhoogt per opeenvolgend inkomensdeciel. Dat is niet zo verwonderlijk, want veel maatregelen hangen af van de belastingen die iemand betaalt en hebben dus meer effect naarmate je in een hoger deciel zit. Bij CD&V en Groen valt op dat het laagste deciel sterker toeneemt. Bij Groen verliest het hoogste deciel door een ingreep in de salariswagens, terwijl dat bij N-VA het eerste deciel is als gevolg van het ingrijpen in de werkloosheidsuitkering.

Er is ook wel een groot verschil in de hoogte van de effecten per partij: die liggen bijvoorbeeld lager bij CD&V en Groen, en hoger bij SP.A en Vlaams Belang.

Kerncentrales sluiten of niet?

Wat voorts opvalt, is dat slechts zes partijen maatregelen indienden rond mobiliteit: CD&V, Ecolo, Groen, PS, SP.A en Vlaams Belang. Die slaan op het afbouwen van de salariswagens, een vorm van kilometerheffing of het afschaffen van de terugbetaling van de professionele diesel. Ecolo, Groen en SP.A waren volgens het Planbureau het meest ambitieus en boeken gelijkaardige resultaten: een modale verschuiving van personenvervoer van de auto naar het openbaar vervoer en de fiets, een toename van de gemiddelde snelheid op de weg en een redelijke daling van de uitstoot van broeikasgassen en lokale vervuilers, zoals fijn stof.

Tot slot keek het Planbureau naar de impact van de maatregelen op het elektriciteitssysteem in 2030. Zoals bekend voorziet de wet op de kernuitstap dat de laatste kerncentrales in 2025 de deuren sluiten. N-VA en Vlaams Belang willen echter een deel van de nucleaire capaciteit langere tijd behouden. Het Planbureau becijferde de gevolgen op de bevoorradingszekerheid, de duurzaamheid en de betaalbaarheid van de verschillende maatregelen. En volgens de cijferaars zijn op elk van die domeinen aanvaardbare resultaten mogelijk, of de centrales nu sluiten of niet. Wel zullen altijd gascentrales nodig blijven, zelfs bij het langer openhouden van kerncentrales.