Op 16 december jl. sprak de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen zich uit over de ontvankelijkheid van de milieustakingsvordering die in het kader van de PFOS-problematiek door Grondrecht, Greenpeace en burgerjournalist Thomas Goorden werd ingesteld t.a.v. bouwheer Lantis (vroeger BAM) en het bouwconsortium Rinkoniên. Tevens gaf de rechtbank een antwoord op de vraag of er in afwachting van een definitief vonnis ten gronde reeds voorlopige maatregelen moesten worden bevolen.

Hoewel de rechtbank de vordering grotendeels ontvankelijk verklaarde, wees zij uitdrukkelijk het verzoek af om de aanbevelingen van de Expertencommissie Grondverzet bindend op te leggen als voorlopige maatregelen. De oordelende rechter meende immers dat het opleggen van een verbod op transport van met PFOS aangerijkte grond door woonkernen en/of een verbod op het gebruik van uitgegraven bodem met hoge concentratiewaarden noch vereist, noch opportuun was.

Vanuit juridisch oogpunt kunnen er bij dit vonnis evenwel een aantal vraagtekens worden geplaatst. De uitspraak is namelijk vatbaar voor kritiek in het licht van de toepassing van het beginsel van preventief handelen, dat inhoudt dat het beter is om milieuverontreiniging of enige negatieve impact op de mens en het milieu te voorkomen, dan achteraf de gevolgen daarvan te bestrijden.

Ook vertrekkende vanuit het beginsel van brongerichte maatregelen, dat de uitdrukking vormt van de doelstelling dat milieuschade bij voorrang bij de bron moet worden bestreden, oogt het vonnis enigszins problematisch. Wanneer er data beschikbaar is over het bestaan van (gezondheids)risico's, dienen de vermelde beginselen immers des te meer in acht te worden genomen.

Jammer dat rechters de beginselen van milieubeleid nog te weinig hanteren.

Waar de rechtbank stipuleert dat het verbod op een grondtransport door woonkernen niet vereist zou zijn, aangezien het bestek van de Oosterweelwerken reeds in een dergelijk verbod voorziet en er bovendien ook een bijzondere vergunningsvoorwaarde werd aangevraagd, lijkt zij iets te kort door de bocht te gaan.

Buurtbewoners van de projectsite gaven immers reeds meermaals aan dat niet-volledig afgedekte vrachtwagens met grond sporadisch gebruik maken van het lokaal weggennet. Bovendien blijkt uit het finaal rapport van de Expertencommissie Grondverzet dat vervoer door woonkernen wel degelijk plaatsvindt.

Ook de stelling van de rechtbank dat een verbod op het gebruik van uitgegraven bodem met hoge concentratiewaarden niet vereist zou zijn, omdat (1) Lantis (BAM) en Rinkoniên een actualisatie van de technische verslagen hebben ingediend, (2) zij zich vrijwillig engageren om de aanbevelingen van de Expertencommissie na te leven en (3) er geregeld controles worden uitgevoerd, lijkt enigszins op losse schroeven te staan. We stellen immers vast dat de geactualiseerde technische verslagen ondertussen door de Raad van State werden geschorst.

Lees ook: Grondwerken op Oosterweelwerf opgeschort na arrest Raad van State

Ten gevolge van deze schorsing kan er geen gebruik meer worden gemaakt van de technische verslagen, zodat de motivering van de rechtbank op heden bijgevolg elke overtuiging mist.

Ook de afhankelijkheid van het aanhouden van een vrijwillig engagement en het uitvoeren van louter occasionele controles lijken op het eerste gezicht geen afdoende garanties te bieden dat er geen zwaar verontreinigde grond op minder vervuilde bodem zal worden gedeponeerd. Mogelijke milieu- en gezondheidsrisico's vallen dan ook niet uit te sluiten.

In het licht van enerzijds de onzekerheden die er thans bestaan met betrekking tot de naleving van aanbevelingen van de Expertencommissie Grondverzet en anderzijds de extreem hoge PFOS-waarden die in het kader van een bloedonderzoek bij de inwoners van Zwijndrecht werden vastgesteld, is het - rekening houdende met de aan PFOS gelieerde risico's op een slechte immuunrespons na vaccinatie, een verlaagde vruchtbaarheid en een lager geboortegewicht van baby's - moeilijk te vatten dat de rechtbank het niet nodig achtte om de situatie voorlopig te regelen.

Toch is de uitspraak strikt juridisch genomen niet geheel onlogisch. Het beginsel van preventief handelen en het beginsel van brongerichte maatregelen zijn immers beginselen van milieubeleid die in principe enkel tot de overheid zijn gericht. Een rechter dient deze beginselen normaliter dan ook niet te eerbiedigen.

Evenwel wordt reeds sinds de jaren '90 het standpunt verdedigd dat de vermelde beginselen ook tot uiting zouden moeten komen in het jurisdictioneel contentieux en in het bijzonder bij de aanneming van voorlopige maatregelen in het kader van urgentieprocedures, zoals bijvoorbeeld een milieustakingsvordering.

Jammer genoeg heeft deze opvatting zich na meer dan 20 jaar nog steeds niet op consistente wijze vertaald in de rechtspraktijk en vormt de PFOS-procedure helaas geen uitzondering op de regel. Ook bij de beoordeling van dit geschil beperkte de rechter zich immers tot zijn essentiële functie, namelijk uitspraak te doen over het gekende en niet over het onzekere.

Het betreft voor de inwoners van Zwijndrecht dan ook een spijtige zaak dat naar aanleiding van het verzoek tot voorlopige maatregelen geen bewijsstukken werden aangevoerd, waaruit bijvoorbeeld een onrechtmatig transport via het lokaal weggennet kon worden ontwaard.

De vraag kan evenwel worden gesteld of deze handelswijze vandaag nog langer houdbaar is en of een paradigmashift zich niet opdringt. Zeker in het kader van grote milieuvervuilingsdossiers die aanleiding geven tot gezondheidsrisico's op grote schaal, zoals bijvoorbeeld de PFOS-problematiek, betreft het immers een uiterst jammerlijk gegeven dat rechters de besproken beginselen van milieubeleid nog te weinig hanteren. Naar de toekomst toe kan er dan ook enkel worden gehoopt dat de rechtspraktijk ter zake een stevige metamorfose ondergaat.

Op 16 december jl. sprak de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen zich uit over de ontvankelijkheid van de milieustakingsvordering die in het kader van de PFOS-problematiek door Grondrecht, Greenpeace en burgerjournalist Thomas Goorden werd ingesteld t.a.v. bouwheer Lantis (vroeger BAM) en het bouwconsortium Rinkoniên. Tevens gaf de rechtbank een antwoord op de vraag of er in afwachting van een definitief vonnis ten gronde reeds voorlopige maatregelen moesten worden bevolen. Hoewel de rechtbank de vordering grotendeels ontvankelijk verklaarde, wees zij uitdrukkelijk het verzoek af om de aanbevelingen van de Expertencommissie Grondverzet bindend op te leggen als voorlopige maatregelen. De oordelende rechter meende immers dat het opleggen van een verbod op transport van met PFOS aangerijkte grond door woonkernen en/of een verbod op het gebruik van uitgegraven bodem met hoge concentratiewaarden noch vereist, noch opportuun was. Vanuit juridisch oogpunt kunnen er bij dit vonnis evenwel een aantal vraagtekens worden geplaatst. De uitspraak is namelijk vatbaar voor kritiek in het licht van de toepassing van het beginsel van preventief handelen, dat inhoudt dat het beter is om milieuverontreiniging of enige negatieve impact op de mens en het milieu te voorkomen, dan achteraf de gevolgen daarvan te bestrijden. Ook vertrekkende vanuit het beginsel van brongerichte maatregelen, dat de uitdrukking vormt van de doelstelling dat milieuschade bij voorrang bij de bron moet worden bestreden, oogt het vonnis enigszins problematisch. Wanneer er data beschikbaar is over het bestaan van (gezondheids)risico's, dienen de vermelde beginselen immers des te meer in acht te worden genomen. Waar de rechtbank stipuleert dat het verbod op een grondtransport door woonkernen niet vereist zou zijn, aangezien het bestek van de Oosterweelwerken reeds in een dergelijk verbod voorziet en er bovendien ook een bijzondere vergunningsvoorwaarde werd aangevraagd, lijkt zij iets te kort door de bocht te gaan. Buurtbewoners van de projectsite gaven immers reeds meermaals aan dat niet-volledig afgedekte vrachtwagens met grond sporadisch gebruik maken van het lokaal weggennet. Bovendien blijkt uit het finaal rapport van de Expertencommissie Grondverzet dat vervoer door woonkernen wel degelijk plaatsvindt.Ook de stelling van de rechtbank dat een verbod op het gebruik van uitgegraven bodem met hoge concentratiewaarden niet vereist zou zijn, omdat (1) Lantis (BAM) en Rinkoniên een actualisatie van de technische verslagen hebben ingediend, (2) zij zich vrijwillig engageren om de aanbevelingen van de Expertencommissie na te leven en (3) er geregeld controles worden uitgevoerd, lijkt enigszins op losse schroeven te staan. We stellen immers vast dat de geactualiseerde technische verslagen ondertussen door de Raad van State werden geschorst. Lees ook: Grondwerken op Oosterweelwerf opgeschort na arrest Raad van StateTen gevolge van deze schorsing kan er geen gebruik meer worden gemaakt van de technische verslagen, zodat de motivering van de rechtbank op heden bijgevolg elke overtuiging mist. Ook de afhankelijkheid van het aanhouden van een vrijwillig engagement en het uitvoeren van louter occasionele controles lijken op het eerste gezicht geen afdoende garanties te bieden dat er geen zwaar verontreinigde grond op minder vervuilde bodem zal worden gedeponeerd. Mogelijke milieu- en gezondheidsrisico's vallen dan ook niet uit te sluiten.In het licht van enerzijds de onzekerheden die er thans bestaan met betrekking tot de naleving van aanbevelingen van de Expertencommissie Grondverzet en anderzijds de extreem hoge PFOS-waarden die in het kader van een bloedonderzoek bij de inwoners van Zwijndrecht werden vastgesteld, is het - rekening houdende met de aan PFOS gelieerde risico's op een slechte immuunrespons na vaccinatie, een verlaagde vruchtbaarheid en een lager geboortegewicht van baby's - moeilijk te vatten dat de rechtbank het niet nodig achtte om de situatie voorlopig te regelen.Toch is de uitspraak strikt juridisch genomen niet geheel onlogisch. Het beginsel van preventief handelen en het beginsel van brongerichte maatregelen zijn immers beginselen van milieubeleid die in principe enkel tot de overheid zijn gericht. Een rechter dient deze beginselen normaliter dan ook niet te eerbiedigen. Evenwel wordt reeds sinds de jaren '90 het standpunt verdedigd dat de vermelde beginselen ook tot uiting zouden moeten komen in het jurisdictioneel contentieux en in het bijzonder bij de aanneming van voorlopige maatregelen in het kader van urgentieprocedures, zoals bijvoorbeeld een milieustakingsvordering. Jammer genoeg heeft deze opvatting zich na meer dan 20 jaar nog steeds niet op consistente wijze vertaald in de rechtspraktijk en vormt de PFOS-procedure helaas geen uitzondering op de regel. Ook bij de beoordeling van dit geschil beperkte de rechter zich immers tot zijn essentiële functie, namelijk uitspraak te doen over het gekende en niet over het onzekere. Het betreft voor de inwoners van Zwijndrecht dan ook een spijtige zaak dat naar aanleiding van het verzoek tot voorlopige maatregelen geen bewijsstukken werden aangevoerd, waaruit bijvoorbeeld een onrechtmatig transport via het lokaal weggennet kon worden ontwaard.De vraag kan evenwel worden gesteld of deze handelswijze vandaag nog langer houdbaar is en of een paradigmashift zich niet opdringt. Zeker in het kader van grote milieuvervuilingsdossiers die aanleiding geven tot gezondheidsrisico's op grote schaal, zoals bijvoorbeeld de PFOS-problematiek, betreft het immers een uiterst jammerlijk gegeven dat rechters de besproken beginselen van milieubeleid nog te weinig hanteren. Naar de toekomst toe kan er dan ook enkel worden gehoopt dat de rechtspraktijk ter zake een stevige metamorfose ondergaat.