U herkent hem doorgaans aan de net iets te wijde short. De lichtvoetige tred die bucolische onbekommerdheid uitstraalt. De knieën en bovenbenen die op elk moment klaarstaan om te hurken. De geprononceerde rechterarm, de holle onderrug, het petje dat te hoog op het voorhoofd staat. En er is uiteraard het veel te kleine racket, dat om onduidelijke reden een touwtje aan de onderkant heeft, omgeven door een kek hoesje, dat als een soort middenklasseknapzak losjes over de schouder bungelt.
...

U herkent hem doorgaans aan de net iets te wijde short. De lichtvoetige tred die bucolische onbekommerdheid uitstraalt. De knieën en bovenbenen die op elk moment klaarstaan om te hurken. De geprononceerde rechterarm, de holle onderrug, het petje dat te hoog op het voorhoofd staat. En er is uiteraard het veel te kleine racket, dat om onduidelijke reden een touwtje aan de onderkant heeft, omgeven door een kek hoesje, dat als een soort middenklasseknapzak losjes over de schouder bungelt. Er waart een spook door het Vlaamse landschap, het spook des padels. Geen gehucht of het laatste perceeltje vrije bouwgrond wordt voorzien van glazen wanden. Geen ingedommelde tennisclub of er is wel een nieuwlichter die de brique pilée wil inruilen voor kunstgras en waterdoorlatend beton. Geen oude fabriekshal of een beigegebroekte ondernemer-met-Tesla komt op prospectie om te kijken of de teloorgegane nijverheid tot padelvelden omgeturnd kan worden. Padel is overal. Er zijn tegenwoordig al padelclubs in Oetingen (!), in Elewijt (!), in Hombeek (!), in Verrebroek (!), in Zelem (!). Zelfs in het mondaine Spiere-Helkijn - Spiere-Helkijn godbetert - kunnen padellers die de wegenwerken aan de Doornikserijksweg ter hoogte van IJzeren Bareel ontwijken hun hartje ophalen. Padel is met voorsprong de snelst groeiende sport van Vlaanderen. In 2016 telde Padel Vlaanderen, de overkoepelende organisatie die binnen Tennis Vlaanderen de uitbouw van het Vlaamse padel opvolgt, welgeteld twaalf clubs. Volgens de laatste telling staat de teller tegenwoordig op maar liefst 200 clubs waar gepadeld kan worden, goed voor in totaal 821 padelterreinen. Als alle momenteel geregistreerde padelgerelateerde projecten afgerond worden, zal Vlaanderen maar liefst 217 padelclubs tellen. Telde Padel Vlaanderen in 2017 nog 3137 aangesloten leden, dan zijn het er ondertussen al 61.809. De stormloop is zo immens dat het gros van de padelclubs ondertussen al een ledenstop hanteert. Wat kan ik daarop tegen hebben, hoor ik u denken. Is padel niet gezellig met vrienden tegen een balletje slaan? Is het geen laagdrempelig vertier? Een beetje kletsen, een beetje pilsen, nu en dan eens een bal een hengst geven: wat is daar mis mee? Ik kan het niet hartstochtelijker met u oneens zijn. Ik ben tegen padel, beste lezer. Zoals elke cultuurkamp begint het altijd met een gevoel. Het gevoel dat je tekort wordt gedaan. Het al dan niet terechte idee dat de wereld een complot heeft gesmeed en je nu achter je rug uitlacht. Het onuitstaanbare idee dat er 'iets' niet klopt. Dat gevoel bekruipt me wanneer ik zie dat zo veel medeburgers, die nochtans van enige rationele vermogens verdacht kunnen worden, zo massaal aan het padellen gaan. Dat kantoorlui die zich zonder blozen creative ninja of talent acquisition Jedi Master noemen zich in een zwembroek op zo'n blauw veldje wagen, hoeft niemand te verbazen. Maar dat de fine fleur van onze door belastingen uitgezogen middenklasse zich zo snel door deze hype laat knechten, vervult ondergetekende van onpeilbaar verdriet. Niemand minder dan Marc Coucke bouwt ondertussen aan een padelimperium, dat weldra minstens 200 terreinen moet beslaan. Zelfs Niels Destadsbader, rots in de branding van het betere Vlaamse levenslied, is ondertussen een padelclub aan het bouwen. U moet weten dat ik een afvallige tennisser ben, beste lezer. Menig zaterdagochtend en woensdagnamiddag heb ik als kind op een tennisveld gezwoegd. Als brildrager, gezegend met de oog-handcoördinatie van een sanseveria, heb ik twaalf jaar lang verwoede pogingen ondernomen om mijn forehand onder controle te krijgen. Tevergeefs heb ik gepoogd om een stabiele backhand te ontwikkelen. Benenspel! Lichaamshouding! Positie tegenover de bal! De correcte greep van het racket! Wie die goede principes veronachtzaamde, bracht zichzelf - ten dele ook zijn familie - te schande, mogelijk in levens- gevaar, en werd op kordate manier bijgestuurd. Wee de onverlaat die het in mijn tijd waagde om een backhand met één hand te slaan, of erger nog: te slicen. Slicen was een techniek die voorbehouden was voor notarissen in ruste, verdwaalde pingpongers of voetballers met een knieblessure die een nieuwe hobby zochten. Ik heb in de jaren negentig geregeld lijfstraffen ondergaan omdat ik gewaagd had de bal te slicen. Slechts één categorie tennissers kwam er in de hiërarchie der hoofdzonden bekaaider af dan de slicer: spelers die de bal onderhands opsloegen. In padel maakt het allemaal niet uit. Padellers hebben elke mogelijke esthetische overweging overboord gegooid. Ze probéren niet eens. Waar tennissers jaren spendeerden aan het perfectioneren van hun opgooi en opslag, moeten padellers onderarms opslaan. Padellers nemen hun racket vast als een hamer, slingeren hun arm in de richting van de bal en hopen op het beste. Slicen, blocken, kappen, meppen, molenwieken: het mag allemaal. Padelballen zijn kleiner en minder hard opgepompt dan tennisballen, waardoor het allemaal wat trager en gezapiger gaat. Padel is een balsport voor mensen die niet van balsporten houden. Padel is zesjescultuur met een zonevreemde cafetaria. Het is improvisatietheater in een neoclassicistisch operagebouw. Padel is je jonggescheiden baas-in-lichtblauw-maatpak die op een BMX naar het werk fietst. In padel lijkt een punt nooit op te houden. Het terrein is sowieso te klein om een tegenstander uit verband te spelen. Zelfs wanneer je de bal buiten het bereik van je tegenstander mept, hoeft die doorgaans maar te wachten tot die via de zijkanten in zijn richting terugbotst. Padel is de ratrace die nooit stopt, het is blokrijden op de A12, een trouwfeest waar onophoudelijk Sweet Caroline door de boxen galmt. Padel is de thuiswerkende, met kinderen geschopte middenklasser die na de quinoa-met-falafel 's avonds toch nog de laptop openklapt om de powerpointpresentatie voor morgen af te werken. Als tennisser was het ware doel van de sport zelfs voor de meest vrijblijvende amateursporter duidelijk: alles draait om smashen. Er bestaat op een tennisveld geen heerlijker gevoel dan een bal op zijn hoogste punt een neerwaartse oplawaai te verkopen en de tegenstand kansloos achter te laten. Smashen is de eigentijdse versie van de jager-verzamelaar die met een speer een everzwijn doorboort. Al die uren van forehands en backhands die ik als jongeling tegen de muur aan mikte, dienden één doel: een tegenstander dusdanig in de problemen brengen dat hij genoodzaakt was een boogbal te spelen die met een oerschreeuw genadeloos afgesmasht werd. Padel heeft dat nobele streven helemaal onderuitgehaald. In padel is de smasher in het nadeel. De tegenstander hoeft de bal doorgaans maar tegen de wand te laten botsen, om de smasher vervolgens met een venijnig tikje te passeren. Het is listigheid die grenst aan het achterbakse. Het is catenaccio spelen en dan geniepig met 1-0 winnen nadat je de scheidsrechter een persoonlijke lening hebt aangeboden. Moeder, waarom smashen wij nog? Mag ik hier even de ecologische kaart trekken? Fundamenteel hoort padel een grootstedelijke sport te zijn. Op één tennisterrein kun je maar liefst twee padelveldjes kwijt. Aangezien padel doorgaans met zijn vieren wordt gespeeld, heb je - aldus de beigegebroekte ondernemer-met-Tesla - een vierdubbele convertability rate: meer volk dat lidgeld betaalt en achteraf elf euro neertelt voor een matig gebakken croque-monsieur. Met zijn efficiëntere ruimtegebruik zou padel dé uitgelezen sport kunnen zijn die de Vlaming eindelijk de betonstop laat omarmen. Padel zou het voorbeeld moeten zijn van het idee dat het slimmer invullen van de schaarse open ruimte geen kwaliteitsverlies hoeft te betekenen. Dat de betonstop Vlamingen niet hoeft te veroordelen tot opeengestapelde Sovjetblokken en een naargeestig bestaan. Dat net zo'n sport alleen maar voor meer beton zorgt en zo massaal omarmd wordt door lintbebouwing en verkavelingen, ervaart uw dienaar als een schreeuwend onrecht. Het staat in de sterren geschreven dat de eerste politicus die het padel omarmt een liberaal zal zijn. Breed glimlachend, handdoekje om de nek, een enkele zweetdruppel parelend op de rechterhelft van het voorhoofd, zal hij zijn duim opsteken naar de camera. Bijschriften als 'een beetje ontspannen met de boyz' of ' work hard, play hard' dreigen met goedkeuring van de communicatiecel op sociale media gepost te worden. Zoals elke minister sinds Guy Verhofstadt doet alsof hij wielrent, zo ook zal padel gekoloniseerd worden voor het electorale gewin. Padel is zo snel op eigen kracht succesvol geworden, dat het in dit land niet anders kan of er trekt een minister of staatssecretaris weldra de subsidieschuif open. Ongetwijfeld hebt u ondertussen uw oplossing al klaar, beste lezer. Als ik dat hele padel dan toch zo weerzinwekkend vind, blijf ik toch weg? Dan ga ik toch lekker fietsen, schaken of sjoelbakken? Niemand verplícht mij toch om padel te spelen? Wat mekker je dan, Zuallaert? Kon dat maar. Padel heeft ondertussen immers mijn gezin bereikt. Mijn vader, die als prille zestiger de geneugten van een vroegtijdig pensioen ontdekt, heeft zich sinds enkele jaren helemaal op het padel geworpen. Mijn vader zal niet rusten voor heel Dendermonde (met uitzondering van Baasrode) met carbon tegen een softbal mept. Mijn oudste dochter (6) is ondertussen helemaal verkocht. Voor haar is padel een doodnormale sport. Het racket is niet te klein, de bal is niet te plat, en aan smashen heeft ze nog nooit gedacht. Voor haar is tennis een vorm van padel op een belachelijk groot veld. Nooit zal zij begrijpen waarom haar vader knarsetandend uitvaart tegen dergelijke nieuwlichterij. Weet u die goeie ouwe tijd nog, in mijn herinnering geen vijf jaar geleden, dat mensen op een elektrische step slechts hoongelach te beurt viel? Wie vijf jaar geleden een volwassene op een elektrische step door hartje Brussel zag rijden, belde prompt de politie, als hij of zij al niet dubbel lag van het lachen. Maar niet zo lang geleden hebben we onze waakzaamheid even laten varen, en zijn we mensen op een elektrische step ernstig beginnen te nemen. Op zulke momenten van onoplettendheid neemt de geschiedenis een beslissende loop, en blijven hele generaties verweesd achter. De maatschappelijke aanvaarding van de elektrische step bewijst dat zelfs de onnozelste gewoonten aanvaardbaar kunnen worden, wanneer de goede smaak collectief verstek geeft. Op dezelfde manier confronteert padel deze niet meer zo prille dertiger met zijn eigen sterfelijkheid. Padel is als Snapchat, Clubhouse, skinny jeans of vrijwillig wasabi eten: het zijn rituelen die voor jongere generaties geen uitleg behoeven, maar zich aan mij openbaren als een onbevattelijk geheimschrift. Padel is een zoveelste teken dat deze wereld mij stilaan door de vingers glipt, en dat achter mij de generatiekloof genadeloos verder brokkelt. Als niet-eens-meer-zo-prille-ouder leer je natuurlijk met zulke doodsangsten om te gaan. Zo leef ik al jaren in de voortdurende angst dat een van mijn dochters ooit voor AA Gent zal supporteren. Ik ben bang dat mijn kleinkinderen later genderneutraal houten speelgoed zullen krijgen. Ik ben bang dat ze mijn stukken voor Knack alleen zullen willen lezen wanneer ik ze samenvat in 30 seconden lange TikTokfilmpjes. Maar sinds een jaar heb ik een angstdroom die maar niet weggaat: ik ben bang dat een van mijn dochters ooit met een padeller thuiskomt. Zo'n jonge vlerk in een net iets te grote capuchon, goede punten voor Nederlands en een bles. Hij zal ongetwijfeld het beste met haar voorhebben, en hij zal voortdurend over dat padel emmeren. En ik, liefdevolle pantoffelheld, zal niet anders durven dan die jongen - vermoedelijk heet hij Dylan - in ons warme familienest welkom te heten. Ik zal door de zure appel heen bijten. Ik zal ter voorkoming van die akelige stiltes tussen vader en schoonzoon interesse veinzen. Als de relatie aanhoudt, zal ik hem ongetwijfeld gadeslaan tijdens een of ander heilloos lokaal toernooi. De geur van zongewarmd kunstgras zal zich vermengen met mijn ondertussen al lauw geworden cappuccino, terwijl mijn dochter naast me enkel oog heeft voor haar oude Nokia, die vermoedelijk dan opnieuw in de mode zal zijn. En terwijl het doffe gemep mijn door carrièrisme murw geslagen geest in een precomateuze staat brengt, zal ik, mijn levensloop als ouder overschouwend, niettemin proberen een optimistische gedachte te koesteren. Het is tenminste geen korfballer.