De strategie kwam tot stand in overleg tussen de verschillende overheden - federaal, gewesten, gemeenschappen en lokale besturen - en diensten. "Hoewel alle diensten en beleidsniveaus ook voorheen al nauw samenwerkten, biedt de nota nu een gemeenschappelijk kader, een gemeenschappelijke strategie, met respect voor elkaars finaliteit en methodologie om met extremisme en terrorisme in onze samenleving om te gaan", benadrukt minister Verlinden. De strategie stemt de aanpak van de verschillende bestuursniveaus en diensten die betrokken zijn bij de aanpak van extremisme en terrorisme op elkaar af. Je hebt bijvoorbeeld de Lokale Task Forces op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen, die instaan voor de voeding van de Gemeenschappelijke Gegevensbank, waarin informatie wordt gedeeld over personen die prioritair moeten worden gevolgd voor terrorisme en extremisme. Die lijst bevat momenteel zowat 700 namen. Nog op lokaal niveau zijn er de Lokale Integrale Veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme (LIVC's-R) opgericht, die werken vanuit een sociopreventief perspectief. "In het verleden lag de focus van de opvolging van extremisten vooral op een repressieve aanpak", zegt Gert Vercauteren, OCAD-directeur ad interim. "Maar in de loop der jaren groeide het bewustzijn dat dit onvoldoende was. De strategie is geëvolueerd naar een multidisciplinaire aanpak en steunt op de expertises van alle beleidsniveaus in ons land. Een breed scala aan diensten wordt betrokken." Belangrijk in de strategie is dat alle vormen van extremisme en terrorisme dezelfde aanpak krijgen, of het nu om religieus geïnspireerd terrorisme gaat of om een andere vorm. De dreiging is volgens de nota de laatste jaren sterk geëvolueerd: zowel de profielen van de daders, als de elementen die hen triggeren om een gewelddadige actie te plegen, hun modus operandi en de manieren waarop ze inspiratie zoeken. Vroeger ging het doorgaans om mensen die terugkeerden uit conflictgebied, nu meestal "lone actors". (Belga)

De strategie kwam tot stand in overleg tussen de verschillende overheden - federaal, gewesten, gemeenschappen en lokale besturen - en diensten. "Hoewel alle diensten en beleidsniveaus ook voorheen al nauw samenwerkten, biedt de nota nu een gemeenschappelijk kader, een gemeenschappelijke strategie, met respect voor elkaars finaliteit en methodologie om met extremisme en terrorisme in onze samenleving om te gaan", benadrukt minister Verlinden. De strategie stemt de aanpak van de verschillende bestuursniveaus en diensten die betrokken zijn bij de aanpak van extremisme en terrorisme op elkaar af. Je hebt bijvoorbeeld de Lokale Task Forces op het niveau van de gerechtelijke arrondissementen, die instaan voor de voeding van de Gemeenschappelijke Gegevensbank, waarin informatie wordt gedeeld over personen die prioritair moeten worden gevolgd voor terrorisme en extremisme. Die lijst bevat momenteel zowat 700 namen. Nog op lokaal niveau zijn er de Lokale Integrale Veiligheidscellen inzake radicalisme, extremisme en terrorisme (LIVC's-R) opgericht, die werken vanuit een sociopreventief perspectief. "In het verleden lag de focus van de opvolging van extremisten vooral op een repressieve aanpak", zegt Gert Vercauteren, OCAD-directeur ad interim. "Maar in de loop der jaren groeide het bewustzijn dat dit onvoldoende was. De strategie is geëvolueerd naar een multidisciplinaire aanpak en steunt op de expertises van alle beleidsniveaus in ons land. Een breed scala aan diensten wordt betrokken." Belangrijk in de strategie is dat alle vormen van extremisme en terrorisme dezelfde aanpak krijgen, of het nu om religieus geïnspireerd terrorisme gaat of om een andere vorm. De dreiging is volgens de nota de laatste jaren sterk geëvolueerd: zowel de profielen van de daders, als de elementen die hen triggeren om een gewelddadige actie te plegen, hun modus operandi en de manieren waarop ze inspiratie zoeken. Vroeger ging het doorgaans om mensen die terugkeerden uit conflictgebied, nu meestal "lone actors". (Belga)