Klein bericht uit de buitenlandpagina's van de krant geknipt. In Philadelphia werden twee zwarte jongens gearresteerd in de Starbucks. Ze bestelden niet meteen iets, maar liepen gewoon wat rond.
...

Klein bericht uit de buitenlandpagina's van de krant geknipt. In Philadelphia werden twee zwarte jongens gearresteerd in de Starbucks. Ze bestelden niet meteen iets, maar liepen gewoon wat rond. Op Facebook reageerde schrijver Teju Cole: 'Een zwarte kan nooit een flaneur zijn. Flaneren is voor blanken. Voor zwarten zijn alle plekken beladen. Cafés, restaurants, museums, winkels. Je eigen voordeur. We zijn waakzaam als we wandelen, en we betalen een hoge prijs voor die waakzaamheid. Can't relax, black.'Die laatste zin raakte me. Ik hou van het woord 'flaneur'. Vooral nu, in de laatste dagen van de Indian summer, spijbel ik graag van de wereld in oude stadsstraten. En als ik die beu ben, neem ik een bus en rij mee tot aan een halte met een mooie naam. Onlangs stapte ik uit aan halte Genevenne, ergens in de Vlaamse prairie rond Diest. Ik slenterde wat rond in de straten. Keek naar de horizon en de huizen. Achter een raam zag ik ogen loeren. Een paar tellen later stormde een man op me af, duidelijk uit z'n zomerse hum. 'Wat doet u hier eigenlijk?' 'Ik geniet van het landschap', murmelde ik. Dat antwoord beviel hem niet echt. Pas toen ik hem overtuigd had dat ik in vrede gekomen was en geen lid was van de inbrekersbende van zijn buurt, droop hij weer af. Een paar weken later vertel ik het voorval aan antropoloog Joris Capenberghs, zelf een verwoed wandelaar. 'Je bent te oud om een geloofwaardige hangjongere te zijn', zegt hij. 'Te weinig grijze haren om hangoudere te zijn. Je bent dus een hangman.' 'Is dat een ernstige aandoening?' vraag ik hem. 'Nee, ' lacht hij, 'alleen vindt de maatschappij het lastig. Flaneren was een typisch negentiende-eeuws stadsfenomeen. Daarvoor was het simpel. Wie rijk was, gebruikte paard en koets, de anderen gingen te voet. In de negentiende eeuw veranderde de maatschappij. De bourgeoisie kreeg ook vrije tijd. Flaneurs bewogen zich in Parijs als dandy's door de straten en overdekte galerijen. Ze slenterden doelloos rond, lieten zich op sleeptouw nemen door de stad. 'Wie vandaag op dat ritme kuiert, is aan het shoppen. Of is een toerist. Maar gewoon wat rondhangen, dat is toch wel een beetje verdacht. Als je tien keer door dezelfde straat loopt, word je ter verantwoording geroepen. Wat zijn jouw intenties? En zou je niet beter iets zinvols doen? Onze mobiliteit moet nuttig zijn. Sommige wandelaars genieten zelfs niet meer van het landschap. Ze tellen hun stappen, want "ze moeten er zoveel per dag gedaan hebben". Dat is een modernistische manier van denken: alles moet een functie hebben. Zo kijken we ook naar de stad. Veel mensen zijn bijvoorbeeld tegen kasseien, want je kunt er niet snel op fietsen. Natuurlijk moeten we onze straten niet opnieuw vol kasseien leggen, maar overal asfalt is ook niet goed. Als alles in een stad functioneel moet zijn, verdwijnt de gezelligheid. Een stad moet ook karakter hebben. Net zoals je ook op een ander ritme doelloos door een stad moet kunnen dwalen.' 'Bestaat er eigenlijk nog een trager wandelritme dan flaneren?' vraag ik. 'Schrijden', antwoordt Capenberghs plechtig. 'Dat was tot de achttiende eeuw vooral gebruikelijk in aristocratische kringen. Ze droegen toen barokke kleren die zo zwaar waren dat ze amper vooruit raakten op het dure parket van hun paleizen. In een halfuur legden ze amper honderd meter af.' Schrijden is niet meer hip, maar ook hangmannen hebben betere tijden gekend. Niet alleen aan halte Genevenne, ook in de rest van Vlaanderen. Tijdens mijn tochten viel me al vaak op hoe weinig houten zitbanken er staan in dit land. In stations, parken, straten... overal verdwijnen ze. Af en toe komt er weleens een bij. Meestal zo'n postmodern gedrocht zonder leuning, maar met USB-poorten en zonnepanelen, zoals in Dendermonde. Je kunt er alles mee doen, behalve op gaan zitten. In Antwerpen willen ze met zitbanken zelfs de terroristen van de IS tegenhouden. De Voetgangersbeweging verdedigt de flaneur nog wel. 'Mobiliteit is in dit land een serieus probleem', zegt voorzitter Tom Dhollander. 'We staan allemaal in de file en dus zoeken politici naar alternatieven. Ze investeren niet alleen in wegen, maar ook in fietssnelwegen en fietspaden. Soms komen die zelfs in de plaats van het trottoir, omdat men daar subsidies voor gekregen heeft. De voetgangers worden vaak vergeten. Iedereen weet dat ze er zijn, maar zij zullen het probleem van de mobiliteit niet oplossen. Denken politici. Ze leggen heel vaak de nadruk op de verbindende rol van de publieke ruimte - je moet zo snel mogelijk van punt a naar punt b raken. Terwijl de openbare ruimte ook een andere rol heeft. Wanneer ga je te voet naar de bakker? Als het onderweg ook aangenaam wandelen is, als er zitbanken of grote bomen staan. Oudere mensen flaneren bijvoorbeeld graag, ze kunnen vaak ook niet anders. Het haalt hen uit hun isolement en het is goed voor hun mentale en fysieke gezondheid. Als de openbare ruimte zou deugen, waren er minder ziektes en zouden we veel geld besparen. Er is zelfs onderzoek over gedaan. Voor elke euro die je investeert in de publieke ruimte, krijg je later 35 euro terug. Dat is een rendement dat geen enkele belegging kan leveren. En toch investeert de overheid nog altijd veel te weinig in de publieke ruimte. En als er dan eens een paar grote bomen staan, worden ze gerooid omdat er een wortel uit de grond komt. Zelden staan we stil bij wat die bomen betekenen voor het welzijn van mensen.' Ook Joris Capenberghs zegt dat 'de trage kwaliteiten van de stad' onderschat worden. 'Al vind ik niet dat politici zich moeten bezighouden met flaneurs. Die hebben altijd buiten de maatschappelijke orde gestaan, onder het motto ni dieu, ni maître.'In 1929 schreef Walter Benjamin dat 'Parijs de flaneur geschapen had'. En vreemd genoeg niet Rome met al zijn heiligdommen en tempels. 'Maar voltrekt in Rome zelfs het dromen zich niet langs al te welgebaande wegen? (...) De grote overblijfselen uit het verleden - voor de ware flaneur zijn ze oude rommel die hij graag aan de toerist overlaat. En al zijn kennis van kunstenaarswoningen, geboortehuizen of vorstelijke paleizen, wisselt hij graag in voor de lucht van een enkele verweerde drempel of het aanraken van één enkele tegel, dat wat de eerste de beste hond van een plek meeneemt.' 'Dat is vandaag nog altijd zo', zegt Capenberghs. 'Je gaat bij voorkeur flaneren in vergeten straten. Niet op de Grote Markt in Brussel, maar ook niet aan een autosnelweg - die laat jou trouwens niet toe, je bent daar niet welkom. Waar flaneer jij graag?' 'In Venetië', zeg ik. 'Niet op het San Marcoplein. Maar in de straten van Cannaregio of op het Isola di San Michele, een paar kilometer verderop. Het is er verrukkelijk mooi en je struikelt er niet over de toeristen.' 'Je bent een luxedier, Stijn', antwoordt Capenberghs. 'Jij hebt de tijd om dat allemaal te doen. De meeste mensen hebben het te druk. Ze kijken gewoon in hun reisgids of naar het plan dat het reisbureau voor hen heeft uitgestippeld. Op San Marco nemen ze een selfie in café Florian, die ze op Facebook zetten. Natuurlijk is er niets mis met het San Marcoplein, wel met de manier waarop het wordt gebruikt. Elke dag wordt Venetië bezet door een toeristenleger. Het is geen toeval dat daar amper nog mensen wonen. Je kunt op zulke plaatsen gewoon niet meer permanent leven, je wordt gek van zo'n dagelijkse invasie. Alles draait er rond consumptie.' 'Hetzelfde is aan het gebeuren in onze steden. Elk plein in de stad moet een evenementenplein zijn. De lokale overheid organiseert de pret, want mensen hebben geen tijd meer om dat zelf te doen. Ze hopen daarmee zo veel mogelijk stemmen te behalen, maar vergeten vaak dat er ook nog mensen wonen op die pleinen.' Een paar dagen later reis ik naar station Viane-Moerbeke. Joris Capenberghs had me uitgenodigd om te gaan wandelen in het Kluisbos in Galmaarden. Een bos dat al eeuwen bestaat, had hij gezegd. Zoiets als Venetië, maar dan met bomen. Ooit was het het vossenhol van Jan De Lichte en zijn bende. Vandaag is het uitgeroepen tot stiltegebied zonder grote trom. Onderweg in de trein lees ik in een prachtig boekje dat hij vertaald heeft: Ode aan het wandelen van de Franse antropoloog David le Breton. Hij heeft het over beroemde wandelaars. Over Henry David Thoreau, de schrijver-rebel die in 1884 schreef: 'Ik denk niet dat ik mij fysiek en mentaal kan handhaven, tenzij ik minstens vier uur per dag door het bos en over heuvels en velden struin, absoluut vrij van wereldse beslommeringen.' Over Matsuo Basho ook, de Japanse dichter uit de zeventiende eeuw die tijdens jarenlange trektochten ontelbare haiku's neerpende omdat 'de god van de rusteloosheid hem weer eens te pakken had en zijn hoofd op hol had gebracht'. Le Breton schrijft ook over ons. 'De mensheid dankt haar bestaan aan beide voeten. De meesten van ons zijn hiervan vandaag niet meer bewust, zodra we achteloos in de wagen stappen. Sinds het neolithicum beschikt de mens onveranderlijk over eenzelfde lichaam, dezelfde fysieke mogelijkheden, hetzelfde vermogen om zich tegen de wisselvalligheden van de natuur te wapenen. Al verloochenen we onze eigen aard, we hebben meer gemeenschappelijk met de neanderthaler dan we - in onze mateloze arrogantie - beseffen.' 'Wandelen was vroeger een noodzaak', zegt Capenberghs. 'Vandaag is het een keuze geworden. Omdat je gezond wilt blijven of op adem wilt komen. Alleen in de stad wordt er nog veel gewandeld. Dat klinkt misschien wat vreemd, want de levensstijl van de stedelingen staat het verst van de natuurlijke manier van leven. Toch bewegen mensen zich vooral daar nog met de voeten voort. Op het platteland neemt iedereen de fiets of de auto. Je hebt het zelf gemerkt: ze kwamen vragen wat je aan het doen was.' Het Kluisbos is toverachtig mooi. We wandelen over het pad van Jan De Lichte. Een zandweg die niet door mensen, maar door de tijd is gevormd. 'Kom je hier vaak?', vraag ik aan Capenberghs. Hij knikt. 'Veel mensen weten wel wat ze nog willen in hun leven, maar niet wat ze nodig hebben. Ik heb dat wandelen nodig. Friedrich Nietszche kon ook niet op zijn stoel blijven zitten. Hier in de natuur wordt er niet geoordeeld, zei hij, daar op die weg wel. Wandelen is een bescheiden daad, die heel heilzaam kan zijn. Als ik met een probleem worstel, ga ik wandelen. Het zet je zintuigen op scherp. Je ziet een blauwe reiger of een omgevallen boom. Het is heerlijk om opgenomen te worden door de natuur. Je wordt meer lichaam en minder geest, zoals tijdens een vrijpartij. Na de wandeling is dat probleem niet opgelost, maar je hebt er wel anders naar leren kijken. Vergelijk het met een klontje suiker dat oplost in een glas water. De suiker blijft in het water zitten, maar het harde blokje is verdwenen.' 'Deze zomer ben ik met een paar mensen gaan wandelen. Een heerlijke, leerrijke ervaring. Ik had vooraf eten gekocht om klaar te maken. Nog voor we vertrokken, vroegen ze me al: "En in welk restaurant gaan we eten?" Dat hoort er op een of andere manier altijd bij. De routes van het wandelparadijs Limburg gaan van staminee naar staminee. Niets verkeerds mee, maar er zijn ook nog andere manieren om het landschap te verkennen. Alleen beantwoorden die niet aan het consumptiemodel van de provincie Limburg. Het is een beetje zoals fietsen. Vroeger ging je gewoon fietsen. Nu is daarrond ook een markt gegroeid. Je bent bijna een sukkel als je geen elektrische fiets hebt. En zelfs wie geen conditie heeft, zit in een wielerclub en heeft zo'n vreemd pak aan.' 'Wat heb je eigenlijk met al dat eten gedaan?', vraag ik. 'Dat hebben we de laatste dag klaargemaakt. (grijns) Het was de lekkerste maaltijd van allemaal.' We wandelen voort. Er vallen een paar druppels uit de hemel, maar Capenberghs doet alsof hij het niet merkt. 'We beschouwen regen altijd als iets negatiefs', zegt hij. 'De regen spoelt ons zorgvuldig opgebouwde imago en onze status weg, daarom zijn we er zo tegen. Terwijl hij ook iets moois heeft. Door de regen worden we allemaal even nat, van de dakloze tot onze grootste politieke leider.' Ook die wandelt soms, om een symbolische daad te stellen. Op 14 oktober 2012 stapte Bart De Wever na zijn overwinningsfeest van de Antwerpse Zuiderkroon naar 't Schoon Verdiep. In zijn gevolg liepen tientallen partijleden en camera's. Het was geen slentertocht, maar een mars die al maanden op voorhand gepland was. 'Natuurlijk wilde De Wever met die wandeltocht iets duidelijk maken', zegt Capenberghs. 'Ik heb gewonnen, dus de openbare ruimte is nu van ons. Door de ruimte fysiek te claimen, is de ander er niet meer heer en meester. Weinig mensen hadden dat misschien door, al voelde iedereen wel dat hij hiermee iets wilde zeggen. Hij appelleerde aan het collectief onbewuste. Erg slim hoe hij van dit symbool gebruik maakte. In het verleden hebben leiders wel vaker het wandelen aangewend om de macht van hun tegenstanders te breken.' Mao stapte in 1934 zijn Lange Mars, met 130.000 mensen in zijn zog. Mahatma Gandhi wandelde vier jaar eerder 390 kilometer om te protesteren tegen het Britse zoutmonopolie in India. En Martin Luther King organiseerde in de jaren zestig burgermarsen voor meer zwarte burgerrechten. 'Hij gebruikte het wandelen als symbool net op de omgekeerde manier als De Wever', zegt Capenberghs. 'De zwarten waren niet zichtbaar, maar door die wandeltocht werden ze dat wel. Als jullie ons niet willen zien, zei King, laten we ons zien. We schreeuwen niet, we doen niets verkeerds, we wandelen alleen. Dat gebeurt vandaag nog altijd in de Refugee Walk. Het enige wat mensen op de vlucht nog hebben, is hun lichaam en tijd. Ze gebruiken dat om de kleinste daad van verzet te tonen.' Het pad van De Lichte eindigt op de openbare weg. Daar staat een bord: 'De Bosberg, alleen voor taaie flandriens.' Een paar uur later, terug thuis. In mijn brievenbus zitten een paar verkiezingsfolders. Veel beloftes over fietsers en auto's, maar niet over de voetgangers. Ik smijt ze in de vuilbak en ga naar de Erfgoedbibliotheek. In de afdeling 'Flaneurs' ligt wel prachtige wandelliteratuur: Geert Mak. Gerard van Westeloo. Pascal Verbeken. Peter Handke, das Ende des Flanierens.Ik blader wat in het werk van Charles Baudelaire. De goeroe van de flaneurs, de man die het woord flaneur uitgevonden heeft. Net voor hij neerviel in augustus 1867, werkte hij aan een schotschrift over België. La Belgique déshabillée.Een verslag van zijn flaneertochten hier. Niemand heeft dit land ooit zo uitgekleed als Baudelaire. Zijn woorden zouden honderdvijftig jaar later nog in elke oppositiefolder passen: ' Weinig trottoirs of onderbroken trottoirs (een gevolg van tot het uiterste gedreven individuele vrijheid). Vreselijke bestrating. (...) Het flaneren, waar volken zich zo graag aan overgeven, is hier onmogelijk. Niets te zien. (...) Het Belgische gezicht, duister, vormeloos, vaalbleek of wijnrood, vreemdsoortige kaakconstructies, dreigend ogende stupiditeit. Hoe Belgen lopen, trekkebenend en log. Ze kijken bij het stappen achterom en botsen voortdurend overal tegenaan.'Charles Baudelaire hield hartstochtelijk van België.