Het klinkt als de titel van een weinig eerbiedig surrealistisch toneelstuk, maar, zoals Theodor W. Adorno na 1945 schreef, 'soms overtreft de werkelijkheid de literaire verbeelding'. Sinds het incident rond de praalwagen van de vereniging 'Vismooil'n' in de carnavalstoet van 2019 in Aalst worden we collectief geconfronteerd met een conflict dat we tot dan toe waarschijnlijk niet voor mogelijk hadden gehouden. Dit 'collectief' breidt zich steeds meer uit, van de Joodse verenigingen in Vlaanderen en België en de verantwoordelijken voor het Aalsterse carnaval (inclusief het stadsbestuur) tot de ambassadeur van Israël en de internationale Joodse gemeenschap en zowat de hele bevolking van Aalst en van de leden van Unia, het Interfederale Gelijkekansencentrum, tot de Unesco. Als gevolg van de inschakeling van Unia als bemiddelende instantie wordt het incident een staatszaak, en met de Unesco krijgt het internationale allures. Met het resultaat dat om het even wat je hierover zegt of schrijft vanuit dozijnen verschillende hoeken met argusogen en -oren geregistreerd en beoordeeld wordt.

Over overlevenden van de Sjoa en de Voil Jeanetten.

Misschien kunnen we dit complexe probleem - want dat het intussen een reëel probleem geworden is kan niemand nog ontkennen - verhelderen door onszelf en al onze buren en medemensen een paar concrete vragen te stellen.

Kunnen we ons voorstellen dat de overweldigende meerderheid van onze Joodse medeburgers niet of heel vaag van het bestaan de typisch Aalsterse, vaak baldadige carnavalstraditie op de hoogte waren?

Is het, omgekeerd, plausibel dat de mannen en vrouwen van de carnavalsvereniging 'Vismooil'n' tot dan toe geen of weinig contact gehad hadden met hun Joodse medeburgers in Antwerpen of Brussel, laat staan Tel-Aviv of New-York?

Hoe kunnen we op een niet betuttelende manier de enthousiaste carnavalisten bekend maken met de lange geschiedenis van het antisemitisme tot en met de Sjoa en de talrijke voorbeelden van Jodenhaat daarna?

Nog preciezer: hoe kunnen we duidelijk maken dat hun keuze voor de 'Joodse' inkleuring van hun praalwagen op een akelig herkenbare manier in dit antisemitische verhaal paste en Joden in het algemeen, maar zeker overlevenden van de judeocide tijdens WOII en hun nabestaanden, heel persoonlijk en heel pijnlijk moet geraakt hebben?

Waarom blijven buitenstaanders steevast denken dat tijdens het carnaval in Aalst 'alles toegelaten is', terwijl dat helemaal niet klopt?

Is het mogelijk dat ze de directe associatie van hun karikaturen (de haakneuzen, de kluis, de ratten) met de ergste antisemitische spotprenten vóór en tijdens de Tweede Wereldoorlog niet beseft hebben, ook al kunnen we aantonen dat het hier in feite niet over 'ratten' ging, maar over de spreekwoordelijke muis in een lege kluis?

Hoe kunnen we er collectief, nu we er toch allen bij betrokken geraakt zijn, voor zorgen dat de manier waarop de zaak behandeld wordt niet contraproductief werkt? Is het zo moeilijk te beseffen dat een repressieve afhandeling van de affaire, die bijvoorbeeld de hele Aalsterse carnavalstraditie zou treffen, onvermijdelijk het wederzijdse onbegrip en vandaar ook het authentieke antisemitisme zou versterken?

En waarom zouden, omgekeerd, de carnavalisten niet hun spijt kunnen uitdrukken voor de pijn die ze mijns inziens ongewild veroorzaakt hebben en in de toekomst de herinnering aan de Jodenmoord niet op het lijstje zetten van andere vormen van (Aalsterse) zelfcensuur? Zoals ze onder meer nooit de spot gedreven hebben met de moorden door de Bende van Nijvel en, achteraf, hun bedenkingen uitgesproken hebben over hun karikatuur van de jonge patiënten van een lokale school voor gehandicapten? Waarom blijven buitenstaanders steevast denken dat tijdens het carnaval in Aalst 'alles toegelaten is', terwijl dat helemaal niet klopt?

Is het gevaar niet denkbaar dat we, indien we zonder enige zin voor humor en nuance de onhandige actie van de carnavalisten op één en hetzelfde rijtje blijven zetten als de beruchte en intentionele haatprenten uit 'Der Stürmer', we veel meer slachtoffers dreigen te maken dan nu al het geval is: de Joodse gemeenschap, de Aalsterse carnavalisten en, in een wereld die nuance en relativering dringend kan gebruiken, de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat, om af te sluiten met een uitspraak van de grote Joodse filosoof Baruch Spinoza, de onvermijdelijke basis vormt van elke democratie?

Ludo Abicht is kernlid van Vlinks.

Lees ook: 'Joden worden opnieuw vermoord omdát ze Jood zijn'