Er is één groot privilege waarvan eenieder in het Westen, wars van afkomst en overtuiging, heeft kunnen genieten: het recht op een vrije mening en die te uiten. En ofschoon dat privilege steeds meer onder druk staat; elders in de wereld is er vaak niet eens een spoor van te vinden. Een uitwisselingsstudent uit China schreef enkele jaren geleden: 'Jongeren hier beseffen niet half hoe kostbaar die vrijheid is, maar ook niet hoe kwetsbaar zij is.' Universiteiten hebben een cruciale taak om die vrijheid te beschermen. De belangrijkste hefboom daartoe blijft uitmuntend onderwijs.

Overal ter wereld protesteren jongeren, omdat ze die vrijheid niet hebben: Wit-Rusland, Hong Kong, China, Myanmar... Het rijtje is lang. Als universiteit hebben we de plicht over haar rol en legitimiteit na te denken. Zeker omdat de VUB vandaag haar Dies Natalis viert. We hebben een grote verantwoordelijkheid voor onze toekomstige generaties.

Opdracht universiteit: het democratisch privilege van de toekomstige generatie veilig stellen.

Biedt onze samenleving de vrijheid om meningen te uiten, dan zou de universiteit meer dan ooit het vermogen moeten aankweken om dat op een verantwoorde wijze te doen. Wanneer de samenleving vier jaar lang in een student investeert om wijzer te worden, dan is het niet meer dan vanzelfsprekend dat die student zich aan het einde van de rit weet te onderscheiden op vlak van kennis, vaardigheid en houding. Daarbij gaat het niet om de stelligheid van de mening, maar om de kwaliteit van de argumenten, de vaardigheid om die eloquent over te brengen en een stuk wereldwijsheid om dat ook empathisch te doen.

Zulk onderwijs zou moeten berusten op vier pijlers, waarvan menselijke waardigheid wellicht de belangrijkste is. Meer dan ooit is het van belang dat universiteiten jongeren op een zeer intensieve wijze vertrouwd maken met het humanisme dat de kern blijft van de Europese beschaving, zijn historische wortels, zijn filosofische vertakkingen en zijn betekenis voor de samenleving vandaag. Maar waardigheid is ook een kwestie van vaardigheid. Hoe groter de wendbaarheid in welbespraaktheid, hoe groter de parate kennis, hoe sterker het vermogen om van een analyse opnieuw te komen tot een synthese en de volharding in het omgaan met twijfel en complexiteit, hoe beter onze studenten de steeds grotere deiningen in het maatschappelijke debat kunnen trotseren.

De tweede pijler: oog voor het gemeenschappelijke goed in onze samenleving. We bestaan slechts bij gratie van anderen. Dat uitgangspunt is het fundamentele verschil tussen humanisme en libertarisme. Het impliceert een diepe kennis van de apathie, de anarchie en de tirannie die door de woelige geschiedenis immer op de loer lagen, van de offers die voor onze huidige vrijheid werden gebracht en van de grondwettelijke principes waarop onze samenleving vandaag rust. Het veronderstelt ook een grote mate van vertrouwdheid met de samenleving die we dienen. Hoewel de universiteit specialisten vormt, moeten zij zich steevast bewust zijn van de bredere context waarin zij aan de slag gaan. Naast werk in de bastions van de macht, zouden onze studenten bijna permanent het terrein op moeten.

De derde pijler: de bereidheid en het vermogen om op een democratische wijze te komen tot een vergelijk. Het is cruciaal dat universiteiten de ruimte en begeleiding bieden om jongeren argumenten te leren begrijpen en ontwikkelen, te leren debatteren, onderhandelen en participatie mogelijk te maken. Minstens even belangrijk is om jongeren te helpen in de o zo moeilijke zoektocht naar evenwicht tussen verzoening en verzet, tussen conformeren en contesteren. Soms is het immers nodig om de hakken in het zand te zetten en te kiezen voor de confrontatie, al was het maar om instellingen, waaronder de universiteiten zelf, erop te wijzen als er een kloof gaapt tussen hun zelfverklaarde maatschappelijke missie en de mate waarin zij die ook in werkelijkheid nastreven. De preconditie voor die democratische attitude is wellicht ook dat loyaliteit ten aanzien van bijvoorbeeld de kernwaarden en het algemeen belang immer primeert op loyaliteit ten aanzien van enge organisatorische belangen.

Tot slot ligt er een belangrijke verantwoordelijkheid bij universiteiten in het versterken van de vaardigheden om dat democratische vergelijk om te zetten in goed bestuur, in ethisch ondernemerschap, enzovoort. Geen enkele democratie overleeft als haar belangen, waarden en idealen niet worden behartigd door sterke, integere leiders. In dat opzicht is het de heilige plicht van elke universiteit om de lat zeer hoog te leggen en te streven naar uitmuntendheid, met als centrale overweging dat de dienaren van onze democratie naar attitude, vaardigheden en kennis steeds sterker moeten staan dan de uitdagers van onze vrijheid en democratie. Dat blijft dé graadmeter waarmee onze universiteiten vandaag hun relevantie kunnen afmeten.

Er is één groot privilege waarvan eenieder in het Westen, wars van afkomst en overtuiging, heeft kunnen genieten: het recht op een vrije mening en die te uiten. En ofschoon dat privilege steeds meer onder druk staat; elders in de wereld is er vaak niet eens een spoor van te vinden. Een uitwisselingsstudent uit China schreef enkele jaren geleden: 'Jongeren hier beseffen niet half hoe kostbaar die vrijheid is, maar ook niet hoe kwetsbaar zij is.' Universiteiten hebben een cruciale taak om die vrijheid te beschermen. De belangrijkste hefboom daartoe blijft uitmuntend onderwijs.Overal ter wereld protesteren jongeren, omdat ze die vrijheid niet hebben: Wit-Rusland, Hong Kong, China, Myanmar... Het rijtje is lang. Als universiteit hebben we de plicht over haar rol en legitimiteit na te denken. Zeker omdat de VUB vandaag haar Dies Natalis viert. We hebben een grote verantwoordelijkheid voor onze toekomstige generaties.Biedt onze samenleving de vrijheid om meningen te uiten, dan zou de universiteit meer dan ooit het vermogen moeten aankweken om dat op een verantwoorde wijze te doen. Wanneer de samenleving vier jaar lang in een student investeert om wijzer te worden, dan is het niet meer dan vanzelfsprekend dat die student zich aan het einde van de rit weet te onderscheiden op vlak van kennis, vaardigheid en houding. Daarbij gaat het niet om de stelligheid van de mening, maar om de kwaliteit van de argumenten, de vaardigheid om die eloquent over te brengen en een stuk wereldwijsheid om dat ook empathisch te doen.Zulk onderwijs zou moeten berusten op vier pijlers, waarvan menselijke waardigheid wellicht de belangrijkste is. Meer dan ooit is het van belang dat universiteiten jongeren op een zeer intensieve wijze vertrouwd maken met het humanisme dat de kern blijft van de Europese beschaving, zijn historische wortels, zijn filosofische vertakkingen en zijn betekenis voor de samenleving vandaag. Maar waardigheid is ook een kwestie van vaardigheid. Hoe groter de wendbaarheid in welbespraaktheid, hoe groter de parate kennis, hoe sterker het vermogen om van een analyse opnieuw te komen tot een synthese en de volharding in het omgaan met twijfel en complexiteit, hoe beter onze studenten de steeds grotere deiningen in het maatschappelijke debat kunnen trotseren.De tweede pijler: oog voor het gemeenschappelijke goed in onze samenleving. We bestaan slechts bij gratie van anderen. Dat uitgangspunt is het fundamentele verschil tussen humanisme en libertarisme. Het impliceert een diepe kennis van de apathie, de anarchie en de tirannie die door de woelige geschiedenis immer op de loer lagen, van de offers die voor onze huidige vrijheid werden gebracht en van de grondwettelijke principes waarop onze samenleving vandaag rust. Het veronderstelt ook een grote mate van vertrouwdheid met de samenleving die we dienen. Hoewel de universiteit specialisten vormt, moeten zij zich steevast bewust zijn van de bredere context waarin zij aan de slag gaan. Naast werk in de bastions van de macht, zouden onze studenten bijna permanent het terrein op moeten. De derde pijler: de bereidheid en het vermogen om op een democratische wijze te komen tot een vergelijk. Het is cruciaal dat universiteiten de ruimte en begeleiding bieden om jongeren argumenten te leren begrijpen en ontwikkelen, te leren debatteren, onderhandelen en participatie mogelijk te maken. Minstens even belangrijk is om jongeren te helpen in de o zo moeilijke zoektocht naar evenwicht tussen verzoening en verzet, tussen conformeren en contesteren. Soms is het immers nodig om de hakken in het zand te zetten en te kiezen voor de confrontatie, al was het maar om instellingen, waaronder de universiteiten zelf, erop te wijzen als er een kloof gaapt tussen hun zelfverklaarde maatschappelijke missie en de mate waarin zij die ook in werkelijkheid nastreven. De preconditie voor die democratische attitude is wellicht ook dat loyaliteit ten aanzien van bijvoorbeeld de kernwaarden en het algemeen belang immer primeert op loyaliteit ten aanzien van enge organisatorische belangen.Tot slot ligt er een belangrijke verantwoordelijkheid bij universiteiten in het versterken van de vaardigheden om dat democratische vergelijk om te zetten in goed bestuur, in ethisch ondernemerschap, enzovoort. Geen enkele democratie overleeft als haar belangen, waarden en idealen niet worden behartigd door sterke, integere leiders. In dat opzicht is het de heilige plicht van elke universiteit om de lat zeer hoog te leggen en te streven naar uitmuntendheid, met als centrale overweging dat de dienaren van onze democratie naar attitude, vaardigheden en kennis steeds sterker moeten staan dan de uitdagers van onze vrijheid en democratie. Dat blijft dé graadmeter waarmee onze universiteiten vandaag hun relevantie kunnen afmeten.