Het is ondertussen ruim een halve eeuw geleden dat Alberto Giacometti zijn laatste glas wijn zoop en sigaret oprookte. Maar ook al ligt de beruchte beeldhouwer en schilder al sinds 1966 onder de Zwitserse zoden, zijn geest en artistieke erfenis zijn levendiger dan ooit én alomtegenwoordiger. Niet alleen breken zijn karakteristieke beelden van graatmagere, tot op het existentiële bot ontbeende figuren al jaren allerlei veilingrecords. De retrospectieven van zijn werk - vorig jaar nog in Tate Modern in Londen, nu in Guggenheim New York en de Fondation Beyeler in Basel - blijken stuk voor stuk blockbustertentoonstellingen. Bovendien liep tot voor kort de film Final Portrait in de Belgische bioscopen, een biopic waarin Oscarwinnaar Geoffrey Rush in de rimpelige huid en getormenteerde ziel van de Zwitserse kunstenaar kruipt.

Hij was een verwend, praatziek kind dat zo'n hedonistische levensstijl leidde dat zelfs Radja Nainggolan er duizelig van zou worden.

Alsof al die aandacht nog niet genoeg is, kunnen fans van de meester van de spichtige subli miteit sinds vorige week ook een bezoek brengen aan diens befaamde Parijse atelier. Of tenminste: toch aan een reconstructie daarvan. Maar dan enkel op afspraak via de website van de Fondation Giacometti. De Stichting, die sinds 2003 zijn werk beheert en met 300 sculpturen, 90 schilderijen en duizenden papieren werken 's werelds grootste Giacometti-collectie bezit, opende immers een nieuw instituut in Montparnasse, de wijk waar hij sinds 1925 woonde en werkte.

Pronkstuk van het project, dat werd gefinancierd door de verkoop van een Juan Miro-schilderij dat Giacometti ooit van zijn Catalaanse collega had gekregen, is de heropgebouwde studio, waar samen met nooit eerder getoonde sculpturen ook twee van de drie originele, door Giacometti beschilderde en gegraveerde muren te zien zijn, plus meubels en schilderijen. Voor de reconstructie kon de stichting bogen op de hulp van Giacometti's weduwe Annette, die het interieur tot aan haar dood in 1993 bewaarde, én op die van Michel Bourbon, de restaurateur die de muren neerhaalde en verplaatste van de Rue Hippolyte-Maindron naar de huidige locatie even verderop.

Schrijver Jean Genet, die goed bevriend was met Giacometti, omschreef het atelier ooit als 'een melkachtig moeras, een ziedende stortplaats, een regelrecht rommelhok.' Verfklodders en gips hingen overal aan de muren, en aan het gezicht, het haar en de kleren van de kolerieke kunstenaar die overigens nooit een bad nam, wel negentig sigaretten per dag rookte, uitsluitend wijn en koffie zoop en zijn vele geld - stapels van duizenden Franse franken - gewoon onder zijn matras propte aangezien luxe hem toch niet interesseerde. Het was alsof de kunst opsteeg uit de rommel, alsof het gips zich als bij wonder oprichtte tot de uitgebeende, staande figuren die in gesmoorde wanhoop hun isolement uitschreeuwen en die inmiddels bekender zijn dan de naam van hun maker.

L'Homme au Doigt © AP

Annette Arm

Giacometti, die naar eigen zeggen elke dag aan zelfmoord dacht, werd in 1901 geboren in een Zwitsers dorpje als de zoon van een succesvolle postimpressionistische schilder. Op zijn dertiende maakte hij zijn eerste buste van zijn jongere broer Diego, eveneens kunstenaar en zijn leven lang zijn rechterhand en model. In 1922 toog hij naar Parijs waar hij het surrealisme, kubisme en primitivisme ontdekte en in de kring van André Breton belandde om daar zijn door seks, dood en geweld getekende visioenen in beelden te gieten. Hoewel de fraaie werken hem een discrete faam opleverden, raakte Giacometti gefrustreerd door de op dromen gebaseerde werkmethode die het surrealisme voorschreef. Hij voelde meer en meer de noodzaak, tot horreur van Bréton, om met levende modellen te werken.

Het keerpunt in zijn leven, én in zijn carrière, kwam er tijdens de Tweede Wereldoorlog toen hij naar het neutrale Zwitserland terugkeerde. Daar ontmoette hij Annette Arm, een braaf burgermeisje met wie hij in 1949 zou trouwen en dat tot aan zijn dood zijn muze en model bleef. Kort na de bevrijding en zijn terugkeer in Parijs gingen Giacometti's ogen voor een tweede keer open, toen hij na een filmvoorstelling op de Boulevard Montparnasse de bioscoop buiten kwam. Plots kreeg hij de epifanie dat zijn 'hele visie op de wereld tot dan toe fotografisch was geweest', hoewel 'de realiteit mijlen verwijderd was van de zogezegde objectiviteit van een film.' Het was een inzicht dat hem trof tot in zijn diepste vezel, alsof hij daar en toen opnieuw geboren werd. De mensen om hem heen leken plots fragiele, sculpturale figuren die onttrokken waren aan hun tijd en omgeving, omzoomd door louter leegte.

Het gevolg was dat de beelden van Giacometti, die op dat moment vooral miniaturen maakte, stukken langer en smaller werden, en in navolging van zijn figuren rezen ook zijn roem en reputatie. Hij kreeg solotentoonstellingen van Parijs tot New York. Hij ging geregeld drinken en discussiëren met de filosofen Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir. Hij ging 's nachts in stilte wandelen met toneelgigant Samuel Beckett. Hij poseerde gewillig voor de lens van fotografen Henri Cartier-Bresson en Robert Doisneau, en hij frequenteerde de studio van Pablo Picasso, hoewel hij de Spaanse maestro diep in zijn borrelende binnenste eigenlijk maar een kladkunstenaar vond.

Tegen de jaren vijftig was Giacometti een artistieke vedette geworden, een curieuze cultfiguur wiens werk de wereld rondreisde maar die het vertikte om met zijn royaal binnenstromende geld een deftig huis, laat staan een bad te kopen. Als hij zich al eens een folietje permitteerde, dan was het om zijn favoriete hoeren en minnaressen te plezieren, al dan niet uit compensatie voor zijn impotentie en als dank voor hun geduldige poseersessies die vaak uren, dagen, weken en desnoods maanden duurden.

L'Homme qui Marche: mascotte van het existentialisme. © ISOPIX

De film Final Portrait speelt zich grotendeels af in Giacometti's mythische atelier van amper 4,7 bij 4,5 meter en toont hoe zo'n poseersessie kon uitmonden in een zowel fysieke als mentale uitputtingsslag. De biopic schetst hoe diens laatste meesterwerk tot stand kwam: een portret van James Lord, de Amerikaanse schrijver die een standaardbiografie over hem pende. Lord had erin toegestemd om voor Giacometti te poseren, maar besloot na talloze sessies die maar liefst twee jaar aansleepten, uiteindelijk zelf het penseel uit Giacometti's handen te graaien, om te voorkomen dat zijn gezicht voor de elfendertigste keer zou worden uitgewist.

Profeet en proleet

In de warrige wereld van Giacometti, die net als zijn Britse, expressionistische generatiegenoot Francis Bacon het figuratieve nooit volledig loste en zijn doeken drenkte in de pijn van het zijn, was niets ooit eenmalig, laat staan voltooid. Hij zette de lijn van een wenkbrauw of neusvleugel aan, om die vervolgens weer uit te wissen of weg te boetseren. Opnieuw, en opnieuw, en opnieuw. Het gebeurde zelfs dat hij na ettelijke jaren naar werken teruggreep, om nog maar eens een andere versie te maken, wat Picasso ertoe bracht om zijn werk repetitief en beperkt te noemen.

Van zijn modellen eiste hij dat ze even alert en fysiek aanwezig waren als de onvoltooide, gipsen figuren en tekeningen die hen in zijn atelier omringden. Zodra een min of meer gelijkend beeld verscheen, verdween het weer, alsof Giacometti - die zichzelf een loser vond - bang was van het eindresultaat, alsof het hem als kunstenaar én als mens zou ontmaskeren.

Maskers opzetten kon hij namelijk als de beste. Hij was de gekwelde bohémien die ervan droomde om zichzelf in brand te steken. Hij was de alchemist die zich te pletter werkte om kunstwerken te creëren die de kranke menselijke conditie zo akelig precies weergaven dat je er tot op vandaag koude rillingen van krijgt. Maar tegelijk was hij een verwend, praatziek, volwassen kind dat graag de grote jan uithing in de hipste intellectuele kringen van Parijs, en die zo'n hedonistische levensstijl leidde dat zelfs Radja Nainggolan er duizelig van zou worden.

In die zin is Giacometti profeet en proleet ineen, een Jekyll and Hyde, een januskop met eeuwige sigaret in de mond. Maar waar iedereen weleens een rol speelt om aan zichzelf of zijn aardse kooi te ontsnappen, creëert niet iedereen intens indringende kunstwerken. Met een beetje zin voor dramatiek zou je Giacometti's oeuvre daarom kunnen beschouwen als de obsessieve poging om schoonheid te creëren vanuit de mislukking, met hemzelf in de rol van modernistische Sisyphus, en om objecten te ontrukken aan hun tijd, ruimte en context.

'Mislukking is mijn trouwste vriend', orakelde hij ooit. 'Slagen is als doodgaan. Of iets veel ergers nog. Hoe vaker je mislukt, hoe meer je slaagt. Pas op het moment dat alles verloren lijkt - maar toch doorgaat - krijg je het gevoel vooruitgang te boeken, iets nieuws te creëren, ook al is dat wellicht een illusie.'

Giacometti's biograaf James Lord moest twee jaar lang poseren voort dit portret.

Een en ander verklaart zijn queeste om niet de realiteit zelf, maar wel de chronisch veranderende perceptie van de realiteit te vatten. Dat manifesteert zich niet alleen in zijn schriele sculpturen, die benige spoken die op het punt staan om terug in hun massieve voet te zinken. Je ziet Giacometti's geworstel en gewroet met zijn onderwerp en materiaal nog meer in de tekeningen en schilderijen die hij naliet, zoals die van James Lord, van zijn echtgenote Anette of van Caroline, zijn laatste minnares en muze.

Aanhoudende monstersucces

Op die maniakale manier maakte Giacometti niet alleen enkele van de meest iconische beelden van de twintigste eeuw, maar ook van de allerduurste, zo blijkt vele jaren na zijn dood. Zijn bronsbeeld L'homme qui marche (1961) bracht in 2010 honderd miljoen dollar op. L'Homme au doigt (1947) ging in 2015 voor het recordbedrag van 141 miljoen over de toonbank. Bovendien blijft het tentoonstellingen en publicaties over hem regenen, alsof hij een sprintje heeft ingezet om zelfs Picasso, met wie hij zijn leven lang een haat-liefdeverhouding had, qua populariteit naar de kroon te steken. Wie niet naar Parijs, New York of Basel wil, kan volgend voorjaar ook in het Antwerpse Middelheimmuseum terecht dat diens werk Femme de Venise ll, dat al jaren in het depot zit, zal tonen in het nieuwe collectiepaviljoen.

Vraag blijft: why always him? Wat valt er nog te zeggen, of te ontdekken? Een deel van Giacometti's oeuvre lijkt eerder voor het kladboek dan voor de eeuwigheid bestemd, en Picasso had een punt toen hij zijn werk repetitief noemde. Zelf gaf hij dan wel een artistieke verklaring voor de talloze varianten op dezelfde figuren, een cynicus zal opmerken dat hij toch vooral zijn hits herhaalde. Maar ook al was Giacometti wel zo slim, had hij altijd al het talent en het instinct om de juiste mensen op de juiste plaatsen te ontmoeten, en ook al kon hij bogen op gepassioneerde propagandisten zoals Sartre, Genet en kunstcriticus David Sylvester: die dingen verklaren uiteraard nog altijd niet zijn aanhoudende monstersucces.

© ISOPIX

Feit is dat zijn werk diep ingeplugd was in de zeitgeist van na de Tweede Wereldoorlog en op een zowel instinctieve als intellectuele manier appelleerde aan de besognes en fobieën van die tijd. Het gruwelspook van de Holocaust loerde nog om het hoekje, en de atoomboom zorgde voor een paddenstoelwolk van angst en paranoia. Veel moeite hoef je dan ook niet te doen om in Giacometti's spichtige figuren de schimmen van uitgemergelde gevangenen, vluchtelingen op de dool, of mensen in verzet te zien. Of mascottes van het existentialisme, wat ook Sartre en De Beauvoir gewillig deden. Ze tonen de mens als een fundamenteel eenzaam, schuldbewust en aan zijn lot overgelaten hoopje aarde. Of brons, klei of gips in dit geval.

Bovendien zul je maar weinig kunstenaars vinden die zichzelf met zo veel devotie allerlei limieten oplegden, terwijl je er nog minder zult vinden die dat deden met zo'n manifestatie- en (zelf)destructiedrang. In die zin was Giacometti veel meer dan een kunstenaar van en voor zijn troebele, ideologisch gespannen tijd. Hij was een visionair die, met zijn nadruk op het repetitieve, materiële en gestieke, de weg bereidde voor het minimalisme en conceptualisme. Dus ja, hij viel al eens in herhaling, en ja, zijn misantropie neem je het best met een korrel zout. Dat neemt niet weg dat hij een onvermoeibare sjamaan was die zich, net als zijn uitgerekte figuren aan zijn tijd en ruimte wist te ontrukken, en naar wiens topwerken het in deze tijden van terreur, brexit, Trump, vluchtelingencrisissen en andere aardse kwalen meer dan ooit gefascineerd kijken blijft.

Institut Giacometti, rue Victor Schoelcher 5, Parijs. Info: www.fondation-giacometti.fr

Alberto Giacometti

- 1910: geboren op 10 oktober in het alpendorpje Borgonovo, in het Italiaans sprekende deel van Zwitserland

- 1922: na zijn kunststudies in Genua en een rondreis door Italië arriveert hij in Parijs waar hij zich inschrijft in de Academie de la Grande Chaumière

- 1925: trekt in zijn studio in de Rue Hippolyte-Maindron met een gedeelde waterkraan en toilet op de binnenkoer. Hij woont en werkt er tot aan zijn dood

- 1946: maakt zijn eerste uitgemergelde figuren die zo typisch waren voor zijn naoorlogse werk

- 1966: overlijdt op 11 januari aan de gevolgen van bronchitis, uitgeput en afgeleefd

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.