Onlangs was in Knack een interview te lezen met de Oxford-prof Martin Conway. Over hem wordt gezegd: 'Hij is een van de zeldzame buitenlandse historici die gespecialiseerd zijn in België. En ook onze actualiteit volgt.' In 2012 schreef hij het boek "Sorrow of Belgium" over Léon Degrelle en de woelige naoorlogse periode. Thans werkt hij aan een publicatie over de grote staking tegen de Eenheidswet tijdens de regering Gaston Eyskens. Martin Conway doet enkele interessante uitspraken. Zo verklaart hij dat het ontmantelen van de federale staat een project van de politieke elite was waar weinig populaire steun voor bestond. Wat later zegt hij: 'Het Vlaams nationalisme is nooit tot een echte volksbeweging gegroeid. De Vlaamse onafhankelijkheid slaat niet aan als politiek project, daarvoor is het besef van de interne verdeeldheid te groot.'

De manier waarop de zesde staatshervorming tot stand is gekomen is een illustratie van wat Conway bedoelt met projecten van politieke elites zonder populaire steun. In de verkiezingsprogramma's van de politieke partijen, uitgezonderd die van de N-VA, werden in 2010 weinig of geen concrete voorstellen geformuleerd in verband met de institutionele problemen.

Na de verkiezingen werd over het regeringsakkoord onderhandeld door zes of zeven partijvoorzitters. Na de grote overwinning van de N-VA en de aanstelling van Bart De Wever als eerste informateur werden meteen verregaande communautaire eisen prioritair op de dagorde geplaatst. Hierbij kan men zich de vraag stellen of de staatshervorming wel het stembepalend thema was van de kiezers, ook zij die voor de N-VA gestemd hebben. Het antwoord is te vinden in het verslag van een onderzoek dat gedaan werd door het Centrum voor Sociologisch Onderzoek van de KUL. Dit verslag kreeg als titels mee: 'Het communautaire in de verkiezingen van 25 mei 2014. Analyse op basis van de postelectorale verkiezingsonderzoeken 1991-2014'. In dit rapport is een hoofdstuk gewijd aan een vergelijking van de stemmotieven bij de laatste verkiezingen en wat blijkt? 'Aan de (Vlaamse) kiezers werd gevraagd de drie thema's aan te duiden die hen op de verkiezingsdag het meest hebben georiënteerd bij het bepalen van hun stemgedrag. In vergelijking met 2010 blijft de top vrij stabiel. De sociale kwesties 'werkgelegenheid en tewerkstelling', 'gezondheidszorg' en 'pensioenen' blijven de topprioriteiten. De voornaamste verschuiving in de stemmotieven heeft betrekking op het thema staatshervorming. In 2014 gaf slechts 6% van de Vlaamse kiezers aan dat deze kwestie een belangrijke rol speelde bij de partijkeuze. Hieruit valt het communautaire terug naar de 13de plaats van de rangorde van de belangrijke stemmotieven. Dit is een beduidende terugval in vergelijking met 2007 en 2010, toen 13% respectievelijk 20% van de kiezers de staatshervorming aangaf als stemmotief.'

Dat ook Bart De Wever zich van deze lage percentages bewust is moge blijken uit wat hij schreef in een van zijn columns. Hij heeft het daar over 'banaal nationalisme' dat staat voor een identiteitsbeleving die niet ter discussie wordt gesteld en waarvan de uiting alomtegenwoordig maar meestal onbewust is. En hij vervolgt: 'Alhoewel de kiemen van een dergelijk banaal nationalisme in Vlaanderen aanwezig zijn via het politiek en institutioneel systeem en de impact van de media, moet het streven om de Vlaming als gemeenschap tot politieke autonomie te brengen nog altijd expliciet gearticuleerd (sic) worden. Om voluit te kiezen voor de Vlaamse identiteit en daaraan politiek gestalte te geven, moet er met andere woorden actief zieltjes worden gewonnen.' Het gebruik van het woord "kiemen" is hierbij veelzeggend.

In dit verband is het ook wel interessant kennis te nemen van de bijdrage van Bruno De Wever , Frans-Jos Verdoodt en Antoon Vrints in het "Courrier hebdomadaire nr.2316/2016" van de CRISP (Centre de recherche et d'information socio-politiques - Centrum voor socio-politiek onderzoek en informatie) dat handelt over Vlaamse patriotten. Hun besluit luidt als volgt (ik vertaal): 'Blijkbaar is maar een kleine minderheid van de publieke opinie voorstander van het separatistisch project. De grote meerderheid van de Vlamingen identificeert zich zowel met Vlaanderen als met België, naast andere vormen van identiteitsbeleving. Naargelang de omstandigheden en het onderwerp zal ofwel het Vlaams identiteitsgevoel voorrang hebben ofwel het Belgische. De antithese Vlaanderen-België wordt nog altijd niet gedeeld door de meeste Vlamingen, meer dan een eeuw nadat die is ontstaan.'

Deze dubbel gelaagde identiteitsbeleving is blijkbaar een doorn in het oog van sommige politici en opiniemakers. Elke gelegenheid nemen ze te baat om Vlamingen en Walen tegen elkaar op te zetten. En toch stellen we vast dat de laatste tijd meer en meer mensen zijn gaan inzien dat een escalerende confrontatie leidt tot blokkeringen en het verscherpen van een wederkerig vijandbeeld. Openheid van geest en wederzijds respect kunnen deze uitzichtloze polarisatie doorbreken. Meer overleg tussen de ideologisch verwante zusterpartijen, aan beide zijden van de taalgrens, zou hierbij meer dan welkom zijn. En, om het met de woorden van de Duitse denker Jürgen Habermas te zeggen, de samenhang van een gemeenschap is veeleer in politieke termen dan in culturele te verstaan.

Inmiddels is er bij velen het besef gegroeid dat onze complexe staatsstructuur nood heeft aan vereenvoudiging en efficiëntie. Er moet voorkomen worden dat hierover, zoals in 2010 en 2011, onder hoogspanning moet onderhandeld worden met de rug tegen de muur. Luc Van Der Kelen, politiek raadgever bij B Plus heeft reeds een paar jaren geleden de idee gelanceerd waarbij door de regering tijdens deze legislatuur van relatieve communautaire rust een commissie zou gevormd worden, samengesteld uit politici en externe experten om een zakelijke balans op te maken van de vroegere staatshervormingen en om zonder taboes voorstellen te formuleren tot verbetering van de werking van de instellingen.

Ook vanuit academische kringen werd eerder een dergelijk voorstel gedaan. Op de plenaire vergadering van de Klasse van de Menswetenschappen van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten op 21 november 2014 werd de publicatie goedgekeurd, in de reeks Standpunten van dit gezelschap, van de brochure getiteld 'Leidt fiscale autonomie van deelgebieden in een federale staat tot budgettaire discipline?' Het besluit van dit Standpunt luidt als volgt: 'Uit wetenschappelijk oogpunt beschouwd zou het alleszins aangewezen zijn om, vooraleer deze projecten aan een welvaartstoets te onderwerpen, op een objectieve wijze na te gaan of de staatkundige hervormingen die in België sinds 1980 doorgevoerd werden, daadwerkelijk hebben bijgedragen tot de welvaart en het welzijn van de ganse Belgische bevolking en tot een verbetering van de efficiëntie van het beleid van de overheden.'

Bij wijze van afsluiter, even terug naar het "zieltjes winnen" van Bart De Wever. Blijkbaar is zijn oproep niet in dovenmansoren gevallen. Onlangs ontving ik, als lid van de oud-studentenvereniging van de KUL, een uitnodiging op een bezoek aan de tentoonstelling 'OER - De Wortels van Vlaanderen'. Op de uitnodiging las ik: 'Op papier is OER een tentoonstelling over Vlaamse kunst tussen pakweg 1880 en 1930. Maar OER is veel meer. OER is anders. OER is grensverleggend. OER gaat ook over vandaag, en over wie wij als Vlamingen zijn. Want de grens tussen heden en verleden is flinterdun.' Was getekend "Pieter De Crem, voorzitter.'

Luc Van Coppenolle, voorzitter van het Comité Oost-Vlaanderen van B Plus.

Onlangs was in Knack een interview te lezen met de Oxford-prof Martin Conway. Over hem wordt gezegd: 'Hij is een van de zeldzame buitenlandse historici die gespecialiseerd zijn in België. En ook onze actualiteit volgt.' In 2012 schreef hij het boek "Sorrow of Belgium" over Léon Degrelle en de woelige naoorlogse periode. Thans werkt hij aan een publicatie over de grote staking tegen de Eenheidswet tijdens de regering Gaston Eyskens. Martin Conway doet enkele interessante uitspraken. Zo verklaart hij dat het ontmantelen van de federale staat een project van de politieke elite was waar weinig populaire steun voor bestond. Wat later zegt hij: 'Het Vlaams nationalisme is nooit tot een echte volksbeweging gegroeid. De Vlaamse onafhankelijkheid slaat niet aan als politiek project, daarvoor is het besef van de interne verdeeldheid te groot.' De manier waarop de zesde staatshervorming tot stand is gekomen is een illustratie van wat Conway bedoelt met projecten van politieke elites zonder populaire steun. In de verkiezingsprogramma's van de politieke partijen, uitgezonderd die van de N-VA, werden in 2010 weinig of geen concrete voorstellen geformuleerd in verband met de institutionele problemen. Na de verkiezingen werd over het regeringsakkoord onderhandeld door zes of zeven partijvoorzitters. Na de grote overwinning van de N-VA en de aanstelling van Bart De Wever als eerste informateur werden meteen verregaande communautaire eisen prioritair op de dagorde geplaatst. Hierbij kan men zich de vraag stellen of de staatshervorming wel het stembepalend thema was van de kiezers, ook zij die voor de N-VA gestemd hebben. Het antwoord is te vinden in het verslag van een onderzoek dat gedaan werd door het Centrum voor Sociologisch Onderzoek van de KUL. Dit verslag kreeg als titels mee: 'Het communautaire in de verkiezingen van 25 mei 2014. Analyse op basis van de postelectorale verkiezingsonderzoeken 1991-2014'. In dit rapport is een hoofdstuk gewijd aan een vergelijking van de stemmotieven bij de laatste verkiezingen en wat blijkt? 'Aan de (Vlaamse) kiezers werd gevraagd de drie thema's aan te duiden die hen op de verkiezingsdag het meest hebben georiënteerd bij het bepalen van hun stemgedrag. In vergelijking met 2010 blijft de top vrij stabiel. De sociale kwesties 'werkgelegenheid en tewerkstelling', 'gezondheidszorg' en 'pensioenen' blijven de topprioriteiten. De voornaamste verschuiving in de stemmotieven heeft betrekking op het thema staatshervorming. In 2014 gaf slechts 6% van de Vlaamse kiezers aan dat deze kwestie een belangrijke rol speelde bij de partijkeuze. Hieruit valt het communautaire terug naar de 13de plaats van de rangorde van de belangrijke stemmotieven. Dit is een beduidende terugval in vergelijking met 2007 en 2010, toen 13% respectievelijk 20% van de kiezers de staatshervorming aangaf als stemmotief.' Dat ook Bart De Wever zich van deze lage percentages bewust is moge blijken uit wat hij schreef in een van zijn columns. Hij heeft het daar over 'banaal nationalisme' dat staat voor een identiteitsbeleving die niet ter discussie wordt gesteld en waarvan de uiting alomtegenwoordig maar meestal onbewust is. En hij vervolgt: 'Alhoewel de kiemen van een dergelijk banaal nationalisme in Vlaanderen aanwezig zijn via het politiek en institutioneel systeem en de impact van de media, moet het streven om de Vlaming als gemeenschap tot politieke autonomie te brengen nog altijd expliciet gearticuleerd (sic) worden. Om voluit te kiezen voor de Vlaamse identiteit en daaraan politiek gestalte te geven, moet er met andere woorden actief zieltjes worden gewonnen.' Het gebruik van het woord "kiemen" is hierbij veelzeggend. In dit verband is het ook wel interessant kennis te nemen van de bijdrage van Bruno De Wever , Frans-Jos Verdoodt en Antoon Vrints in het "Courrier hebdomadaire nr.2316/2016" van de CRISP (Centre de recherche et d'information socio-politiques - Centrum voor socio-politiek onderzoek en informatie) dat handelt over Vlaamse patriotten. Hun besluit luidt als volgt (ik vertaal): 'Blijkbaar is maar een kleine minderheid van de publieke opinie voorstander van het separatistisch project. De grote meerderheid van de Vlamingen identificeert zich zowel met Vlaanderen als met België, naast andere vormen van identiteitsbeleving. Naargelang de omstandigheden en het onderwerp zal ofwel het Vlaams identiteitsgevoel voorrang hebben ofwel het Belgische. De antithese Vlaanderen-België wordt nog altijd niet gedeeld door de meeste Vlamingen, meer dan een eeuw nadat die is ontstaan.' Deze dubbel gelaagde identiteitsbeleving is blijkbaar een doorn in het oog van sommige politici en opiniemakers. Elke gelegenheid nemen ze te baat om Vlamingen en Walen tegen elkaar op te zetten. En toch stellen we vast dat de laatste tijd meer en meer mensen zijn gaan inzien dat een escalerende confrontatie leidt tot blokkeringen en het verscherpen van een wederkerig vijandbeeld. Openheid van geest en wederzijds respect kunnen deze uitzichtloze polarisatie doorbreken. Meer overleg tussen de ideologisch verwante zusterpartijen, aan beide zijden van de taalgrens, zou hierbij meer dan welkom zijn. En, om het met de woorden van de Duitse denker Jürgen Habermas te zeggen, de samenhang van een gemeenschap is veeleer in politieke termen dan in culturele te verstaan. Inmiddels is er bij velen het besef gegroeid dat onze complexe staatsstructuur nood heeft aan vereenvoudiging en efficiëntie. Er moet voorkomen worden dat hierover, zoals in 2010 en 2011, onder hoogspanning moet onderhandeld worden met de rug tegen de muur. Luc Van Der Kelen, politiek raadgever bij B Plus heeft reeds een paar jaren geleden de idee gelanceerd waarbij door de regering tijdens deze legislatuur van relatieve communautaire rust een commissie zou gevormd worden, samengesteld uit politici en externe experten om een zakelijke balans op te maken van de vroegere staatshervormingen en om zonder taboes voorstellen te formuleren tot verbetering van de werking van de instellingen. Ook vanuit academische kringen werd eerder een dergelijk voorstel gedaan. Op de plenaire vergadering van de Klasse van de Menswetenschappen van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten op 21 november 2014 werd de publicatie goedgekeurd, in de reeks Standpunten van dit gezelschap, van de brochure getiteld 'Leidt fiscale autonomie van deelgebieden in een federale staat tot budgettaire discipline?' Het besluit van dit Standpunt luidt als volgt: 'Uit wetenschappelijk oogpunt beschouwd zou het alleszins aangewezen zijn om, vooraleer deze projecten aan een welvaartstoets te onderwerpen, op een objectieve wijze na te gaan of de staatkundige hervormingen die in België sinds 1980 doorgevoerd werden, daadwerkelijk hebben bijgedragen tot de welvaart en het welzijn van de ganse Belgische bevolking en tot een verbetering van de efficiëntie van het beleid van de overheden.' Bij wijze van afsluiter, even terug naar het "zieltjes winnen" van Bart De Wever. Blijkbaar is zijn oproep niet in dovenmansoren gevallen. Onlangs ontving ik, als lid van de oud-studentenvereniging van de KUL, een uitnodiging op een bezoek aan de tentoonstelling 'OER - De Wortels van Vlaanderen'. Op de uitnodiging las ik: 'Op papier is OER een tentoonstelling over Vlaamse kunst tussen pakweg 1880 en 1930. Maar OER is veel meer. OER is anders. OER is grensverleggend. OER gaat ook over vandaag, en over wie wij als Vlamingen zijn. Want de grens tussen heden en verleden is flinterdun.' Was getekend "Pieter De Crem, voorzitter.' Luc Van Coppenolle, voorzitter van het Comité Oost-Vlaanderen van B Plus.