In het rapport "Beijing's Red Line in Hong Kong" ("Pekings rode lijn in Hongkong") beschrijft Amnesty International hoe het recht op vrije meningsuiting, vereniging en vreedzaam vergaderen in het gebied steeds verder beperkt wordt. De mensenrechtenorganisatie zegt dat de autoriteiten van Hongkong al sinds de protesten van de zogenaamde Paraplubeweging, in 2014, zijn overgaan tot het voeren van een repressiever beleid. "De gestage erosie van rechten en vrijheden in Hongkong begon lang voor er sprake was van de uitleveringswet", zegt Joshua Rosenzweig, hoofd van Amnesty's regionale kantoor voor Oost-Azië. "De Chinese autoriteiten hebben, samen met de leiders van Hongkong, jarenlang geknibbeld aan de speciale status die Hongkong verondersteld wordt te genieten, met betrekking tot de bescherming van de mensenrechten. Voor de miljoenen die deze zomer in Hongkong de straat op gingen, is de uitleveringswet slechts het topje van de ijsberg." De mensenrechtenorganisatie verwijst ook naar de "rode lijn" die de Chinese president Xi Jinping in 2017 instelde voor Hongkong. Dat was gericht tegen "elke poging om China's soevereiniteit of veiligheid in gevaar te brengen". Maar zowel China als Hongkong zijn dit steeds ruimer gaan interpreteren, waardoor nu ook gewone uitoefeningen van rechten geïnterpreteerd kunnen worden als overschrijdingen van die 'rode lijn'. Zo verklaart een journalist in het rapport dat hij wekelijks telefoontjes kreeg van Chinese regeringsfunctionarissen, die druk op hem uitoefenden om kritiek op president Xi Jinping te minimaliseren. Medewerkers van ngo's zeggen dan weer zij herhaaldelijk werden geïntimideerd door Hongkongse en Chinese functionarissen en gedwongen zelfcensuur toepasten om hun financiering te vrijwaren. Voorts herhaalt Amnesty dat de politie tijdens de recente protestbetogingen in Hongkong herhaaldelijk gebruik heeft gemaakt van onnodig en excessief geweld. De mensenrechtenorganisatie dringt daarom aan op een onafhankelijk onderzoek naar het optreden van de politie. (Belga)