Het instituut onderzocht in opdracht van de Vlaamse overheid hoe lokale overheden kunnen handelen tegen onlinepolarisatie en digitale disconnectie. Het rapport analyseert processen en tendensen, maar toont ook dat een efficiënte aanpak zowel gericht is op de technologie als op maatschappelijke fenomenen. Volgens Ike Picone, professor journalistiek en media aan de VUB, leiden digitale media niet op zichzelf tot polarisatie, maar altijd in relatie tot maatschappelijke ontwikkelingen. Hij verwijst daarbij onder meer naar de zaak van Jürgen Conings. "De gebeurtenissen rond de geradicaliseerde militair en de online reacties daarop komen niet uit de lucht vallen. De polarisatie en radicalisering rond maatschappelijke thema's nemen toe en uiten zich vooral via onlineplatformen." Picone, co-auteur van de studie van het Hannah Arendt Instituut, verwijst ook naar Facebook. De groep "Als 1 achter Jürgen" telde op een bepaalde moment meer dan 45.000 leden. Het socialemediakanaal haalde het profiel van de gezochte militair en die steungroep uiteindelijk offline. "Facebook kan bepaalde groepen offline halen, of bepaalde berichten minder voorrang geven in het algoritme", benadrukt Picone. "Maar als dergelijke interventies voorbij willen gaan aan symptoombestrijding, dan moeten we ook de mensen in die groepen aanspreken." Volgens Christophe Busch, directeur van het Hannah Arendt Instituut, is polarisatie een "ambigu proces". "Het kan enerzijds de democratie voeden en vernieuwen, anderzijds kan het ook toxisch worden en het sociaal weefsel van een samenleving zwaar schaden of het vertrouwen in instellingen ondermijnen. De versnelling en verspreiding van zulke toxische informatiestormen blijken de laatste jaren internationaal te zijn toegenomen en kregen een boost door de coronapandemie", legt Busch. De wetenschappers vinden dat het dringend tijd is om meer zicht op en inzicht in zulke processen van de-pluralisatie te krijgen. Ze hebben ook aanbevelingen voor de beleidsmakers. "Preventiewerkers die inzetten op polarisering, moeten nog meer manieren vinden en ondersteuning krijgen door hun werking online uit te breiden. Voorts moet internet gezien worden als een plek met specifieke culturele uitingen, zoals memes. Straathoekwerkers weten heel goed hoe je radicaliserende mensen kan herkennen en aanspreken. Maar hoe doe je dat online? Hoe respecteer je privacy? Hoe bereik je mensen die niet in de straten aan het radicaliseren zijn, maar achter hun computer", aldus de VUB-professor. Het Hannah Arendt Instituut werkt aan een stabiele samenleving, waarin iedereen zich betrokken voelt, en doet dat door de wetenschappelijke kennis over diversiteit, stedelijkheid en burgerschap te verbinden met inzichten en ervaringen van beleidsmakers, organisaties en burgers. (Belga)

Het instituut onderzocht in opdracht van de Vlaamse overheid hoe lokale overheden kunnen handelen tegen onlinepolarisatie en digitale disconnectie. Het rapport analyseert processen en tendensen, maar toont ook dat een efficiënte aanpak zowel gericht is op de technologie als op maatschappelijke fenomenen. Volgens Ike Picone, professor journalistiek en media aan de VUB, leiden digitale media niet op zichzelf tot polarisatie, maar altijd in relatie tot maatschappelijke ontwikkelingen. Hij verwijst daarbij onder meer naar de zaak van Jürgen Conings. "De gebeurtenissen rond de geradicaliseerde militair en de online reacties daarop komen niet uit de lucht vallen. De polarisatie en radicalisering rond maatschappelijke thema's nemen toe en uiten zich vooral via onlineplatformen." Picone, co-auteur van de studie van het Hannah Arendt Instituut, verwijst ook naar Facebook. De groep "Als 1 achter Jürgen" telde op een bepaalde moment meer dan 45.000 leden. Het socialemediakanaal haalde het profiel van de gezochte militair en die steungroep uiteindelijk offline. "Facebook kan bepaalde groepen offline halen, of bepaalde berichten minder voorrang geven in het algoritme", benadrukt Picone. "Maar als dergelijke interventies voorbij willen gaan aan symptoombestrijding, dan moeten we ook de mensen in die groepen aanspreken." Volgens Christophe Busch, directeur van het Hannah Arendt Instituut, is polarisatie een "ambigu proces". "Het kan enerzijds de democratie voeden en vernieuwen, anderzijds kan het ook toxisch worden en het sociaal weefsel van een samenleving zwaar schaden of het vertrouwen in instellingen ondermijnen. De versnelling en verspreiding van zulke toxische informatiestormen blijken de laatste jaren internationaal te zijn toegenomen en kregen een boost door de coronapandemie", legt Busch. De wetenschappers vinden dat het dringend tijd is om meer zicht op en inzicht in zulke processen van de-pluralisatie te krijgen. Ze hebben ook aanbevelingen voor de beleidsmakers. "Preventiewerkers die inzetten op polarisering, moeten nog meer manieren vinden en ondersteuning krijgen door hun werking online uit te breiden. Voorts moet internet gezien worden als een plek met specifieke culturele uitingen, zoals memes. Straathoekwerkers weten heel goed hoe je radicaliserende mensen kan herkennen en aanspreken. Maar hoe doe je dat online? Hoe respecteer je privacy? Hoe bereik je mensen die niet in de straten aan het radicaliseren zijn, maar achter hun computer", aldus de VUB-professor. Het Hannah Arendt Instituut werkt aan een stabiele samenleving, waarin iedereen zich betrokken voelt, en doet dat door de wetenschappelijke kennis over diversiteit, stedelijkheid en burgerschap te verbinden met inzichten en ervaringen van beleidsmakers, organisaties en burgers. (Belga)