Wie de link tussen de coronacrisis en het vernietigen van onze leefomgeving nog niet legde, behoort tot de minderheid. In ons onderzoek bij jongvolwassenen over de samenleving na corona, vraagt maar liefst 70% meer inzet voor de bescherming van de natuur. Laat ons wensen dat dit geen ijdele hoop is, want onze destructieve omgang met flora en fauna - zowel wild als gedomesticeerd - heeft er inderdaad toe geleid dat we in de ergste pandemie van de voorbije eeuw zijn terecht gekomen. Dat besef, en de nood daaraan iets te doen, lijkt doorgedrongen. De hamvraag is of er daadwerkelijk iets zal veranderen: de handel van wilde dieren tiert weeldiger dan ooit, zowel via wet als black markets, en de veeteelt industrialiseert verder aan een ongebreideld tempo. Lessen uit het verleden hebben we alleszins niet getrokken: SARS-CoV-2 is reeds het 3e coronavirus dat een grote uitbraak veroorzaakt in amper 16 jaar tijd, en wilde dieren herbergen naar schatting nog 1.67 miljoen ongekende virussen, waaronder enkele duizenden coronavirussen.

'One Health' en nuancering: de wapens tegen een volgende pandemie.

Een tweede link die ruim 60% van de ondervraagden legt, is tussen de hoge tol van dit virus en de gebrekkige investeringen in ziektepreventie. Het werd immers snel duidelijk dat onderliggende ziekten zoals obesitas het risico op hospitalisatie en overlijden aan COVID-19 sterk vergroten. Geen verrassing natuurlijk. Experts klagen dit al jaren aan en het is ook de reden waarom ikzelf vorig jaar besliste mijn stethoscoop aan de haak te hangen. Aan recente aanbevelingen nochtans geen gebrek; het is aan politici om dit om te zetten in daadkrachtig beleid. Beleid dat overigens breder moet kijken dan louter de mens: de gezondheid van zowel mens, milieu als dier moet als één geheel worden beschouwd, de zogenaamde One Health benadering - een kolfje naar de hand van Sciensano.

Op basis van deze twee heldere inzichten, zou je met de nodige voorzichtigheid kunnen stellen dat deze groep van 25-35 jarigen de parallelle desinformatie-pandemie relatief goed heeft doorstaan. Rest de vraag hoe de rest van de bevolking de tsunami aan samenzweringstheorieën en sensationele krantenkoppen heeft ervaren. Het adagium leek dat schijnbare zekerheid wordt verkozen boven eerlijke onzekerheid: media berichten over wetenschappelijke studies nog voor ze peer-reviewed zijn, schijnen het concept 'voortschrijdend inzicht' niet te kennen en doen niet de moeite het verschil te communiceren tussen een viroloog (die het virus onderzoekt onder een microscoop), een infectioloog (die de patiënt met covid-19 behandelt) en een epidemioloog (die analyseert hoe het virus zich gedraagt in de bevolking).

Inderdaad, uit gemakzucht krijgt iedereen de titel 'viroloog', waardoor het lijkt dat de ene 'viroloog' de andere 'viroloog' een uur later tegenspreekt, terwijl die laatste een epidemioloog is en haar leefwereld - en dus perspectief - erg verschillend is.

Deze verwarrende communicatie wordt in de hand gewerkt door gebrekkige toegankelijkheid van wetenschappelijke informatie. Het stemt echter hoopvol dat maar liefst 77% van onze ondervraagden vindt dat het verplicht moet worden om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek openlijk en gratis te delen. Deze discussie wordt al jaren gevoerd door de zogenaamde Open Access-beweging, die terecht stelt dat het absurd is dat onderzoek achter betaalmuren schuilt terwijl het met belastinggeld gefinancierd is. Sinds 2012 heeft de Europese Commissie stappen gezet in de goede richting, maar de macht van een handvol grote uitgevers blijft disproportioneel groot, waardoor alles bijzonder traag evolueert.

Meer focus op preventie met een One Health-lens enerzijds en een genuanceerdere en volledigere (door Open Access) communicatie van zowel wetenschappers als media anderzijds, zullen ons hopelijk minder vatbaar maken voor een volgende gecombineerde virus-misinformatie-pandemie.

Sam Proesmans is arts en consultant, studeerde volksgezondheid aan Columbia University in New York en is lid van de Vrijdaggroep, beleidsplatform voor jongeren van diverse pluimage ondersteund door de Koning Boudewijnstichting.

Wie de link tussen de coronacrisis en het vernietigen van onze leefomgeving nog niet legde, behoort tot de minderheid. In ons onderzoek bij jongvolwassenen over de samenleving na corona, vraagt maar liefst 70% meer inzet voor de bescherming van de natuur. Laat ons wensen dat dit geen ijdele hoop is, want onze destructieve omgang met flora en fauna - zowel wild als gedomesticeerd - heeft er inderdaad toe geleid dat we in de ergste pandemie van de voorbije eeuw zijn terecht gekomen. Dat besef, en de nood daaraan iets te doen, lijkt doorgedrongen. De hamvraag is of er daadwerkelijk iets zal veranderen: de handel van wilde dieren tiert weeldiger dan ooit, zowel via wet als black markets, en de veeteelt industrialiseert verder aan een ongebreideld tempo. Lessen uit het verleden hebben we alleszins niet getrokken: SARS-CoV-2 is reeds het 3e coronavirus dat een grote uitbraak veroorzaakt in amper 16 jaar tijd, en wilde dieren herbergen naar schatting nog 1.67 miljoen ongekende virussen, waaronder enkele duizenden coronavirussen.Een tweede link die ruim 60% van de ondervraagden legt, is tussen de hoge tol van dit virus en de gebrekkige investeringen in ziektepreventie. Het werd immers snel duidelijk dat onderliggende ziekten zoals obesitas het risico op hospitalisatie en overlijden aan COVID-19 sterk vergroten. Geen verrassing natuurlijk. Experts klagen dit al jaren aan en het is ook de reden waarom ikzelf vorig jaar besliste mijn stethoscoop aan de haak te hangen. Aan recente aanbevelingen nochtans geen gebrek; het is aan politici om dit om te zetten in daadkrachtig beleid. Beleid dat overigens breder moet kijken dan louter de mens: de gezondheid van zowel mens, milieu als dier moet als één geheel worden beschouwd, de zogenaamde One Health benadering - een kolfje naar de hand van Sciensano.Op basis van deze twee heldere inzichten, zou je met de nodige voorzichtigheid kunnen stellen dat deze groep van 25-35 jarigen de parallelle desinformatie-pandemie relatief goed heeft doorstaan. Rest de vraag hoe de rest van de bevolking de tsunami aan samenzweringstheorieën en sensationele krantenkoppen heeft ervaren. Het adagium leek dat schijnbare zekerheid wordt verkozen boven eerlijke onzekerheid: media berichten over wetenschappelijke studies nog voor ze peer-reviewed zijn, schijnen het concept 'voortschrijdend inzicht' niet te kennen en doen niet de moeite het verschil te communiceren tussen een viroloog (die het virus onderzoekt onder een microscoop), een infectioloog (die de patiënt met covid-19 behandelt) en een epidemioloog (die analyseert hoe het virus zich gedraagt in de bevolking). Inderdaad, uit gemakzucht krijgt iedereen de titel 'viroloog', waardoor het lijkt dat de ene 'viroloog' de andere 'viroloog' een uur later tegenspreekt, terwijl die laatste een epidemioloog is en haar leefwereld - en dus perspectief - erg verschillend is. Deze verwarrende communicatie wordt in de hand gewerkt door gebrekkige toegankelijkheid van wetenschappelijke informatie. Het stemt echter hoopvol dat maar liefst 77% van onze ondervraagden vindt dat het verplicht moet worden om de resultaten van wetenschappelijk onderzoek openlijk en gratis te delen. Deze discussie wordt al jaren gevoerd door de zogenaamde Open Access-beweging, die terecht stelt dat het absurd is dat onderzoek achter betaalmuren schuilt terwijl het met belastinggeld gefinancierd is. Sinds 2012 heeft de Europese Commissie stappen gezet in de goede richting, maar de macht van een handvol grote uitgevers blijft disproportioneel groot, waardoor alles bijzonder traag evolueert. Meer focus op preventie met een One Health-lens enerzijds en een genuanceerdere en volledigere (door Open Access) communicatie van zowel wetenschappers als media anderzijds, zullen ons hopelijk minder vatbaar maken voor een volgende gecombineerde virus-misinformatie-pandemie.Sam Proesmans is arts en consultant, studeerde volksgezondheid aan Columbia University in New York en is lid van de Vrijdaggroep, beleidsplatform voor jongeren van diverse pluimage ondersteund door de Koning Boudewijnstichting.