De scholen zijn nog niet open, maar sinds maandag wordt wel al aan 'preteaching' gedaan. De info aanreiken en dan later herhalen op school zelf, heeft kans op slagen, maar dan moet wel aan vier voorwaarden worden voldaan, vindt onderwijsexpert Ruben Vanderlinde van de UGent.

Ten eerste moeten volgens Vanderlinde scholen en leraren goed nadenken over structuur en communicatie. 'Mail niet om de tien minuten met een nieuwe opdracht, zorg dat er goed nagedacht wordt over hoe de dingen worden aangebracht.' Ook moeten er keuzes gemaakt worden. 'Je kan niet alle leerstof aan bod laten komen, niet alle info geven. Maak keuzes, stel prioriteiten wat je wel en niet wil meegeven.' Verder is feedback van groot belang. 'Het heeft weinig zin om opdrachten te geven zonder dat er feedback komt. Dat is zeer belangrijk, de feedback zal het verschil maken.' Ten vierde wijst Vanderlinde dat er speciale aandacht moet besteed worden aan de leerlingen die nu niet bereikt worden, die onder de radar blijven. 'Probeer er toch alles aan te doen om hen wel te ondersteunen en te bereiken. Wees daar extra waakzaam voor.'

Toch rest nog een grote vraag. Hoe lang kan dit systeem van preteaching volgehouden worden? 'Dat weet niemand', is het antwoord, 'dit systeem van preteaching passen we toe omdat we ervan uitgaan dat de scholen opnieuw opengaan dit schooljaar en de leerstof daar opnieuw wordt aangereikt. Dat is anders dan aan de universiteit of hogeschool waar men al naar een volledig systeem van afstandsonderwijs is overgestapt, en waar alles online verloopt. Dat is hier niet het geval. Preteaching is een tussenoplossing. Als de scholen niet meer zouden opengaan, dan moet je ook naar dat afstandsonderwijs overstappen, en dan dienen er opnieuw keuzes gemaakt te worden.'

'Leerlingen moeten niet meer dan 4 uur per dag bezig zijn'

Uiteraard brengt dit druk mee voor de gezinnen beaamt Vanderlinde. 'De richtlijn is 4 uur per dag werken voor de kinderen, 2 uur voor de ouders per week is daarin wel een goede leidraad. Leerlingen moeten niet meer dan 4 uur per dag bezig zijn. Je moet hen niet volproppen met mentale activiteiten. Dit is al een belastende periode, meer hoeft niet. Ontspannen, fysieke activiteiten en spelen zijn ook van belang om het hoofd te laten rusten', klinkt het.

Tot slot geeft Vanderlinde toe dat 2 uur per week voor de ouders eerder een richtlijn is. 'Uiteraard zullen sommige ouders meer uren werken en hebben sommige kinderen nood aan meer. Maar waak er in de eerste plaats over dat je als ouder geen leerkracht wordt. Je kan en hoeft die rol niet over te nemen. Een ouder moet er voor zorgen dat er een rustige werkplek is en een routine doorheen de dag. Sta elke dag op hetzelfde uur op, ontbijt samen, ga samen aan de slag. Je bent geen leraar, je bent de ondersteunende factor. Zorg dat ze aan het werk gaan, stel hen vragen zoals wat doe je, begrijp je waar het over gaat en vraag of je met iets kan helpen. Jij moet niet nagaan of je kind de leerstof onder de knie heeft, dat is nog altijd de taak van de leerkracht'.

Bevraging: ouders spenderen vier tot vijf uur per week aan thuisonderwijs

Vanuit de UGent werd een bevraging georganiseerd bij ouders van kinderen met en zonder een ontwikkelingsstoornis. De reactie was massaal: de vragenlijst werd druk gedeeld, en uiteindelijk door 2.328 personen volledig ingevuld (waarvan ongeveer 35 procent ouders van kinderen met een ontwikkelingsstoornis).

Kinderen spendeerden uiteraard meer tijd aan het thuisleren dan vóór de maatregelen. Voor kinderen in het secundair onderwijs was dit gemiddeld vier uur per dag. De vanuit de overheid beoogde vier uur studietijd werd voor deze kinderen dus ook in de eerste periode van thuisleren al bereikt. 'Het zal belangrijk zijn voor scholen om hier rekening mee te houden, en het aantal taken niet nog meer op te drijven', klinkt het bij de onderzoekers.

Lagereschoolleerlingen besteedden ongeveer twee uur per dag aan thuiswerk, voor kinderen met een ontwikkelingsstoornis was dat ongeveer 20 minuten langer. 'Het zal belangrijk zijn dat scholen deze verschillen niet verder laten toenemen, bijvoorbeeld door aangepaste taken of meer ondersteuning te geven.'

Ouders gaven aan dat ze gemiddeld vier (voor secundair onderwijs) à vijf (voor lager onderwijs) uur per week bezig waren met het schoolwerk van hun kind. Voor ouders van kinderen met een ontwikkelingsstoornis was dit respectievelijk ongeveer 5,5 en meer dan zeven uur. 'Een groot gedeelte van die tijd waren ze effectief actief met hun kind bezig, bijvoorbeeld door uitleg te geven of samen oefeningen te maken.'

Het lijkt er dus op dat de beoogde twee uur per week actieve betrokkenheid van ouders reeds ruimschoots bereikt is, en dat ouders van kinderen met een ontwikkelingsstoornis hier beduidend zwaarder belast worden. De specifieke bijkomende ondersteuning (bijles, logopedie, psychotherapie,...) die sommige kinderen kregen vóór de coronamaatregelen werd vrijwel volledig stopgezet. 'Ook dit draagt bij tot de belasting van de gezinnen: waar de bijkomende ondersteuning vroeger eventuele problemen, onder andere op het gebied van leren, kon helpen aanpakken, valt deze hulp nu weg. De recente goedkeuring van tele-hulpverlening zal voor deze gezinnen wellicht welkom zijn', besluiten de onderzoekers.

De scholen zijn nog niet open, maar sinds maandag wordt wel al aan 'preteaching' gedaan. De info aanreiken en dan later herhalen op school zelf, heeft kans op slagen, maar dan moet wel aan vier voorwaarden worden voldaan, vindt onderwijsexpert Ruben Vanderlinde van de UGent.Ten eerste moeten volgens Vanderlinde scholen en leraren goed nadenken over structuur en communicatie. 'Mail niet om de tien minuten met een nieuwe opdracht, zorg dat er goed nagedacht wordt over hoe de dingen worden aangebracht.' Ook moeten er keuzes gemaakt worden. 'Je kan niet alle leerstof aan bod laten komen, niet alle info geven. Maak keuzes, stel prioriteiten wat je wel en niet wil meegeven.' Verder is feedback van groot belang. 'Het heeft weinig zin om opdrachten te geven zonder dat er feedback komt. Dat is zeer belangrijk, de feedback zal het verschil maken.' Ten vierde wijst Vanderlinde dat er speciale aandacht moet besteed worden aan de leerlingen die nu niet bereikt worden, die onder de radar blijven. 'Probeer er toch alles aan te doen om hen wel te ondersteunen en te bereiken. Wees daar extra waakzaam voor.' Toch rest nog een grote vraag. Hoe lang kan dit systeem van preteaching volgehouden worden? 'Dat weet niemand', is het antwoord, 'dit systeem van preteaching passen we toe omdat we ervan uitgaan dat de scholen opnieuw opengaan dit schooljaar en de leerstof daar opnieuw wordt aangereikt. Dat is anders dan aan de universiteit of hogeschool waar men al naar een volledig systeem van afstandsonderwijs is overgestapt, en waar alles online verloopt. Dat is hier niet het geval. Preteaching is een tussenoplossing. Als de scholen niet meer zouden opengaan, dan moet je ook naar dat afstandsonderwijs overstappen, en dan dienen er opnieuw keuzes gemaakt te worden.'Uiteraard brengt dit druk mee voor de gezinnen beaamt Vanderlinde. 'De richtlijn is 4 uur per dag werken voor de kinderen, 2 uur voor de ouders per week is daarin wel een goede leidraad. Leerlingen moeten niet meer dan 4 uur per dag bezig zijn. Je moet hen niet volproppen met mentale activiteiten. Dit is al een belastende periode, meer hoeft niet. Ontspannen, fysieke activiteiten en spelen zijn ook van belang om het hoofd te laten rusten', klinkt het. Tot slot geeft Vanderlinde toe dat 2 uur per week voor de ouders eerder een richtlijn is. 'Uiteraard zullen sommige ouders meer uren werken en hebben sommige kinderen nood aan meer. Maar waak er in de eerste plaats over dat je als ouder geen leerkracht wordt. Je kan en hoeft die rol niet over te nemen. Een ouder moet er voor zorgen dat er een rustige werkplek is en een routine doorheen de dag. Sta elke dag op hetzelfde uur op, ontbijt samen, ga samen aan de slag. Je bent geen leraar, je bent de ondersteunende factor. Zorg dat ze aan het werk gaan, stel hen vragen zoals wat doe je, begrijp je waar het over gaat en vraag of je met iets kan helpen. Jij moet niet nagaan of je kind de leerstof onder de knie heeft, dat is nog altijd de taak van de leerkracht'. Vanuit de UGent werd een bevraging georganiseerd bij ouders van kinderen met en zonder een ontwikkelingsstoornis. De reactie was massaal: de vragenlijst werd druk gedeeld, en uiteindelijk door 2.328 personen volledig ingevuld (waarvan ongeveer 35 procent ouders van kinderen met een ontwikkelingsstoornis). Kinderen spendeerden uiteraard meer tijd aan het thuisleren dan vóór de maatregelen. Voor kinderen in het secundair onderwijs was dit gemiddeld vier uur per dag. De vanuit de overheid beoogde vier uur studietijd werd voor deze kinderen dus ook in de eerste periode van thuisleren al bereikt. 'Het zal belangrijk zijn voor scholen om hier rekening mee te houden, en het aantal taken niet nog meer op te drijven', klinkt het bij de onderzoekers. Lagereschoolleerlingen besteedden ongeveer twee uur per dag aan thuiswerk, voor kinderen met een ontwikkelingsstoornis was dat ongeveer 20 minuten langer. 'Het zal belangrijk zijn dat scholen deze verschillen niet verder laten toenemen, bijvoorbeeld door aangepaste taken of meer ondersteuning te geven.'Ouders gaven aan dat ze gemiddeld vier (voor secundair onderwijs) à vijf (voor lager onderwijs) uur per week bezig waren met het schoolwerk van hun kind. Voor ouders van kinderen met een ontwikkelingsstoornis was dit respectievelijk ongeveer 5,5 en meer dan zeven uur. 'Een groot gedeelte van die tijd waren ze effectief actief met hun kind bezig, bijvoorbeeld door uitleg te geven of samen oefeningen te maken.' Het lijkt er dus op dat de beoogde twee uur per week actieve betrokkenheid van ouders reeds ruimschoots bereikt is, en dat ouders van kinderen met een ontwikkelingsstoornis hier beduidend zwaarder belast worden. De specifieke bijkomende ondersteuning (bijles, logopedie, psychotherapie,...) die sommige kinderen kregen vóór de coronamaatregelen werd vrijwel volledig stopgezet. 'Ook dit draagt bij tot de belasting van de gezinnen: waar de bijkomende ondersteuning vroeger eventuele problemen, onder andere op het gebied van leren, kon helpen aanpakken, valt deze hulp nu weg. De recente goedkeuring van tele-hulpverlening zal voor deze gezinnen wellicht welkom zijn', besluiten de onderzoekers.