In de Israëlische film The Other Son (2012) worden twee baby's in een kraamkliniek met elkaar verwisseld. Het Palestijnse kind groeit op in een orthodox en zionistisch Joods gezin, terwijl het Joodse jongetje probleemloos de waarden en normen van zijn Arabisch gezin vertegenwoordigt. Tot men de waarheid ontdekt, wanneer de 'Jood' zich aanmeldt voor zijn legerdienst en beide jongens met die onthutsende realiteit geconfronteerd worden: 'Ik ben mijn ergste en natuurlijke vijand.' De ouders raken moeizaam in gesprek en besluiten ten slotte, samen met hun zonen, om alles te laten zoals het is.

Het thema is bekend en men kan zich vragen stellen over de uitkomst, maar één ding wordt uit die film duidelijk: er is geen verband tussen aangeleerde en verwerkte overtuigingen en het zogenaamde 'Joodse' of 'Arabische' bloed. Maar beide families leren wel uit deze traumatische ervaring dat veel van die overtuigingen, vooroordelen en clichés dringend moeten herzien worden, indien we ooit tot een voor beide kanten pijnlijke vrede willen komen.

Dit verhaal herinnerde me aan een passage uit de Summa contra gentiles, het 'Boek van de waarheid van het katholieke geloof tegen de dwalingen van de ongelovigen' van de dertiende-eeuwse theoloog en filosoof Thomas van Aquino, waarin hij, de grote verdediger van de Kerk, verklaart dat, indien een heidense vorst er diep van overtuigd is dat acties van de christelijke missionarissen schadelijk zouden zijn voor zijn onderdanen en hij die zendelingen niet vervolgde, in feite zou zondigen. Ik ken weinig voorbeelden van begrip voor "de vijand" die zo ver gaan, uiteraard binnen de context van een middeleeuwse wereld waarin de vervolging van een tegenstander, Moor of christen, als een deugd werd beschouwd. Stel u voor dat Ursula von der Leyen met zoveel begrip en inleving zou spreken over verdedigers van de Brexit, of president Bolsonaro over de opstandige boeren in het Amazonegebied.

Onlangs botste ik op de volgende passage in Een tijd voor empathie (2009) van de Nederlands-Amerikaanse primatoloog Frans de Waal:

'In 2004 kregen we een kleine indruk van hoe alles anders zou kunnen worden, toen Yosef Lapid, de Israëlische minister van Justitie, werd aangegrepen door journaalbeelden van een Palestijnse vrouw: 'Toen ik op de tv beelden zag van een Palestijnse vrouw die op handen en voeten door de ruïne van haar huis kroop om onder de vloertegels naar haar medicijnen te zoeken, dacht ik: 'Wat zou ik zeggen als dit mijn grootmoeder was?' Hoewel de Israëlische hard-liners door Lapids woorden in woede ontstaken liet dit incident zien wat er gebeurt wanneer empathie zich uitbreidt. Gedurende een kortstondig moment van menselijkheid had de minister Palestijnen in de kring van zijn bekommernissen betrokken.'

Onlangs zag ik op de televisiezender France 2 een betoging van Canadese mannen die onhandig een mijl lang op vrouwenschoenen met hakken door de straten van Toronto strompelden en blijkbaar niet bang waren om zich lichtjes belachelijk te maken.

Ze wilden 'in de schoenen van de vrouwen gaan staan', verklaarden ze, om hun solidariteit uit te drukken. Toegegeven, voor nuchtere Europeanen doen dergelijke Quakerachtige methodes enigszins vreemd aan, maar in Noord-Amerika kan dit wél aanslaan, of staat men in ieder geval meer open voor de symbolische boodschap die hier op deze manier gebracht werd. Deze "White Ribbon"-campagnes zijn bedoeld om de aandacht te vestigen op het nog steeds woekerende geweld tegen vrouwen: 'Wat als ik als vrouw geboren was? Hoe zou ik reageren op de voortdurende bedreiging die, zoals we weten, helemaal niet symbolisch is, integendeel.'

Deze vormen van empathie, het zich in de positie van de ander inleven, zijn zowat het tegengestelde van liefdadigheidscampagnes die ondanks alle goede bedoelingen nog altijd de afstand tussen de slachtoffers en de weldoener in stand houden en zelfs vergroten. Denk aan "La dame patronnesse" van Jacques Brel. Door mijn werk met enkele zwaar gehandicapte jongeren heb ik leren beseffen, hoe moeilijk dit "zich inleven" wel is, maar tegelijkertijd hoe noodzakelijk om een gezamenlijke, niet paternalistische (neerbuigende) strategie te ontwikkelen die door alle betrokkenen en hun medemensen gedragen en opgebouwd wordt.

Ludo Abicht is kernlid van Vlinks.

In de Israëlische film The Other Son (2012) worden twee baby's in een kraamkliniek met elkaar verwisseld. Het Palestijnse kind groeit op in een orthodox en zionistisch Joods gezin, terwijl het Joodse jongetje probleemloos de waarden en normen van zijn Arabisch gezin vertegenwoordigt. Tot men de waarheid ontdekt, wanneer de 'Jood' zich aanmeldt voor zijn legerdienst en beide jongens met die onthutsende realiteit geconfronteerd worden: 'Ik ben mijn ergste en natuurlijke vijand.' De ouders raken moeizaam in gesprek en besluiten ten slotte, samen met hun zonen, om alles te laten zoals het is. Het thema is bekend en men kan zich vragen stellen over de uitkomst, maar één ding wordt uit die film duidelijk: er is geen verband tussen aangeleerde en verwerkte overtuigingen en het zogenaamde 'Joodse' of 'Arabische' bloed. Maar beide families leren wel uit deze traumatische ervaring dat veel van die overtuigingen, vooroordelen en clichés dringend moeten herzien worden, indien we ooit tot een voor beide kanten pijnlijke vrede willen komen. Dit verhaal herinnerde me aan een passage uit de Summa contra gentiles, het 'Boek van de waarheid van het katholieke geloof tegen de dwalingen van de ongelovigen' van de dertiende-eeuwse theoloog en filosoof Thomas van Aquino, waarin hij, de grote verdediger van de Kerk, verklaart dat, indien een heidense vorst er diep van overtuigd is dat acties van de christelijke missionarissen schadelijk zouden zijn voor zijn onderdanen en hij die zendelingen niet vervolgde, in feite zou zondigen. Ik ken weinig voorbeelden van begrip voor "de vijand" die zo ver gaan, uiteraard binnen de context van een middeleeuwse wereld waarin de vervolging van een tegenstander, Moor of christen, als een deugd werd beschouwd. Stel u voor dat Ursula von der Leyen met zoveel begrip en inleving zou spreken over verdedigers van de Brexit, of president Bolsonaro over de opstandige boeren in het Amazonegebied.Onlangs botste ik op de volgende passage in Een tijd voor empathie (2009) van de Nederlands-Amerikaanse primatoloog Frans de Waal:Onlangs zag ik op de televisiezender France 2 een betoging van Canadese mannen die onhandig een mijl lang op vrouwenschoenen met hakken door de straten van Toronto strompelden en blijkbaar niet bang waren om zich lichtjes belachelijk te maken.Ze wilden 'in de schoenen van de vrouwen gaan staan', verklaarden ze, om hun solidariteit uit te drukken. Toegegeven, voor nuchtere Europeanen doen dergelijke Quakerachtige methodes enigszins vreemd aan, maar in Noord-Amerika kan dit wél aanslaan, of staat men in ieder geval meer open voor de symbolische boodschap die hier op deze manier gebracht werd. Deze "White Ribbon"-campagnes zijn bedoeld om de aandacht te vestigen op het nog steeds woekerende geweld tegen vrouwen: 'Wat als ik als vrouw geboren was? Hoe zou ik reageren op de voortdurende bedreiging die, zoals we weten, helemaal niet symbolisch is, integendeel.'Deze vormen van empathie, het zich in de positie van de ander inleven, zijn zowat het tegengestelde van liefdadigheidscampagnes die ondanks alle goede bedoelingen nog altijd de afstand tussen de slachtoffers en de weldoener in stand houden en zelfs vergroten. Denk aan "La dame patronnesse" van Jacques Brel. Door mijn werk met enkele zwaar gehandicapte jongeren heb ik leren beseffen, hoe moeilijk dit "zich inleven" wel is, maar tegelijkertijd hoe noodzakelijk om een gezamenlijke, niet paternalistische (neerbuigende) strategie te ontwikkelen die door alle betrokkenen en hun medemensen gedragen en opgebouwd wordt. Ludo Abicht is kernlid van Vlinks.