Iedereen is het erover eens: om onze klimaatdoelstellingen te halen gaan we massaal moeten investeren in energie-efficiëntie, hernieuwbare energie, mobiliteit, onderzoek en ontwikkeling. Tot zover de consensus.

Heel wat recente voorstellen focussen op het monetair beleid om deze investeringen te financieren. Zo willen sommigen dat de Europese Centrale Bank (ECB) haar obligatieportefeuille vergroent. Zeker geen kwaad idee, maar als quantitative easing (QE) zo succesvol was gebleken om de economische activiteit aan te trekken, dan zou dat ondertussen wel geweten zijn. QE is een eerder zwak beleidsinstrument, dat de ECB heeft ingezet bij gebrek aan hervormingen en investeringen van de overheden van de eurolanden. Anderen gaan een stap verder en pleiten ervoor dat de ECB de huishoudens direct geld of zelfs ecocheques toestopt, zogenaamd groen helikoptergeld. De enorme risico's van dergelijke monetaire avonturen zijn echter nauwelijks te overzien. Economen zoals Peter Vanden Houte, Ivan Van de Cloot en Geert Noels hebben hier al uitvoerig kanttekeningen bij geplaatst.

Om onze klimaatdoelstellingen te halen moeten we focussen op investeren, niet op financieren.

Los van de impact van deze monetaire voorstellen, moeten er vraagtekens geplaatst worden bij hun uitgangspunt. Al deze ballonnetjes delen eenzelfde analyse: los het financieringsvraagstuk op, en het groene investeringsprobleem is opgelost. Het volstaat om geld te vinden. Daarom moet het 'slapend' spaargeld met man en macht 'gemobiliseerd' worden, luidt het.

De werkelijkheid is vandaag net omgekeerd. Financieringsbronnen zijn er in overvloed. Aan de huidige bodemrentes overrompelen financierders elkaar om financiële producten met een minimaal, zelfs negatief rendement op te kopen. Het échte probleem is dat er nauwelijks interessante investeringsprojecten zijn die klaar zijn om gefinancierd te worden. De ECB zou zelfs geen fractie van haar obligatieportefeuille kunnen herbeleggen in groene projecten, want die zijn er nauwelijks. 'Slapend' spaargeld wordt slechts voor één ding wakker: producten waarvan het hogere rendement het risico overtreft. Die ontbreken.

De hardnekkige focus op het monetair beleid leidt dus niet enkel tot bedenkelijke voorstellen, maar leidt vooral de aandacht af van de echte bottlenecks die groene investeringsprojecten tegenhouden. Ik zie er minstens drie. De belangrijkste is de investeringsonzekerheid. Wie vandaag wil investeren in ecologisch verantwoorde projecten, van een huishouden tot een grote multinational, staat voor enorme vraagtekens: over de implementatie van zijn of haar project, maar vooral over de rendabiliteit van investering over de gehele levensduur. Op beide vlakken moet ons land nog enorme stappen zetten om het investeringsklimaat voor groene transitieprojecten te verbeteren. Dáár moeten we ons op concentreren.

Op het vlak van de implementatie kan men, zoals het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) voorstelt, overwegen om een 'fast track' op te richten voor de vergunningsprocedures van strategisch belangrijke investeringsprojecten. Dat mag niet betekenen dat er afbreuk wordt gedaan aan onze normen, maar wél dat investeerders veel sneller zullen weten waar ze aan toe zijn, ook als het antwoord nee is. Om stokken in de wielen te vermijden, betrekt men best alle stakeholders van bij het begin en laat men hen oprecht participeren. En bovenal moet de politiek zelf veel sneller tot beslissingen komen.

Wat de rendabiliteit van groene projecten betreft, is het cruciaal dat de overheid een duidelijk transitiekader vastlegt, dat bakens uitzet op de lange termijn. Een energiepact, een klimaatpact en een industrieel transitieplan zouden ons al een heel eind op weg helpen. Een dieselban neemt onzekerheid weg over de rendabiliteit van investeringen in laadpalen voor elektrische wagens. Een duidelijk op voorhand vastgelegde kernuitstap maakt investeringen in hernieuwbare energie plots veel interessanter. Een gradueel oplopende koolstofprijs en de betonstop zijn nog zo'n voorbeelden. Leg deze kaders vast, en het geld voor investeringen zal volgen.

Een tweede barrière voor groene financieringsprojecten is simpelweg het feit dat ze niet, nog niet of niet voldoende rendabel zijn, ondanks hun noodzaak om klimaat- of andere maatschappelijke doelen te halen. Ik denk bijvoorbeeld aan bepaalde energierenovaties of sommige soorten hernieuwbare energie. Ook hier moet de overheid meer doen, op voorwaarde dat de steunmechanismen technologieneutraal zijn en dat oversubsidiëring, zoals we die in het verleden gekend hebben, vermeden wordt door een permanente monitoring. Gerichte publieke funding kan trouwens een veelvoud aan private financing genereren. Bij het Junckerplan leidt elke euro aan overheidssteun via de Europese Investeringsbank tot 15 euro aan investeringen.

Daarnaast moeten de Belgische overheden dringend zelf meer investeren. België kampt immers met een enorme achterstand. Sinds de jaren 1990 investeert de publieke sector net voldoende om het bestaande kapitaal op peil te houden. Netto komt er geen publiek kapitaal meer bij. Nochtans is publieke infrastructuur, zoals energie-, mobiliteits- en digitale netwerken, cruciaal omdat het hele economisch weefsel erop stoelt. Bovendien is de overheid een broodnodige actor in de ondersteuning van de radicale innovatie die nodig is om onze economie te transformeren. Geen enkele andere economische speler heeft het geduld voor onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten waar de kans op succes zeer klein is. Muyters' 20 miljoen per jaar voor koolstofafvang is een stap in de goede richting, maar veel meer is nodig.

De Europese Centrale Bank zou vandaag zelfs geen fractie van haar obligatieportefeuille kunnen herbeleggen in groene projecten, want die zijn er nauwelijks.

Een derde barrière betreft de kleine schaal en de beperkte expertise van de kleinste economische actoren om maatschappelijk gewenste investeringen te doen. Het gaat in de eerste plaats om de huishoudens, maar ook om zelfstandigen en kmo's. Velen onder hen zouden tal van rendabele groene investeringsprojecten kunnen opstarten in hun woning of onderneming, en een groot deel van hen zouden er vast financiering voor kunnen vinden, maar zijn er niet mee bezig of missen de tijd en de kennis om elk hun eigen kosten-batenanalyse te maken. Hier is er overduidelijk nood aan sensibilisering, ontzorging en schaalvergroting om groene projecten mogelijk te maken. Het voorstel dat Koen Schoors hierover deed, is een mooi voorbeeld. Hij stelt voor om de investeringen in de energie-efficiëntie van woningen op het niveau van een wijk te bundelen. Als dergelijke projecten van de grond komen, zal je de financierders zien toestromen.

Om al deze barrières weg te werken, moeten er uiteraard harde politieke keuzes gemaakt worden. Maar het voordeel is dat de oplossingen hiervoor bij ons, politici, liggen, en niet bij centrale bankiers in Frankfurt. Laten we dan ook geen tijd verliezen en de echte problemen aanpakken.