Sinds 2008 werden 318 offshore windturbines geïnstalleerd in het Belgische deel van de Noordzee. Nu dat de windparken er een decennium zijn konden wetenschappers onderzoeken welke milieu-effecten dat met zich meebracht. Zo vonden de onderzoekers in de nabijheid van de windturbines hogere dichtheden en een grotere diversiteit aan macrobentische organismen, dat zijn ongewervelde dieren die in en op de zeebodem leven, zoals wormen, schelp- en schaaldieren en zeesterren. Daarentegen werd het windparkgebied grotendeels vermeden door de vogels jan-van-gent (-98 procent), zeekoet (-60 tot -63 procent) en de alk (-75 tot -80 procent). Andere vogels zoals de aalscholver, de zilvermeeuw en de grote mantelmeeuw kwamen dan weer wel graag op de windparken af. De onderzoekers benadrukken dat deze effecten weer verdwenen op een halve kilometer van de randen van het windpark. De windparken worden ook bezocht door migrerende ruige dwergvleermuizen. Door te onderzoeken welke meteorologische omstandigheden de vleermuisactiviteit bevordert, kan het risico op aanvaringen vermeden worden door bijvoorbeeld de activiteit van de turbines bij slechte weersomstandigheden te beperken tijdens het migratiseizoen. Voor de bruinvissen, de meest voorkomende walvisachtige in de zuidelijke Noordzee, waren de windparken een minder welkome nieuwigheid. De onderzoekers zagen een hoger aantal strandingen van bruinvissen op Belgische stranden gedurende maanden met een hoge intensiteit van impulsief geluid. Dat suggereert een toename van hun sterfte tijdens de bouwperiode. De laatste jaren werd daarom veel aandacht besteed aan geluiddempende technieken, benadrukken de onderzoekers. De Belgische offshore windparken bedraagt in totaal zo'n 140 km², waarbinnen niet mag worden gevist. Toch zou het effect op de visserijactiviteit beperkt zijn gebleven, omdat de lokale vissers zich aangepast hebben en hun visserij-inspanning elders hebben opgevoerd. (Belga)