Het is gezellig druk op de prachtige Piazza Maggiore van Bologna, waar een metersgroot scherm staat opgesteld tussen de wereldberoemde renaissancegebouwen. Drieduizend filmliefhebbers zitten er vol spanning op hun stoeltje te wachten op de projectie van Enamorada, een Mexicaanse zwartwitfilm uit 1946. En toegegeven: ook wel een beetje op de man die dat gerestaureerde meesterwerk zal inleiden, wanneer de zon volledig achter de palazzi is weggezakt. Dat is namelijk niemand minder dan maestro Martin Scorsese, de maker van klassiekers als Taxi Driver, Raging Bull en Goodfellas. Maar ook: zowat de bekendste filmfreak ter wereld, die zich met zijn in 1990 opgerichte Film Foundation inzet voor het conserveren en restaureren van het cinematografische werelderfgoed.
...

Het is gezellig druk op de prachtige Piazza Maggiore van Bologna, waar een metersgroot scherm staat opgesteld tussen de wereldberoemde renaissancegebouwen. Drieduizend filmliefhebbers zitten er vol spanning op hun stoeltje te wachten op de projectie van Enamorada, een Mexicaanse zwartwitfilm uit 1946. En toegegeven: ook wel een beetje op de man die dat gerestaureerde meesterwerk zal inleiden, wanneer de zon volledig achter de palazzi is weggezakt. Dat is namelijk niemand minder dan maestro Martin Scorsese, de maker van klassiekers als Taxi Driver, Raging Bull en Goodfellas. Maar ook: zowat de bekendste filmfreak ter wereld, die zich met zijn in 1990 opgerichte Film Foundation inzet voor het conserveren en restaureren van het cinematografische werelderfgoed. Dat Scorsese op dit moment van het jaar naar Bologna afzakt, hoeft trouwens niet te verbazen. Sinds 1986 wordt hier het festival met de magnifieke naam Il Cinema Ritrovato georganiseerd, dat uitgroeide van een eendaagse nostalgietrip voor lokale filmgeeks tot 's werelds belangrijkste evenement voor klassieke, gerestaureerde en/of vergeten films. Dit jaar kunnen cinefielen er genieten van piekfijne restauraties van klassiekers van Ingmar Bergman, Ernst Lubitsch, Yasujiro Ozu en andere grootmeesters. Bovendien zijn er retrospectieven rond Marcello Mastroianni, Hollywoodentrepreneur William Fox en de Chinese cinema van de jaren veertig. Wie zich ook tussen de enthousiastelingen op de Piazza Maggiore bevindt, is Nicola Mazzanti. Hij was een van de Bolognese filmgeeks die het festival indertijd mee oprichtte en gaf het ook zijn naam. Mazzanti is een van 's werelds autoriteiten wat het restaureren en conserveren van films betreft. Hij was in de jaren negentig al een pionier met zijn bedrijfje l'Immagine Ritrovato, dat nauw verbonden was aan de Cineteca Bologna. Daarna richtte hij een filmconservatiecentrum op aan de unief van Los Angeles, en sinds 2012 is hij hoofdconservator van Cinematek, het vroegere Koninklijke Belgische Filmarchief. Dat viert dit jaar zijn tachtigste verjaardag en voor wie denkt dat enkel de Rode Duivels wereldtop zijn: met zijn 80.000 titels bezit Cinematek een van de meest indrukwekkende filmcollecties ter wereld. 'Brussel is dubbel zo groot als Parijs en Amsterdam, en even groot als New York. En dan heb ik de belangrijkste filmarchieven meteen genoemd', ' stelt Mazzanti beslist. 'Het filmarchief van Bologna stelt in vergelijking maar weinig voor.' Hoe komt het dan dat Bologna is uitgegroeid tot 's werelds capitool voor klassieke en gerestaureerde films?Nicola Mazzanti: Bologna beschikt over wat ik de gouden driehoek noem. Je kunt er film studeren aan de universiteit. Je vindt er 's werelds beste filmlab, dat ik mee heb opgericht. En er is het festival Il Cinema Ritrovato, het belangrijkste ter wereld in zijn soort. Iedereen in de branche komt ernaartoe en alles wat met filmrestauratie te maken heeft, loopt via Bologna. De eerste keer dat we het festival organiseerden, hadden we 100 toeschouwers die 24 uur in één zaal naar klassiekers kwamen kijken. Nu komen er 50.000 bezoekers vanuit de hele wereld en zijn er honderden vertoningen over de hele stad. Surfen Il Cinema Ritrovato en filmrestauratie niet mee op de golf van nostalgie die zo eigen is aan onze postmoderne tijden? Mazzanti: Dat de doorbraak er kwam in de jaren negentig is geen toeval. Je merkte dat er indertijd overal een fin-de-sièclesfeertje in de lucht hing. In de muziek, in de plastische kunst, in de film: men greep steeds meer terug naar het verleden. Er ontstond wereldwijd een markt voor gerestaureerde films, én het werd een wetenschappelijke discipline. Het was de periode van de grote restauraties van Fritz Lang, F.W. Murnau en Abel Gance. Zelfs Cannes begon plots klassiekers te vertonen. Dat deed de perceptie veranderen. Het werd iets hips en hedendaags in plaats van louter nostalgie. Langzaam begon men de focus ook te verleggen van films uit de jaren twintig en dertig, naar moderner werk. Sergio Leone. Francis Ford Coppola. Monsterfilms. B-films. Het spectrum werd breder en dus ook het publiek. Nu heeft elk belangrijk filmfestival een sectie gewijd aan klassiekers. Wat heeft de pelliculevreter in u wakker gemaakt? Mazzanti: Ik was zeventien toen ik O Thiasos zag van Theo Angelopolous. Dat was niet echt een oude film - hij dateert uit 1975 - maar hij maakte een enorme indruk op mij. Plots werd me duidelijk dat cinema niet per se fun moest zijn. Het mocht ambitieus zijn, experimenteel, kunst zelfs. Stel je voor. Ik begon daarna de klok rond naar zwartwitfilms te kijken op tv en heb ook zelf nog kortfilms gemaakt. Maar die waren zo slecht dat ik ze nu niet eens meer durf te bekijken.Het probleem was dat eind jaren zeventig, begin jaren tachtig veel filmliefhebbers van mijn generatie dachten: cinema is dood. Wat valt er nog te ontdekken? Wat kunnen we anders doen dan terugkijken? Bovendien werd de mainstreamcinema er niet interessanter op. We dachten: als Spielberg en Indiana Jones de toekomst van de cinema zijn, geef ons dan maar het verleden. Als jonge cinefiel begon ik te werken bij het filmarchief van Bologna. Dat had een kleine collectie en die wilde ik ontsluiten. Vandaar de naam 'teruggevonden cinema'. Wat later ben ik ook films beginnen te restaureren. Dat heb ik al doende geleerd, want regels waren er niet. Mijn eerste restauratie was Tontolini e Triste, een Italiaans slapstickfilmpje uit 1911. Pas later volgde het serieuze werk: Aniki-Bobo van Manoel de Oliveira, Der Blaue Engel van Jozef von Sternberg en noem maar op. Hoe komt het dat een klein land als België zo'n wereldvermaarde cinematheek had? Mazzanti: Mijn voorganger Jacques Ledoux, die het archief tachtig jaar geleden heeft opgericht, was een van de eersten die beseften dat het niet voldoende is om films te vertonen, maar dat archiveren en conserveren minstens zo belangrijk zijn als je wilt dat ook toekomstige generaties van het filmpatrimonium kunnen genieten. Bovendien profiteerde België van zijn centrale ligging in Europa. Veel Amerikaanse studio's - zoals RKO indertijd - verscheepten al hun materiaal naar Brussel om het van daaruit over heel Europa te verspreiden. Hoewel we een van de grootste cinematheken ter wereld zijn, hebben we ongeveer hetzelfde budget als het filmarchief van Luxemburg. (grijnst) Dat we gezien ons wereldwijde reputatie nog steeds geen eigen filmconservatiecentrum hebben in België - ons archief en onze labs zitten in een voormalige autogarage in Brussel - is onbegrijpelijk. Niemand trekt het nut van een nationale bibliotheek of een museum voor schone kunsten in twijfel. Maar als het gaat over het nationaal filmpatrimonium is het een vraag die constant opduikt. Film moet zich nog altijd verantwoorden ten opzichte van literatuur en plastische kunsten, terwijl het de invloedrijkste en populairste kunstvorm is sinds het begin van de twintigste eeuw. Wat zijn de schatten van de collectie? Mazzanti: Elk filmarchief heeft wel een kopie van Citizen Kane in zijn collectie, daar is niks bijzonders aan. Het komt erop aan de allerbeste te hebben en die hébben we in Brussel. Dito voor de film noir klassieker Detour uit 1945. Die is zopas gerestaureerd door de Oscar Academy en die heeft zich voor 99 procent op ons exemplaar gebaseerd. Het is de taak van een filmrestaurateur om de beste kopieën te vinden - bij voorkeur de originele negatieven - en om daaruit de beste stukken te selecteren. Daar komt heel wat reizen, netwerken en speuren in archieven bij kijken. Klopt het dat tachtig procent van alle stille films verloren is gegaan? Mazzanti: Die cijfers hebben de Amerikanen uit hun duim gezogen. De waarheid is dat niemand weet hoeveel er precies verloren is gegaan. Ik vermoed dat er nog wel eens ergens een echte schat zal opduiken, maar mijn ervaring is: als een film verloren ging, dan was daar meestal een goede reden voor. Die Hitlerfilm die we twee jaar geleden hebben ontdekt - de antinazifilm Hitler's Reign of Terror uit 1934 - was alleen historisch gezien interessant. Hij was gewoon slecht, amateurwerk. Ik zou hem zelf ook diep in het archief verstopt hebben. (lacht) Onlangs hebben we ook een Disney-tekenfilmpje teruggevonden dat verloren gewaand werd. En toen het British Film Institute een lijst publiceerde met de 50 belangrijkste, verloren Britse films bleken er drie gewoon in onze collectie te zitten. Het illustreert hoe groot onze collectie is. Maar het is vooral de kwaliteit die telt, zeker met het oog op restauratie? Mazzanti: Precies. We hebben vaak ook de oorspronkelijke negatieven of de ongecensureerde versies van films. Wil je de originele King Kong uit 1933 zien met dat ene shot van een blote borst dat er indertijd overal uitgeknipt werd? Of wil je Arletty zien douchen in Marcel Carnés Le Jour Se lève, wat veel te risqué was in 1939? Geen probleem. Wij hebben die. We zorgen ervoor dat alles goed bewaard wordt. Vandaar dat we al enige jaren hard inzetten op het digitaliseren van onze collectie. Dat is mijn grote project in Brussel. Hoe zit het nu met die transitie naar digitale formats? Mazzanti: Sinds 2010 worden alle films digitaal verdeeld en vertoond. Ook in België. De eerste films die volledig digitaal werden gedraaid en gepostproduceerd dateren uit de late jaren negentig. Sinds de jaren zeventig beschikt Brussel over een lab dat analoge films restaureert, dat dankzij Jacques Ledoux hoog aangeschreven staat. De kennis was er dus al, maar we hebben ook ons eigen digitale toplab gebouwd. We doen inmiddels zo'n dertig titels per jaar. Belgische films, want dat is onze taak. Een hallucinante productiviteit, gelet op onze beperkte équipe en middelen. Gaat digitaliseren niet oneindig veel sneller dan analoge films restaureren? Mazzanti: Digitaal restaureren betekent niet snel even met een scanner een bestandje maken van een analoog filmframe, en er vervolgens wat algoritmes op loslaten. Het is vakwerk waar heel wat knowhow en technologie voor nodig is. Je kunt een restauratie ook verneuken. Ik zie heel wat 'plastic', zoals ik dat noem. Zeker bij digitale films. Men maakt alles te glad, te kil. Een film moet je proberen te restaureren volgens de tijdgeest en de smaak van de tijd waarin hij gemaakt werd. Je moet er geen moderne dingen op enten. Denk maar aan de restauratie van Fritz Langs Metropolis uit de jaren tachtig, met de muziek van Giorgio Moroder. Dat was een sensatie toen, maar nu is die alweer gedateerd. Veel klassiekers die in de jaren tachtig gerestaureerd werden zien er uit als videoclips van Bryan Ferry. (lacht) Nu gebeurt dat gelukkig minder. Vandaar ook dat onze technici indien mogelijk samenzitten met de regisseur of de cameraman van een bepaalde film. Als die nog leven tenminste. Die komen dan in jullie lab zitten om met jullie samen te werken? Mazzanti: Precies. Onlangs hebben we Toto le Héros gerestaureerd met Jaco Van Dormael. Binnenkort komt Tom Barman om zijn film Any Way the Wind blows te restaureren. Maar we werken ook samen met bekende internationale regisseurs. Hou Hsiao-Hsien, Amos Gitai. Ze weten ons te vinden. We hebben ook met Chantal Akerman aan haar restauraties gewerkt, maar helaas is ze drie jaar geleden overleden. Nu moeten we het werk voltooien zonder haar. Ik ben altijd een enorme fan van Akerman geweest. Jeanne Dielman, 23, Quai du Commerce, 1080 Bruxelles (1975) is voor mij één van de sleutelfilms van de moderne cinema, een monumentaal meesterwerk. Weet je: België heeft niet alleen een fantastische cinematheek. Ook de filmproductie is al jaren heel divers en dynamisch, zowel in Vlaanderen als Wallonië trouwens. Akerman, Van Dormael, de Dardennes, Van Groeningen, Roskam. België zou veel trotser moeten zijn op zijn filmproductie, want die is top. Een van de grote roergangers voor cinematheken en filmrestauraties aller landen is Martin Scorsese. Kent u hem persoonlijk? Mazzanti: Tuurlijk ken ik Marty. Ik ben gisteren nog met hem gaan eten hier in Bologna en in Brussel werken we soms samen met zijn Film Foundation. Scorsese was de eerste, bekende filmmaker die besefte dat er dringend iets moest gebeuren om het filmpatrimonium te redden. Filmrestaurateurs en conservators kunnen klagen en zagen wat ze willen: wie zal er naar hen luisteren? Maar als een icoon als Marty iets zegt, worden de oren gespitst en gaan de portemonnees open. Dus: dank je wel, Marty. (lacht)Slotvraag: u had eind jaren zeventig het gevoel dat cinema dood is. Hebt u dat nog steeds als u hier in Bologna drieduizend mensen naar een Mexicaanse zwartwitfilm ziet kijken? Mazzanti: Nee, maar als ik naar de zoveelste, nieuwe superheldenfilm kijk soms wel. (lacht) De cinema heeft alles al overleefd. De opkomst van tv, van de videorecorder, nu is Netflix zogezegd de nieuwe vijand. Daar geloof ik niet in. Netflix produceert films, maar verdeelt ze op een andere manier. Meer niet. Een groter probleem is dat men er niet in slaagt om vooral jongeren duidelijk te maken dat cinema een collectief beleefde, immersieve kunstvorm is, en dat het sociaal en artistiek een heel andere betekenis heeft dan naar een laptop of een gsm zitten kijken. Je kunt die dingen zelfs niet eens met elkaar vergelijken. Onze cultuur wordt almaar visueler, maar we worden visueel almaar armer en luier. Daar maak ik me zorgen over.