Dat zeggen Defence for Children en de Stichting Donorkind, die zich sterk maken voor de zogenoemde Karbaatkinderen en andere donorkinderen die willen weten van wie ze afstammen. Beide organisaties zeggen dat er vermoedens zijn dat ook andere artsen hun eigen sperma gebruikten voor de inseminatie van vrouwen. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat in klinieken het maximale aantal van 25 kinderen per donor vaak is overschreden. Als donorkinderen twijfelen over Karbaat of überhaupt willen weten wie hun donorvader is, dan kunnen ze zich bij de stichting Fiom of de Stichting Donorkind aanmelden, zegt voorzitter Ties van der Meer van de Stichting Donorkind. Via DNA-materiaal kan naar een match worden gezocht met een donorvader die zich ook heeft aangemeld. Karbaat was sinds de jaren zeventig actief, dus zijn nazaten kunnen variëren van kleine kinderen tot veertigers. Probleem is dat veel kinderen, vooral die van voor 2004, niet eens weten dat ze een kind van een donor zijn. "Vroeger adviseerden artsen aan ouders om dat geheim te houden", zegt Van der Meer. Daarbij is de administratie van de meeste klinieken niet op orde, zodat volgens hem alleen DNA uitkomst kan bieden om achter de identiteit van een donorvader te komen. Artsen hadden geen trek in het papierwerk en bovendien waren ze niet happig op controles, aldus Van der Meer. Hij wijst erop dat destijds donorsperma ook werd gemengd, omdat de gedachte was dat het zaad dan actiever werd. "Van donaties vóór de jaren negentig is niks betrouwbaars bewaard gebleven. Zelfs archieven bij notarissen raakten zoek. De teneur was destijds dat donorkinderen blij mochten zijn dat ze bestonden." (Belga)

Dat zeggen Defence for Children en de Stichting Donorkind, die zich sterk maken voor de zogenoemde Karbaatkinderen en andere donorkinderen die willen weten van wie ze afstammen. Beide organisaties zeggen dat er vermoedens zijn dat ook andere artsen hun eigen sperma gebruikten voor de inseminatie van vrouwen. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat in klinieken het maximale aantal van 25 kinderen per donor vaak is overschreden. Als donorkinderen twijfelen over Karbaat of überhaupt willen weten wie hun donorvader is, dan kunnen ze zich bij de stichting Fiom of de Stichting Donorkind aanmelden, zegt voorzitter Ties van der Meer van de Stichting Donorkind. Via DNA-materiaal kan naar een match worden gezocht met een donorvader die zich ook heeft aangemeld. Karbaat was sinds de jaren zeventig actief, dus zijn nazaten kunnen variëren van kleine kinderen tot veertigers. Probleem is dat veel kinderen, vooral die van voor 2004, niet eens weten dat ze een kind van een donor zijn. "Vroeger adviseerden artsen aan ouders om dat geheim te houden", zegt Van der Meer. Daarbij is de administratie van de meeste klinieken niet op orde, zodat volgens hem alleen DNA uitkomst kan bieden om achter de identiteit van een donorvader te komen. Artsen hadden geen trek in het papierwerk en bovendien waren ze niet happig op controles, aldus Van der Meer. Hij wijst erop dat destijds donorsperma ook werd gemengd, omdat de gedachte was dat het zaad dan actiever werd. "Van donaties vóór de jaren negentig is niks betrouwbaars bewaard gebleven. Zelfs archieven bij notarissen raakten zoek. De teneur was destijds dat donorkinderen blij mochten zijn dat ze bestonden." (Belga)