Sinds 2018 konden mensen die in hun vrije tijd als verenigingswerkers aan de slag gingen, bijvoorbeeld in sportclubs, tot 6.000 euro per jaar onbelast bijverdienen. Maar in april 2020 vernietigde het Grondwettelijk Hof die zogenaamde bijkluswet, omdat het die discriminerend vond. De Kamer kwam daarom eind december met een alternatief op de proppen in de vorm van een nieuwe, tijdelijke regeling die het mogelijk maakte dat verenigingswerkers in sportclubs toch nog tot 6.000 euro per jaar konden bijverdienen, zij het niet meer volledig onbelast. Die regeling geldt tot eind dit jaar. Intussen werkte de regering aan nieuwe, definitieve regels rond het verenigingswerk en die zijn nu dus defintief goedgekeurd door de ministerraad. Ze worden van kracht op 1 januari 2022.

Concreet zal een werknemer bij verenigingen in de socioculturele sector tot 300 uur en in de sportsector tot 450 uur per jaar werken en daarbij 10 procent personenbelasting betalen. Als deze prestaties gecombineerd worden met studentenarbeid wordt dit beperkt tot 190 uur. Verenigingen krijgen een uitzondering op sociale documenten. 'Eenvoud is cruciaal. We willen niet te veel paperasserij', luidt het. De verenigingen en de verenigingswerkers zullen het aantal te werken/gewerkte uren kunnen raadplegen en controleren via een eenvoudige toepassing, gelijkaardig aan de toepassing student@work.

De regeling bepaalt ook dat het leveren van prestaties als verenigingswerker niet is toegestaan indien de organisatie en de betrokken werknemer door een arbeidsovereenkomst, een statutaire aanstelling of een aannemingsovereenkomst waren verbonden tijdens een periode van een jaar, voorafgaand aan het begin van de prestaties als verenigingswerker.

Voorts is de arbeidsongevallenwet van toepassing, maar worden de werknemers woniet meegeteld in het stelsel 'verzwaarde risico's'. Ook de welzijnswetgeving en bestaande cao's blijven van toepassing, maar er zijn wel twee uitzonderingen: voor de loontoeslagen voor avond-, nacht- en zondagsarbeid en voor het opleidingsrecht.

Het gewaarborgd loon bij afwezigheid wegens ziekte is dan weer niet van toepassing, tenzij de sector anders overeenkomt via een sectorale CAO.

In geval van ontslag wordt voorzien in het dubbele van het verenigingswerk met de mogelijkheid voor de sociale partners om hiervan af te wijken per CAO (14 dagen opzeg indien het contract korter duurt dan 6 maanden en 1 maand opzeg indien het contract langer duurt dan 6 maanden).

Sinds 2018 konden mensen die in hun vrije tijd als verenigingswerkers aan de slag gingen, bijvoorbeeld in sportclubs, tot 6.000 euro per jaar onbelast bijverdienen. Maar in april 2020 vernietigde het Grondwettelijk Hof die zogenaamde bijkluswet, omdat het die discriminerend vond. De Kamer kwam daarom eind december met een alternatief op de proppen in de vorm van een nieuwe, tijdelijke regeling die het mogelijk maakte dat verenigingswerkers in sportclubs toch nog tot 6.000 euro per jaar konden bijverdienen, zij het niet meer volledig onbelast. Die regeling geldt tot eind dit jaar. Intussen werkte de regering aan nieuwe, definitieve regels rond het verenigingswerk en die zijn nu dus defintief goedgekeurd door de ministerraad. Ze worden van kracht op 1 januari 2022. Concreet zal een werknemer bij verenigingen in de socioculturele sector tot 300 uur en in de sportsector tot 450 uur per jaar werken en daarbij 10 procent personenbelasting betalen. Als deze prestaties gecombineerd worden met studentenarbeid wordt dit beperkt tot 190 uur. Verenigingen krijgen een uitzondering op sociale documenten. 'Eenvoud is cruciaal. We willen niet te veel paperasserij', luidt het. De verenigingen en de verenigingswerkers zullen het aantal te werken/gewerkte uren kunnen raadplegen en controleren via een eenvoudige toepassing, gelijkaardig aan de toepassing student@work.De regeling bepaalt ook dat het leveren van prestaties als verenigingswerker niet is toegestaan indien de organisatie en de betrokken werknemer door een arbeidsovereenkomst, een statutaire aanstelling of een aannemingsovereenkomst waren verbonden tijdens een periode van een jaar, voorafgaand aan het begin van de prestaties als verenigingswerker. Voorts is de arbeidsongevallenwet van toepassing, maar worden de werknemers woniet meegeteld in het stelsel 'verzwaarde risico's'. Ook de welzijnswetgeving en bestaande cao's blijven van toepassing, maar er zijn wel twee uitzonderingen: voor de loontoeslagen voor avond-, nacht- en zondagsarbeid en voor het opleidingsrecht. Het gewaarborgd loon bij afwezigheid wegens ziekte is dan weer niet van toepassing, tenzij de sector anders overeenkomt via een sectorale CAO. In geval van ontslag wordt voorzien in het dubbele van het verenigingswerk met de mogelijkheid voor de sociale partners om hiervan af te wijken per CAO (14 dagen opzeg indien het contract korter duurt dan 6 maanden en 1 maand opzeg indien het contract langer duurt dan 6 maanden).