Je had haar moeten zien. Op het puntje van het bed naast me zat ze: Pup, klaar voor haar eerste virtuele infodag. Ze zou voor de allereerste keer haar eigen school kunnen kiezen, nu ze naar het middelbaar ging. Van alle scholen op het lijstje had ze de sites bekeken, infodagen genoteerd, daar samen met me geluisterd naar uitleg en, een beetje aarzelend, dapper vragen gesteld.

We hadden samen de routes naar scholen uitgestippeld en vervoer overwogen. Bij het avondeten zat ze te overwegen. Dat was een snobschool, dus die liever niet. Maar tussen die andere en nog eentje vond ze het wel moeilijk kiezen. Daar moest je geen boeken meenemen en alleen een laptop, daar hadden ze weer Grieks-wiskunde, en ze wilde astronoom worden, dan was dat toch goed, hé mama? En eindelijk geen godsdienst meer! Mijn kleine atheïst jubelde.

Minister Weyts, hoe moeten Brusselse kinderen excelleren zonder school?

Het was eigenlijk één groot feest, al hield ik een beetje mijn hart vast. In Brussel werken we met een centraal inschrijvingssysteem en een paar regels. Wat voorrang voor wie het thuis moeilijk heeft, ook wat voorrang voor Nederlandstalige kinderen. (Dat laatste is een wat twijfelachtige voorrang, maar dat leg ik zo uit.) Je mag zelf een lijstje opstellen en een loterij geeft je een willekeurig nummer. Je krijgt grote voorrang bij keuze 1, minder bij 2 enzovoort. Dat systeem zorgt ervoor dat ouders en kinderen daadwerkelijk hun school kunnen kiezen, in plaats van dat de populaire (of soms elitaire) scholen de kìnderen kiezen. Een eerlijker systeem dus, waar wij achter stonden.

Maar er was natuurlijk ook het plaatstekort. Jarenlang waren er door Brusselse ministers scholen bijgebouwd, maar Vlaanderen investeerde niet genoeg in uitbreiding. Als kleuter al viel mijn dochter uit de boot bij het centraal inschrijvingssysteem. Nu ging ze naar het middelbaar, en kwam de schrik terug.

Om ons heen kozen veel ouders strategisch: niet dé leukste school, maar die waar ze vrije plekken verwachtten. Wij speelden op een andere manier voor zeker. Sommige gezinnen zetten maar één of twee scholen op de lijst, wij besloten maar liefst 9 van de 33 scholen op onze lijst te zetten, bijna een derde. Een diverse lijst bovendien. Negen was vast niet nodig, maar je wist nooit. Voor de zekerheid.

28% van de leerlingen in Brussel zonder school

Een paar weken later wist Pup beter dan ik wanneer de resultaten zou binnen komen. Ze keek ernaar uit als naar Sinterklaas. Ik probeerde me te herinneren of ik ooit zo gemotiveerd was, maar kon me alleen zenuwen herinneren toen ik naar die grote school moest.

De volgende dag logde ik in, eerlijk gezegd ook met wat kriebels in de buik.

Het kind had verdomme geen énkele school. Negen van de 33 scholen hadden geen enkel plekje voor haar. "Ik wist niet dat dat kon met zo veel scholen", zegden ze in de ouderchat. Wel: ik ook niet. "Wat is haar plaats op de wachtlijst?", probeerden ze. "Met plaats 2 of 3 word je nog wel opgevist." Maar de hoogste wachtrijplaats was elf. De laagste ergens in de 150. Elf is een halve klas. 150 een halve school. Ik belde een paar scholen voor een "weigeringsdocument" waarmee ze nog een plek kon krijgen, mochten er pakweg meer dan dertig leerlingen afzeggen, en ging toen een uur janken op het toilet.

We waren de enige niet. Het hoogste aantal kinderen ooit had zich aangemeld voor het Nederlandstalig onderwijs en maar liefst 28% van de leerlingen die een plekje in een middelbare school wilden, kregen er geen. Voor 650 kinderen was er vorige maand voorlopig geen plaats in Nederlandstalig secundair onderwijs.

Meer dan een kwàrt van alle kinderen die hoorden uit te kijken naar het secundair, kregen in plaats daarvan een rotbrief. "Ongunstig gerangschikt". Na dit rotjaar.

Maar dat er veel zijn, dat troost niet. Integendeel. Het geeft aan hoe structureel het probleem is. En we weten nog altijd niet goed hoe deze situatie uiteindelijk in orde moet komen.

Ik zette haar op een bankje met een afhaaldrankje. Rustig en triest luisterde ze naar de opties voor haar en 28% van alle Brusselse kinderen die een plekje willen op een Nederlandstalige school. Op drie juni zouden de plekjes waar nu dubbel ingeschreven was, vrijkomen. Wellicht, zei ik haar eerlijk, zou het geen plekje zijn in de scholen waar ze het liefst heen wilde. Haar wachtlijstplekken waren veel te laag.

Minister Weyts kan kinderen tegen september een plek geven

We belden onder ouders naar mekaar. "Heb jij ook geen plek? Welke wachtlijst?" We puzzelden naar oplossingen. We rekenden, ook voor de honderden Brusselse ouders die ook trieste kinderen hadden en met de handen in het haar zaten, maar de organisatie van het Brussels onderwijs niet begrepen. Een school oprichten ging even door ons hoofd, maar was onhaalbaar in die paar maanden. De oplossing, besloten we, lag hem in uitbreiding. En daarvoor lag de sleutel bij het Vlaams beleid.

Om klassen uit te breiden, heb je 3 dingen nodig: goodwill, werkingsmiddelen en lerarenuren. En die twee laatste, die liggen Vlaams.

Als een school dus uit goodwill uitbreidt, moet ze het eerste jaar die lerarenuren en werkingsmiddelen nog voorschieten, en dus in zijn reserve duiken of bij gebrek daaraan, want scholen zijn meestal niet rijk, schulden maken. Behalve als minister Weyts de onderwijspartners rond de tafel zette en hen beloofde dat hij werkingsmiddelen en lerarenuren zou uitreiken op basis van hun septembertelling, niet die van komend jaar februari.

Ik stelde het minister Weyts voor in plenaire. Met enthousiasme en gemeend, voor die 28% kinderen in zak en as. De minister goochelde in zijn antwoord met cijfers, deed smalend over hoe Brussel dan maar alleen Nederlandstalige kinderen moest laten voorgaan. De rest moest maar naar het Franstalig onderwijs.

Begreep de minister dan niet hoe zijn hoofdstad in elkaar zet, en kende hij zijn Vlaams-nationalistische geschiedenis niet? Brussel is letterlijk de meest kosmopolitische democratische stad ter wereld, waar Franstaligen evengoed in de minderheid zijn als Nederlandstaligen. Iets waarop we trots mogen zijn, en ook een feit waarin juist Vlaams-nationalisten een kans moeten zien. Want dat betekent dat je in het Nederlandstalig Brussels onderwijs zieltjes kan winnen. Zo is het systeem ooit ook opgezet met een flamingantische reflex van het positieve soort.

Van die "anderstalige" kinderen van mijn dochters zesde leerjaar beseft de minister duidelijk niet dat die al 9 jaar in het Nederlandstalig onderwijs zaten, naast zoon en dochter. Van Tenzin tot Achile, van Amin tot Angelica zijn het kinderen die zo Brussels en Nederlands spraken als die van mij. Ons Nederlandstalig Brussels onderwijs is een prachtige machine die kleine Vlamingskes mààkt. Kinderen die nooit wiskunde, zinsontleding of geschiedenis kregen in een andere taal dan het Nederlands: En Pups klas, die zit er vol van. Maar de Vlaamse N-VA-minister van onderwijs moet die zieltjes blijkbaar niet hebben. Ze moeten maar naar het Franstalig onderwijs, vond hij. Inclusief, blijkbaar, mijn eentalig Nederlandstalige dochter die evenmin een plek kreeg.

De boodschap was duidelijk: die 28% Brusselse kinderen konden de boom in.

Het was spijtig. Hij had een stoel aan kinderen kunnen geven. Maar hij beet zich vast in retoriek. Ik sloot af met de wens dat hij toch die kans zou grijpen. Dat na dit rotjaar elk kind een stoel verdient

Na dit rotjaar verdient elk kind een school

Intussen zijn we 8 juni. Enkele dagen geleden zijn de vrije plaatsen opengesteld na het geschuif met broertjes en zusjes. Maar ons belde of mailde nog geen enkele school op Pups lange lijst van negen scholen.

Wat er ons rest? Er zijn 3 scholen met vrije inschrijvingen in Brussel. Ze liggen Pup geen van allen. Ze hebben niet genoeg uren wiskunde voor mijn wetenschapsliefhebster of zijn projectscholen, terwijl zij het graag gestructureerd heeft. Bovendien zijn ze allemaal katholiek, en het kind wil gewoon geen godsdienst. Een wens die ons onderwijs zelfs verankerd heeft in zijn organisatie, maar die de minister gewoonweg niet kan waarmaken.

Dit is nu dus de situatie:

Binnen 22 dagen studeert mijn dochter af van de lagere school. Ze heeft al kleren voor haar proclamatie, maar een school heeft ze nog niet. Als ik daaraan denk, krijg ik buikpijn. Misschien heeft ze in september een school die haar past. Misschien ook helemaal niet. Ik weet niet hoe veel Brusselse gezinnen in dezelfde situatie zitten, maar het zijn er sowieso nog honderden. Pup is zo'n kind waar Vlaams-nationalisten van dromen, met al hun gepraat over excellentie. "Leg de lat maar lekker hoog", zegt haar meester. "Als zij iets wil, dan blinkt ze uit."

Alleen is haar motivatie in de afgelopen maand enorm geslonken door deze nalatigheid van de minister van onderwijs. Van de uitbreiding van klassen heb ik niets meer van gehoord. De kinderen in Brussel, die kunnen hem blijkbaar gestolen worden. Dat is, verdomme, schuldig verzuim. Èlk kind verdient een stoel, en zeker na dit rotjaar. Die van mij. Die van u. Die van die werkloze alleenstaande mama, die dag in dag uit haar nikkel afdraait voor haar drie kindjes misschien nog in de eerste plaats.

Al die kinderen in de klas van mijn dochter, die zijn de verantwoordelijkheid van Ben Weyts, minister van onderwijs. Hij heeft er kleine Vlamingen van gemaakt. Nu verdienen ze, stuk voor stuk, een plek in een middelbare school.

Die lat in het onderwijs, die mag inderdaad hoger. Maar in dit geval niet voor de kinderen. Wel voor een minister van onderwijs die er zò met zijn klak naar smijt, dat honderden kinderen niet eens een plaats op school krijgen.

Ben Weyts heeft nog één herkansing tot de zomer. Voor extra klassen. Voor extra plekken. Want anders breng ik ze op 1 september mee naar de commissie onderwijs. Dan kan hij zijn falen elke week in de ogen staren tot het kind een school heeft. Pup, die excelleert alvast genoeg om dat aan te kunnen.

Je had haar moeten zien. Op het puntje van het bed naast me zat ze: Pup, klaar voor haar eerste virtuele infodag. Ze zou voor de allereerste keer haar eigen school kunnen kiezen, nu ze naar het middelbaar ging. Van alle scholen op het lijstje had ze de sites bekeken, infodagen genoteerd, daar samen met me geluisterd naar uitleg en, een beetje aarzelend, dapper vragen gesteld.We hadden samen de routes naar scholen uitgestippeld en vervoer overwogen. Bij het avondeten zat ze te overwegen. Dat was een snobschool, dus die liever niet. Maar tussen die andere en nog eentje vond ze het wel moeilijk kiezen. Daar moest je geen boeken meenemen en alleen een laptop, daar hadden ze weer Grieks-wiskunde, en ze wilde astronoom worden, dan was dat toch goed, hé mama? En eindelijk geen godsdienst meer! Mijn kleine atheïst jubelde. Het was eigenlijk één groot feest, al hield ik een beetje mijn hart vast. In Brussel werken we met een centraal inschrijvingssysteem en een paar regels. Wat voorrang voor wie het thuis moeilijk heeft, ook wat voorrang voor Nederlandstalige kinderen. (Dat laatste is een wat twijfelachtige voorrang, maar dat leg ik zo uit.) Je mag zelf een lijstje opstellen en een loterij geeft je een willekeurig nummer. Je krijgt grote voorrang bij keuze 1, minder bij 2 enzovoort. Dat systeem zorgt ervoor dat ouders en kinderen daadwerkelijk hun school kunnen kiezen, in plaats van dat de populaire (of soms elitaire) scholen de kìnderen kiezen. Een eerlijker systeem dus, waar wij achter stonden.Maar er was natuurlijk ook het plaatstekort. Jarenlang waren er door Brusselse ministers scholen bijgebouwd, maar Vlaanderen investeerde niet genoeg in uitbreiding. Als kleuter al viel mijn dochter uit de boot bij het centraal inschrijvingssysteem. Nu ging ze naar het middelbaar, en kwam de schrik terug.Om ons heen kozen veel ouders strategisch: niet dé leukste school, maar die waar ze vrije plekken verwachtten. Wij speelden op een andere manier voor zeker. Sommige gezinnen zetten maar één of twee scholen op de lijst, wij besloten maar liefst 9 van de 33 scholen op onze lijst te zetten, bijna een derde. Een diverse lijst bovendien. Negen was vast niet nodig, maar je wist nooit. Voor de zekerheid.Een paar weken later wist Pup beter dan ik wanneer de resultaten zou binnen komen. Ze keek ernaar uit als naar Sinterklaas. Ik probeerde me te herinneren of ik ooit zo gemotiveerd was, maar kon me alleen zenuwen herinneren toen ik naar die grote school moest.De volgende dag logde ik in, eerlijk gezegd ook met wat kriebels in de buik.Het kind had verdomme geen énkele school. Negen van de 33 scholen hadden geen enkel plekje voor haar. "Ik wist niet dat dat kon met zo veel scholen", zegden ze in de ouderchat. Wel: ik ook niet. "Wat is haar plaats op de wachtlijst?", probeerden ze. "Met plaats 2 of 3 word je nog wel opgevist." Maar de hoogste wachtrijplaats was elf. De laagste ergens in de 150. Elf is een halve klas. 150 een halve school. Ik belde een paar scholen voor een "weigeringsdocument" waarmee ze nog een plek kon krijgen, mochten er pakweg meer dan dertig leerlingen afzeggen, en ging toen een uur janken op het toilet.We waren de enige niet. Het hoogste aantal kinderen ooit had zich aangemeld voor het Nederlandstalig onderwijs en maar liefst 28% van de leerlingen die een plekje in een middelbare school wilden, kregen er geen. Voor 650 kinderen was er vorige maand voorlopig geen plaats in Nederlandstalig secundair onderwijs. Meer dan een kwàrt van alle kinderen die hoorden uit te kijken naar het secundair, kregen in plaats daarvan een rotbrief. "Ongunstig gerangschikt". Na dit rotjaar.Maar dat er veel zijn, dat troost niet. Integendeel. Het geeft aan hoe structureel het probleem is. En we weten nog altijd niet goed hoe deze situatie uiteindelijk in orde moet komen.Ik zette haar op een bankje met een afhaaldrankje. Rustig en triest luisterde ze naar de opties voor haar en 28% van alle Brusselse kinderen die een plekje willen op een Nederlandstalige school. Op drie juni zouden de plekjes waar nu dubbel ingeschreven was, vrijkomen. Wellicht, zei ik haar eerlijk, zou het geen plekje zijn in de scholen waar ze het liefst heen wilde. Haar wachtlijstplekken waren veel te laag. We belden onder ouders naar mekaar. "Heb jij ook geen plek? Welke wachtlijst?" We puzzelden naar oplossingen. We rekenden, ook voor de honderden Brusselse ouders die ook trieste kinderen hadden en met de handen in het haar zaten, maar de organisatie van het Brussels onderwijs niet begrepen. Een school oprichten ging even door ons hoofd, maar was onhaalbaar in die paar maanden. De oplossing, besloten we, lag hem in uitbreiding. En daarvoor lag de sleutel bij het Vlaams beleid. Om klassen uit te breiden, heb je 3 dingen nodig: goodwill, werkingsmiddelen en lerarenuren. En die twee laatste, die liggen Vlaams.Als een school dus uit goodwill uitbreidt, moet ze het eerste jaar die lerarenuren en werkingsmiddelen nog voorschieten, en dus in zijn reserve duiken of bij gebrek daaraan, want scholen zijn meestal niet rijk, schulden maken. Behalve als minister Weyts de onderwijspartners rond de tafel zette en hen beloofde dat hij werkingsmiddelen en lerarenuren zou uitreiken op basis van hun septembertelling, niet die van komend jaar februari.Ik stelde het minister Weyts voor in plenaire. Met enthousiasme en gemeend, voor die 28% kinderen in zak en as. De minister goochelde in zijn antwoord met cijfers, deed smalend over hoe Brussel dan maar alleen Nederlandstalige kinderen moest laten voorgaan. De rest moest maar naar het Franstalig onderwijs.Begreep de minister dan niet hoe zijn hoofdstad in elkaar zet, en kende hij zijn Vlaams-nationalistische geschiedenis niet? Brussel is letterlijk de meest kosmopolitische democratische stad ter wereld, waar Franstaligen evengoed in de minderheid zijn als Nederlandstaligen. Iets waarop we trots mogen zijn, en ook een feit waarin juist Vlaams-nationalisten een kans moeten zien. Want dat betekent dat je in het Nederlandstalig Brussels onderwijs zieltjes kan winnen. Zo is het systeem ooit ook opgezet met een flamingantische reflex van het positieve soort.Van die "anderstalige" kinderen van mijn dochters zesde leerjaar beseft de minister duidelijk niet dat die al 9 jaar in het Nederlandstalig onderwijs zaten, naast zoon en dochter. Van Tenzin tot Achile, van Amin tot Angelica zijn het kinderen die zo Brussels en Nederlands spraken als die van mij. Ons Nederlandstalig Brussels onderwijs is een prachtige machine die kleine Vlamingskes mààkt. Kinderen die nooit wiskunde, zinsontleding of geschiedenis kregen in een andere taal dan het Nederlands: En Pups klas, die zit er vol van. Maar de Vlaamse N-VA-minister van onderwijs moet die zieltjes blijkbaar niet hebben. Ze moeten maar naar het Franstalig onderwijs, vond hij. Inclusief, blijkbaar, mijn eentalig Nederlandstalige dochter die evenmin een plek kreeg.De boodschap was duidelijk: die 28% Brusselse kinderen konden de boom in.Het was spijtig. Hij had een stoel aan kinderen kunnen geven. Maar hij beet zich vast in retoriek. Ik sloot af met de wens dat hij toch die kans zou grijpen. Dat na dit rotjaar elk kind een stoel verdientIntussen zijn we 8 juni. Enkele dagen geleden zijn de vrije plaatsen opengesteld na het geschuif met broertjes en zusjes. Maar ons belde of mailde nog geen enkele school op Pups lange lijst van negen scholen.Wat er ons rest? Er zijn 3 scholen met vrije inschrijvingen in Brussel. Ze liggen Pup geen van allen. Ze hebben niet genoeg uren wiskunde voor mijn wetenschapsliefhebster of zijn projectscholen, terwijl zij het graag gestructureerd heeft. Bovendien zijn ze allemaal katholiek, en het kind wil gewoon geen godsdienst. Een wens die ons onderwijs zelfs verankerd heeft in zijn organisatie, maar die de minister gewoonweg niet kan waarmaken.Dit is nu dus de situatie: Binnen 22 dagen studeert mijn dochter af van de lagere school. Ze heeft al kleren voor haar proclamatie, maar een school heeft ze nog niet. Als ik daaraan denk, krijg ik buikpijn. Misschien heeft ze in september een school die haar past. Misschien ook helemaal niet. Ik weet niet hoe veel Brusselse gezinnen in dezelfde situatie zitten, maar het zijn er sowieso nog honderden. Pup is zo'n kind waar Vlaams-nationalisten van dromen, met al hun gepraat over excellentie. "Leg de lat maar lekker hoog", zegt haar meester. "Als zij iets wil, dan blinkt ze uit."Alleen is haar motivatie in de afgelopen maand enorm geslonken door deze nalatigheid van de minister van onderwijs. Van de uitbreiding van klassen heb ik niets meer van gehoord. De kinderen in Brussel, die kunnen hem blijkbaar gestolen worden. Dat is, verdomme, schuldig verzuim. Èlk kind verdient een stoel, en zeker na dit rotjaar. Die van mij. Die van u. Die van die werkloze alleenstaande mama, die dag in dag uit haar nikkel afdraait voor haar drie kindjes misschien nog in de eerste plaats.Al die kinderen in de klas van mijn dochter, die zijn de verantwoordelijkheid van Ben Weyts, minister van onderwijs. Hij heeft er kleine Vlamingen van gemaakt. Nu verdienen ze, stuk voor stuk, een plek in een middelbare school.Die lat in het onderwijs, die mag inderdaad hoger. Maar in dit geval niet voor de kinderen. Wel voor een minister van onderwijs die er zò met zijn klak naar smijt, dat honderden kinderen niet eens een plaats op school krijgen.Ben Weyts heeft nog één herkansing tot de zomer. Voor extra klassen. Voor extra plekken. Want anders breng ik ze op 1 september mee naar de commissie onderwijs. Dan kan hij zijn falen elke week in de ogen staren tot het kind een school heeft. Pup, die excelleert alvast genoeg om dat aan te kunnen.