In de aanloop naar de federale verkiezingen van 26 mei 2019 kondigde gewezen vicepremier Jan Jambon (N-VA) deze week aan te willen inzetten op de bouw van gevangenissen in het buitenland. Enkel zo meent hij het hoofd te kunnen bieden aan het probleem van de overbevolkte gevangenissen in België. Het voorstel daarbij is om de Belgische veroordeelden met buitenlandse roots, vanaf dag één, hun straf te laten uitzitten in het buitenland - in het bijzonder in Marokko, het land van warme muntthee en verse vijgen. Of zeggen we beter (lees: eerlijker) het land van ingebedde corruptie en beruchte folteringen?

Met Belgische gevangenissen in Marokko maken we ons medeplichtig aan foltering.

Het hoeft geen betoog dat Marokko - zeker de afgelopen jaren - bij de slechtste leerlingen van de klas hoort wat betreft het respecteren van mensenrechten. De recente revoltes in het Rifgebergte lichtten daarbij slechts een tipje van de sluier op. Zoals ook bevestigd door Human Rights Watch in hun jaarlijks rapport (World Report 2019), werden betogers er manu militari en zonder enige vorm van proces gearresteerd en vervolgens mishandeld.

Ook het gevangenisbeleid in Marokko laat niet veel aan de verbeelding over. Marokko werd in november 2016 nog door het Comité tegen Foltering van de Verenigde Naties (VN) veroordeeld omwille van de onmenselijke en vernederende behandeling van mensenrechtenactivist Enaâma Asfari in de gevangenis van Marrakesh. Ook Amnesty International blijft het notoire Marokkaanse gevangenisregime aankaarten: zo was Marokko één van de vijf voorbeeldlanden waarmee men wereldwijd het gebrek aan respect voor het VN-verdrag tegen Foltering in de schijnwerpers probeerde te plaatsen. Marokko werd zo op dezelfde hoogte geplaatst als Mexico, de Filippijnen, Nigeria en Oezbekistan. En dit is dan het land waarnaar België haar gevangenen wil verbannen?

Een voorstel in strijd met het VN-verdrag tegen Foltering

Marokko is, net zoals België en 154 andere Staten, gebonden door het VN-verdrag tegen Foltering. Dit verdrag legt een algemeen verbod op foltering op.

Indien België gevangenen naar Marokko zou sturen in de wetenschap dat zij daar gefolterd kunnen worden, schendt zij haar positieve verplichting onder artikel 3 EVRM en artikel 3(1) van het VN-verdrag tegen Foltering - ook wel gekend als het verbod op non-refoulement. Dat is een principe dat, sinds de Soedankwestie, haar plaats binnen het publieke debat heeft opgeëist. Dit verbod brengt met zich mee dat België zich moet onthouden een persoon uit te zetten naar een Staat waar deze het risico loopt om onderworpen te worden aan foltering of enige vorm van onmenselijke of vernederende behandeling. Indien België dit niet doet en toch beslist uit te wijzen, staat de deur open voor een reeks van aansprakelijkheden en schadeclaims waarvan de omvang makkelijk het prijskaartje van de bouw van nieuwe gevangenissen in België te boven kan gaan. Om dan nog maar te zwijgen over de schade aan de reputatie van België als grondlegger van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Wanneer dan door Sophie De Wit, Kamerlid voor N-VA en strafrechtadvocate, wordt geopperd 'dat België wel de regie in handen moet houden over het regime in de gevangenissen', gaan de wenkbrauwen automatisch fronsen. Wat met de soevereiniteit, de territoriale integriteit en de rechtsmacht van Marokko? Gevangenen in Marokko zullen namelijk onderworpen worden aan de Marokkaanse wetten en praktijken. Of gelooft men daadwerkelijk dat een Marokkaanse cipier een onderscheid zal maken in de behandeling van een in Marokko veroordeelde gevangene en één die in België werd veroordeeld maar die zijn straf uitzit in Marokko?

Minister van Justitie, Koen Geens (CD&V), nam kennis van dit voorstel en verwierp het. Het verontrustende hierbij is dat hij zijn verweer enkel baseerde op maatschappelijke (en vooral financiële) overwegingen, terwijl hij als minister van Justitie toch geacht mag worden meteen ook de - overduidelijk aanwezige - juridische bezwaren op te werpen.

Het contraproductief karakter van Belgische gevangenissen in het buitenland

Maar zelfs al zou men deze discussie louter vanuit maatschappelijk oogpunt benaderen, dan nog is een dergelijk voorstel volkomen onaanvaardbaar en zelfs contraproductief.

Straffen moeten namelijk nuttig zijn voor de samenleving. Is er geen nut, dan is er ook geen reden tot straffen. Daarom is één van de belangrijkste bestraffingsdoelstellingen het voorkomen van recidive. Vandaag de dag bestaat een groot deel van onze Belgische gevangenispopulatie immers uit mensen die reeds eerder veroordeeld werden. Zo blijkt uit cijfers van het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie dat op twintig jaar tijd maar liefst 57% van de veroordeelden een nieuwe veroordeling heeft opgelopen.

De grootste uitdaging voor het Belgische gevangenissenbeleid is dan ook ervoor zorgen dat daders op het rechte pad komen en geen nieuwe strafbare feiten plegen. Op dat vlak succes boeken doet de gevangenissen daadwerkelijk leeglopen. Het inzetten op re-integratie en geïndividualiseerde begeleiding vormt daartoe de sleutel. In die zin kan verwezen worden naar onze noorderburen die in 2007 al het plan 'Terugdringen Recidive' hebben opgestart. Eerder dan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid te ontlopen, sloegen alle betrokken actoren de handen in elkaar om op een allesomvattende en geïntegreerde wijze het recidiveprobleem, waaronder de strafuitvoering, aan te pakken.

Deze strategie blijkt succesvol: Nederland telt steeds minder gedetineerden en ook de recidivecijfers gaan in dalende lijn. In juni 2018 kondigden onze noorderburen zelfs aan maar liefst vier gevangenissen te sluiten wegens leegstand. Hun focus op de re-integratie en begeleiding van gedetineerden is natuurlijk niet de enige verklaring voor deze evolutie, maar heeft wel, zo blijkt uit een Nederlands onderzoek uit 2014, een essentiële rol gespeeld.

Het voorstel om gevangenissen in het buitenland te openen stelt net het tegenovergestelde voor. Eerder dan in te zetten op preventie, resocialisatie en een aangepaste reclassering, zet men in op het isoleren van gevangenen, op het vergroten van hun problemen en op het inperken van hun rechten. Zo houdt dergelijk voorstel geen rekening met het feit dat deze personen vaak geen enkele of amper nog een connectie hebben met het land waar hun voorouders ooit vandaan kwamen. Vaak spreken zij de lokale taal zelfs niet behoorlijk meer.

Eerder dan in te zetten op gevangenissen in verre landen en op die manier enkel de polarisering en de criminaliteit aan te wakkeren, zou de politiek moeten investeren in een betere reclassering en een echte strategie om recidive tegen te gaan.

Op een dergelijke manier kan er van een succesvolle reclassering evident geen sprake meer zijn. Zulks vereist namelijk dat gevangenen een reguliere job en inkomen verwerven en dat zij omringd worden door betrouwbare familieleden en kennissen die hen helpen om te weerstaan aan de verlokking van de criminaliteit. Voor Belgische gevangenen die ver weg in een, bijvoorbeeld, Marokkaanse gevangenis worden opgesloten, wordt een dergelijk reclasseringstraject echter volkomen illusoir.

Maar ook vanuit mensenrechtelijk perspectief zou een dergelijk 'outsourcen' van ons gevangeniswezen heel wat problemen met zich meebrengen. Hoe kan de gevangene in kwestie, bijvoorbeeld, nog overleggen met zijn Belgische raadsman? Verwacht men dat deze telkens het vliegtuig neemt indien zijn cliënt hem wil spreken? Hetzelfde pijnpunt gaat op voor de Belgische Strafuitvoeringsrechtbanken die bevoegd blijven voor deze gedetineerden: gaat men de Belgische strafuitvoeringsrechters en sociale diensten dan periodiek overvliegen naar het buitenland om hun werk uit te voeren?

Eerder dan in te zetten op gevangenissen in verre landen en op die manier enkel de polarisering en de criminaliteit aan te wakkeren, zou de politiek moeten investeren in een betere reclassering en een echte strategie om recidive tegen te gaan. In dat opzicht is het droevig vast te stellen dat België sinds 2005 al de Basiswet betreffende het gevangeniswezen kent waarin tal van oplossingen voor deze problemen werden opgenomen, maar dat deze regelgeving tot op vandaag volkomen dode letter blijft. Tijd misschien om daar eerst eens verandering in te brengen en voor eigen deur te vegen alvorens naar Marokko te kijken?