Zes juristen verbonden aan de UGent en de UHasselt alsook strafrechter op rust Walter De Smedt breken een lans voor de mensenrechten. Ons verkiezingsprogramma zou immers 33 'manifeste schendingen van de mensenrechten' inhouden. Helaas gaan ze daarbij voorbij aan de weerbarstige realiteit, die de Franse rechtshistoricus em. prof. Jean-Louis Harouel 'Les droits de l'homme contre le peuple' noemt ('De mensenrechten tegen het volk').

Onmiskenbaar zijn onze mensenrechten en grondwettelijk gewaarborgde vrijheden enerzijds een geweldige verwezenlijking, maar anderzijds zijn ze tegelijkertijd ook onze achilleshiel. Ik schrijf bewust 'onze' mensenrechten, omdat de universele aspiraties ervan niet kunnen verbloemen dat deze mensenrechten in het grootste deel van de wereld - denk in de eerste plaats aan Afrika en Azië - grotendeels of ronduit afwezig zijn, of botweg worden verworpen. Pas nog, in 1990, heeft een blok van 57 lidstaten van de Organisation of Islamic Cooperation (OIC) door middel van de 'Caïro-verklaring van de mensenrechten in de islam' gestipuleerd dat de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) ondergeschikt is aan de sharia (artikel 24 en 25).

Mensenrechten zijn geweldige verwezenlijking, maar tegelijk onze achilleshiel.

Het is dan ook geen toeval dat het overgrote deel van onze '33 manifeste schendingen van de mensenrechten' betrekking hebben op twee nauw verbonden politiek-ideologische thema's, namelijk immigratie en islam. Wat gebeurt er immers wanneer een open, vrije en tolerante samenleving zoals de onze wordt geconfronteerd, als gevolg van massa-immigratie en globalisering zowel in het binnenland als in het buitenland (denk aan Erdogan), met lieden, bewegingen of (religieuze) ideologieën die de term 'mensenrechten' niet eens kunnen spellen, of die er ronduit vijandig tegenover staan?

Hier is de veelgeciteerde paradox van de Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper aan de orde, namelijk dat een tolerante samenleving die tolerant wil blijven, intolerant moet kunnen zijn voor intolerantie en de intoleranten.

Onze vrije samenleving, onze democratische rechtsstaat met zijn scheiding der machten en van Kerk en Staat, is een bijzonder kwetsbaar evenwicht als resultaat van eeuwen strijd en dialectiek, en wordt geschraagd door burgers die een kostbaar sociocultureel weefsel van westerse en Europese mores belichamen. Door decennia van ongecontroleerde massa-immigratie, waardoor significante groepen moslims met diep ingebakken totalitair-islamitische opvattingen zijn toegetreden tot onze samenleving, wordt dit unieke bouwwerk volgens ons vandaag bedreigd en ondergraven.

De Nederlandse historica Machteld Allan stelt in dat verband, in een interview dat ik met haar afnam: 'Een rechtsstaat is alleen te handhaven in een fysieke gemeenschap die coherent is omdat ze een geschiedenis en cultuur deelt. Op het moment dat je alles per wet moet afdwingen en niets meer van nature gebeurt, is het voorbij. Dat je bijvoorbeeld op straat geen vrouwen lastigvalt, zou vanzelfsprekend moeten zijn en helemaal niet in een wet gevangen moeten worden. Die vanzelfsprekendheid kan er alleen maar zijn wanneer je een soort natuurlijke gemeenschap vormt op basis van gedeelde grond, een natie. De Britse conservatieve filosoof Roger Scruton schrijft dat heel mooi. Hij zegt dat als men nationalisme loslaat, men moet aanvaarden dat mensen andere soorten gemeenschappen gaan vormen, bijvoorbeeld op grond van ras of religie. Dan heb je een recept voor oorlog.'

Wie de islamitische wereld blijft binnenhalen, wordt volgens ons uiteindelijk zelf de islamitische wereld. Concreet: in West-Europa bestaan er vandaag al geïslamiseerde wijken, waar vrouwen uit het straatbeeld zijn verbannen en waar je je kan van afvragen of onze vrije samenleving er eigenlijk nog wel bestaat. Een ander voorbeeld: in koranscholen en moskeeën jagen islamleraren en imams tienduizenden moslimjongeren in onze samenleving angst aan met islamitische verhalen over onder meer 'martelingen in het graf'. Dat in zulke wijken, scholen en moskeeën de rechten van mensen massaal worden geschonden, met name die van vrouwen en kinderen, is volgens ons nogal evident. Echter, in de vele discussies die ik hierover heb gevoerd, ben ik nog nooit iemand tegengekomen die voor dit soort wijken, scholen en moskeeën een serieuze oplossing heeft. Tenzij we bepaalde mensenrechten en grondwettelijk verankerde (vrijheids)principes overboord gooien...

Dat is echter taboe: de mensenrechten en de grondwet zijn heilig verklaard, ook al verlammen ze ons en degraderen ze het Westen tot een sitting duck in het licht van de massale instroom van moslims, van het zogenaamde islamfundamentalisme, salafisme en jihadisme. Deze hyperhumanistische houding werd door de Poolse filosoof Leszek Kolakowski bekritiseerd in zijn essay 'Op zoek naar de barbaar. De illusies van een cultureel universalisme' (1980). Volgens hem verandert de lovenswaardige wens om geen barbaar te willen zijn op een bepaald moment in onverschilligheid of zelfs goedkeuring van barbarij. Hij stelt dat het grootmoedige universalisme, een westerse uitvinding, leidt tot zelfdestructie.

Onze conclusie: de ongebreidelde, niet-selectieve toepassing van onze principes van tolerantie, vrijheid en mensenrechten, geeft de islam een vrijgeleide, en bewerkstelligt zo de islamisering van onze samenleving.

Naar aanleiding van zijn televisieprogramma Allah in Europa stelde filosoof Jan Leyers in De Standaard dat hij moslims in Europa veel radicalere uitspraken heeft horen doen dan in de islamitische wereld: 'Dat komt natuurlijk doordat iedereen hier in Europa mag zeggen wat hij wil. In een islamitisch land ben je vrij om te zeggen wat in de lijn ligt van het regime, de vorst of de moefti. Maar waag het niet om daarvan af te wijken. Dat is het paradoxale: dankzij de vrijheid hier in Europa kunnen extreme tendensen binnen de islam tot uiting komen.' De Nederlands-Iraanse rechtsgeleerde Afshin Ellian wijst erop dat wederkerigheid 'het wezen van de tolerantie' is. Hij stelt dat waar de wederkerigheid niet bestaat, er geen sprake is van tolerantie maar van capitulatie.

En dus capituleren we. Want wanneer een imam zoals Nordin Taouil stelt dat 'mensen zich hier kleden zoals dieren' en dat 'wij maatregelen moeten treffen opdat een vrouw haar volledige lichaam zou bedekken, zodat er geen onreinheid bestaat', dan druist dat niet in tegen onze mensenrechten of grondwet. Zulke uitspraken en aansporingen vallen immers onder de vrijheid van godsdienst en van meningsuiting. Toch houden zulke volgens ons verwerpelijke islamitische uitingen onmiskenbaar het reële risico in dat heel wat moslims in onze wijken 'hun' dochters, vrouwen, tantes en nichten er via al dan niet subtiele dwang toe brengen zich islamitisch te bedekken en te gedragen. Wij zijn ervan overtuigd dat dit een van de manieren is waarop onze samenleving islamiseert, en dus onvrijer wordt.

In The Challenge of Dawa: Political Islam as Ideology and Movement and How to Counter It ('De uitdaging van dawa: politieke islam als ideologie en beweging en hoe het tegen te gaan'), analyseert Ayaan Hirsi Ali de 'dawa': het inspireren, indoctrineren, rekruteren, financieren en mobiliseren van moslims om de samenleving waarin ze leven te islamiseren en in te richten volgens de islamitische regels en wetten. Ze waarschuwt dat dawa vele malen gevaarlijker is dan de gewelddadige jihad, omdat het volledig binnen de krijtlijnen van de democratische rechtsstaat opereert, en gebruik maakt van de in het Westen gewaarborgde rechten en (religieuze) vrijheden. De dawa is volgens haar wat 'de lange mars door de instellingen was voor de marxisten van de twintigste eeuw', namelijk 'subversie van binnenuit - het misbruik van religieuze vrijheid om diezelfde vrijheid te ondermijnen'. Het beoogde eindstadium is wat de Gleichschaltung (gelijkschakeling) was voor de nationaalsocialisten, namelijk dat elk aspect van de samenleving is onderworpen aan de islam.

Naar aanleiding van het feit dat 'salafistische aanjagers met name kwetsbare groepen als kinderen en vluchtelingen in hun invloedssfeer proberen te krijgen' stelde de AIVD, de Nederlandse Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst, dat 'hoewel in de meeste gevallen de wet niet wordt overtreden, de activiteiten de democratische rechtsstaat wel ondermijnen'. De overheid, gebonden aan de mensenrechten en de grondwet, staat dus eigenlijk machteloos: onze open, vrije en tolerante cultuur, uniek in de wereld en in de geschiedenis, lijkt dus een vogel voor de islamitische kat.

In zijn boek 'Les droits de l'homme contre le peuple' laat de Franse rechtshistoricus em. prof. Jean-Louis Harouel zien dat de mensenrechten worden misbruikt om de nationale democratie en dus de wil van het volk te omzeilen. Ze verhinderen ons om een beleid te voeren dat onze niet-islamitische cultuur als superieur bestempelt en behandelt en wil behouden; ze weerhouden ons ervan om een Vlaming wezenlijk voorrang te geven op bijvoorbeeld een Somaliër. Harouel noemt mensenrechten een nieuwe seculiere religie, die de volkssoevereiniteit uitholt en wordt aangewend om massa-immigratie en de islam op te dringen...

In zijn opiniestuk besluit Walter De Smedt: 'Wie heeft er zin om in een land als Polen of Hongarije te wonen?' Een antwoord op die vraag kunnen we onder meer vinden bij Nederlanders die recent naar Hongarije migreerden. 'Ze kunnen zich niet meer verenigen met de immigratiestroom vanuit islamitische landen. In Hongarije wordt het Europa zoals we het kennen met zijn welvaart en normen en waarden behouden', zo klinkt het in het Algemeen Dagblad.

Met andere woorden: in Hongarije geen Molenbeken, geen salafistische Koranscholen en moskeeën en geen betonblokken of militairen rond kerstmarkten.

.