'Geen beter laboratorium voor onze arbeidsmarkt dan de voetbalwereld.' Het is een overtuiging die ik al uiteen zette in mijn college voor Universiteit van Vlaanderen. Pretparkgroep Plopsa lijkt die overtuiging te delen. Om haar vacatures ingevuld te krijgen, verleidt het potentiële nieuwe werknemers met een tekenpremie, net zoals voetbalclubs het al vele jaren doen om de beste voetballers binnen te rijven.

Mantra moet van "jobs, jobs, jobs" verschuiven naar "volk, volk, volk" om de vacatures in te vullen.

Sterk gespeeld van Plopsa. Niet enkel bracht hun maatregel gisterochtend reuzegrote foto's van Kabouter Plop en co in verschillende kranten, de groep positioneerde zich ook als een aantrekkelijke werkgever. Zowel op korte als op lange termijn lijkt Plopsa dus gescoord te hebben.

Bovenal staat het bericht voor mij evenwel symbool voor de grote arbeidsmarktkrapte in ons land. Dat wil zeggen: er zijn heel veel openstaande vacatures, maar de kandidaten om deze vacatures in te vullen zijn beperkt. In ons land bedraagt de vacaturegraad, dit is de proportie vacatures binnen alle (ingevulde en niet-ingevulde) banen, 3.6%. Dit bijna dubbel zo hoog dan het EU-gemiddelde (2.2%). Enkel Tsjechië heeft nog meer niet-ingevulde banen.

Volk, volk, volk

Dit geeft werknemers meer onderhandelingsmacht - de vraag om een tekenpremie zal er de komende maanden niet enkel in Plopsaland zijn. Er is echter ook een duidelijk ongunstige kant aan de grote krapte op onze arbeidsmarkt. Bedrijven zullen hun vacatures immers niet voor eeuwig en drie dagen laten openstaan. Wanneer ze er niet in slagen om hun vacatures in te vullen, kunnen ze er finaal voor opteren bepaalde uitbreidingen toch maar niet te doen, taken te automatiseren of activiteiten naar het buitenland te verplaatsen.

Deze problematiek stelt de toekomstige regeringen voor een duidelijke uitdaging. De mantra moet, minstens gedeeltelijk, van 'jobs, jobs, jobs' naar 'volk, volk, volk' om de vacatures in te vullen.

Ijsschots

Welke mensen moeten we dan richting de vacatures verleiden? Grosso modo werkt 7 op 10 Belgen tussen de 20 en 64 jaar. Dit is duidelijk minder dan in Nederland en Duitsland, waar dit ongeveer 8 op 10 is. De ruimte om meer mensen naar de arbeidsmarkt te krijgen, is er dus zeker. De 30% die niet werkt, kunnen we opdelen in twee categorieën. Werklozen en inactieven. Werklozen zijn op zoek naar een baan, inactieven niet. Hoewel het beleid heel erg focust op werklozen, maken zij slechts 4 van die 30% die niet werkt uit, terwijl de inactieven goed zijn voor de overige 26%. Daar waar de werkloosheid de afgelopen jaren sterk afnam, was dit voor de inactiviteit niet het geval. Het is daar dat we het echte verschil met het buitenland maken. In Nederland bedraagt het percentage inactieven slechts 18%, in Duitsland slechts 17%. Zelfs Vlaanderen zit qua percentage inactieven licht boven het Europese gemiddelde!

Ik vergelijk het graag met een ijsschots: we staren ons blind op het topje dat boven water zit, de werklozen, maar vergeten de ijsmassa onder water met inactieven. Dat moeten onze volgende regeringen veel beter doen. Zij zullen de ijsschots moeten laten smelten om zo - enigszins oneerbiedwaardig uitgedrukt - de vijver waaruit werkgevers kunnen vissen vergroten.

Regisseur

Momenteel focust de VDAB in Vlaanderen (en haar Brusselse en Waalse evenknieën Actiris en Forem) heel sterk op de activering van werklozen terwijl de activering van inactieven gebeurt door andere instanties. Zo kunnen de Vlaamse OCMW's proberen ook leefloners te activeren. De mate waarin dat gebeurt, hangt af van het ambitieniveau en de capaciteit op gemeentelijk niveau. Niemand voelt echter het ownership van de activering van inactieven, niemand behoudt het volledige overzicht.

Een logische maatregel om de latente arbeidsreserve aan inactieven 'boven water de brengen', zou er dan ook kunnen in bestaan de VDAB (of een andere instantie) alle niet-werkenden, dus zowel werklozen als inactieven, te laten monitoren. Eén centrale regisseur op onze arbeidsmarkt dus. Dat betekent niet dat deze instantie meteen ook alle activeringstaken (zoals opleidingen) voor inactieven moet overnemen, maar wel dat ze kan fungeren als een 'front desk', die ervoor zorgt dat iedereen die naar de arbeidsmarkt kan gebracht worden daar ook daadwerkelijk toe gestimuleerd wordt.

Daarnaast dient de centrale arbeidsmarktregisseur in het bijzonder de OCMW's beter te ondersteunen bij hun activeringsactiviteiten, door best practices nog beter te ontsluiten en samenwerkingsverbanden tussen OCMW's van kleinere, naburige gemeenten nog beter te faciliteren. Ook lijkt het wenselijk dat op het Vlaamse niveau een versterkt incentivesysteem wordt uitgewerkt waarbij OCMW's - en bij uitbreiding gemeenten - die erin slagen meer leefloners terug naar duurzame arbeid te krijgen daarvoor financieel beloond worden. Op die manier kan ook het verschillende ambitieniveau tussen de gemeenten geharmoniseerd - en globaal verhoogd - worden.

Benieuwd wat onze kandidaat-volksvertegenwoordigers vinden van dit idee. En wat eventueel hun alternatieven zijn om 'volk, volk, volk' waar te maken. Want dat de openstaande vacatures geen gemiste kansen mogen worden, daar zijn we het toch over eens?

Stijn Baert is professor arbeidseconomie aan de Universiteit Gent