Schrijfster Maja Wolny: ‘Ik ben erg geboeid door de nog niet-ontdekte hersenfuncties’

Maja Wolny: ’Mijn lichaam mag mijn geest niet dicteren.' © Carmen De Vos
Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Ze weet alles af van geneeskrachtige planten en paddenstoelen, leeft met de doden, baadt graag in ijskoude meren en gaat zo nu en dan in de kelder zitten. Maar het liefst is schrijfster Maja Wolny onderweg naar een verre bestemming. ‘De val van de Muur gaf me wind en snelheid mee.’

Al van kinds af heeft Maja Wolny een bijzondere band met de zee. Ze zag hem voor het eerst toen ze twee was, na een rit van veertien uur in een Fiat 126 vanuit haar geboortestad Kielce in het zuiden van Polen. Een bedevaart was het, om een snelle genezing van alle zieke vrouwen in de familie – Maja incluis – af te smeken. Om de Oostzee te zien moest ze na die lange autorit nog een trapje opklimmen. Boven kreeg ze dan eindelijk, in een oogopslag, het overweldigende panorama voorgeschoteld. ‘Het verlangen op dat trapje was evenveel waard als de vervulling ervan, en dat gevoel heb ik altijd bij me gehouden.’

Veertig jaar later heeft Wolny al vele levens geleefd. Ze is journaliste geweest, columniste, boekhandelaar en museumdirecteur. Sinds kort is ze voltijds schrijfster. Haar laatste boek, De trein naar Tibet, verkoopt verrassend goed.

Samen met haar man, VRT-correspondent Marc Peirs, en hun twee kinderen woont ze afwisselend in België en Polen. Maar nog altijd is de hang naar de zee groot. ‘Ik voel gewoon dat de zee veel krachten in zich heeft die we nog niet kennen’, zegt ze. ‘Ik bekijk het intuïtief, maar de zee speelt in het leven van ons allemaal een veel grotere rol dan we denken. Iedereen staat in relatie met de zee.’

Wolny woont in Koksijde en stapt er elke dag door de duinen en over het strand. Het liefst wandelt ze tot over de grens met Frankrijk, naar Bray-Dunes.

Even in een ander land vertoeven, is voor haar het hoogste goed.

U hebt een nomadische ziel. Hoe voelt dat?

MAJA WOLNY: Ik ben altijd al aangetrokken door grenzen. In een paar uur tijd kan ik, op mijn twee voeten, van het ene land naar het andere stappen. Naar een andere taal, een andere cultuur, andere prijskaartjes, andere mensen, een andere wereld. Ik vind dat fenomenaal. Grenssituaties zijn altijd spannend, zelfs een onbewaakte grens als die tussen België en Frankrijk. Je voelt en ziet gewoon de verschillen, ze zijn er erg tastbaar. Dat gevoel probeer ik zo veel mogelijk op te zoeken.

In uw laatste boek, een verslag van uw treinreis naar Tibet, citeert u Alain de Botton, die in zijn essay De kunst van het reizen schreef: ‘Mijn lichaam en geest bleken nukkige handlangers te zijn bij de missie om mijn bestemming te waarderen. Het lichaam had problemen met slapen, klaagde over hitte, de vliegen en de moeilijk te verteren hotelmaaltijden. De geest bleek ondertussen een neiging te hebben tot onrust, verveling, onbestemd verdriet en financiële zorgen.’ Hoe zit dat bij u?

WOLNY: (lacht) Ik ken dat citaat vanbuiten, omdat het zo eerlijk en herkenbaar is. Reizen verloopt telkens op dezelfde manier, we moeten daarover niet liegen: je romantiseert je bestemming, je denkt aan de ongelooflijke belevenissen die je zult meemaken en aan de overweldigende landschappen die je zult zien. Maar in de praktijk heeft je lichaam steeds een antwoord klaar op je geest. Ik ben altijd jaloers op mensen die met een nomadisch lichaam geboren zijn. In De rustelozen, het fantastische boek van Olga Tokarczuk, is het hoofdpersonage gebouwd voor een nomadisch leven: sterke tanden, kort haar, stevige benen. Ze kan dagen zonder eten en wordt nooit moe. Alain de Botton en ik, en met ons duizenden anderen, hebben dat helaas niet.

Ik zeg soms lachend dat ik van wegwerpmaterialen ben gemaakt. Eind jaren zeventig waren het crisistijden, het geld was op toen ze mij maakten.

U hebt geen nomadisch lichaam?

WOLNY: Ik zeg soms lachend dat ik van wegwerpmaterialen ben gemaakt. Eind jaren zeventig waren het crisistijden, het geld was op toen ze mij maakten. (lacht) Ik heb altijd van alles, ik sleur altijd van alles mee. Het houdt me niet tegen om veel te ondernemen, ik geef het niet zomaar op, maar het kost me enorm veel moeite en ik moet van alles bedenken om het gemakkelijker te maken. Melatonine slikken om te kunnen slapen in een slaaptrein bijvoorbeeld. Eigenlijk ben ik helemaal niet gemaakt om dit soort avonturen aan te gaan, maar toch doe ik het. Ik wil mijn lichaam mijn geest niet laten dicteren.

© Carmen De vos

Maar uw lichaam staat uw geest wel degelijk dikwijls in de weg?

WOLNY: O ja, en ik vind het ook eerlijk om daarover te vertellen. Het lichaam liegt niet, het wil ook iets zeggen, namelijk: ‘rothotel, slecht eten, keer gewoon terug naar huis’. Ik wil die signalen niet negeren. Maar ik wil de weerstand wel zo ver mogelijk rekken, om uit mijn comfortzone te komen. De mens is van nature nogal lui, we komen niet zo gemakkelijk in beweging. Net daarom zoek ik zo graag de lichamelijke ongemakken op. Als we de verhouding tussen lichaam en geest niet een beetje opspannen, gebeurt er weinig en blijven we in onze zetel zitten.

Is het voor u, als grensganger, altijd even duidelijk waar de grens tussen lichaam en geest zich bevindt?

WOLNY: Ik ben een enorme aanhanger van Plato, ik geloof sterk in een onafhankelijk bestaan van het geestelijke. Ik zie mezelf als een spiritueel persoon. Ik heb weinig begrip voor het pure materialisme, dat maakt me altijd triest, omdat materie sterfelijk is. Wanneer iemand de mens definieert als een keten van DNA, een verzameling van proteïnes, word ik telkens droevig. Dan verander ik bijna in een platonische missionaris, die vol vuur wijst op het belang van de geest. (lacht)

Van mezelf vind ik dat ik een sterk contact heb met immateriële, onzichtbare zaken. Emoties zou je kunnen zeggen, maar het gaat verder. Op een niet-wetenschappelijke manier ben ik erg geboeid door de paar procent nog niet-ontdekte hersenfuncties. Ik voel daar een grote, nog onbekende spirituele wereld, een wereld vol energie, het zijn de onbewoonde eilanden van vandaag. We hebben de wereld ontdekt, maar ondanks al het wetenschappelijke onderzoek is er in deze wereld van de geest nog veel terra incognita. Net zoals de ontdekkingsreizigers van de vijftiende en zestiende eeuw heb ik de zekerheid dat er daar iets is. Monsters, zeemeerminnen, ik weet niet wat, binnen tweehonderd, driehonderd jaar zal dat al wel duidelijker zijn. Dat een trauma zich ook op genetisch niveau kan uitdrukken, bijvoorbeeld, weten we pas sinds tien jaar. Uit onderzoek van nakomelingen van Holocaustoverlevers bleek dat hun DNA lichtjes was veranderd. Fenomenaal toch? Dat soort verbindingen tussen lichaam en geest zullen meer en meer in kaart gebracht worden. Ook omdat we zo veel teleurstellingen ervaren in de klassieke geneeskundige methoden.

Hoe gaat u in uw dagelijkse leven op zoek naar die onbekende gebieden in de geest?

WOLNY: Meestal overkomt het me. Op zeer gewone momenten, niet in rare visioenen of zo. In ontmoetingen met mensen die je lang geleden al eens lijkt te hebben ontmoet, of woorden die je lang geleden al eens lijkt te hebben gehoord. Een grote gevoeligheid voor het diepere ritme van het leven, voor de eeuwige herhaling van de dingen, voor de muziek van ons bestaan, zo zou je het kunnen omschrijven. Ik geloof bovendien dat onze dromen ons veel vertellen, en net als veel mensen in het Oosten leef ik met de doden. Onze overleden dierbaren blijven ons gezelschap houden. Mijn opa, die overleden is toen ik negentien was, heeft na zijn dood al een en ander voor me geregeld, voel ik. Kleine, praktische dingen, maar soms ook moeilijke zaken. Kun je dat anders verklaren? Waarschijnlijk wel. Maar ik geloof in de samenhang tussen doden en levenden, het draagt bij tot een orde die ik geruststellend vind. Misschien klinkt dit raar, maar vroeger geloofden we in West-Europa toch ook dat weeskinderen bescherming genoten? Het kwam vaak voor in sprookjes of volksverhalen. Nu is de samenleving zo gerationaliseerd dat dat volksgeloof wordt weggelachen.

Vindt u dat de westerse samenleving te rationeel is geworden?

WOLNY: Ja, natuurlijk. Dat merk je bij alle crisissen. Als alles goed gaat, hoeven we ons niet te veel vragen te stellen. Maar bij elke vorm van crisis merk je onmiddellijk dat de antwoorden erg rationeel zijn. Waardoor het bijna mechanisch wordt, kwetsend vaak. Gelukkig zijn er ook westerse landen, zeer rationele landen zoals Zweden, een buurland van Polen waar ik veel vrienden heb, waar de meeste mensen een goed contact met de natuur hebben. Hun rationele denken is nog bijna een boerenverstand, heel dicht bij de aarde, ze weten daar dat contact met de natuur essentieel is voor de mens. Ik zeg maar wat: tijdens de coronacrisis mocht je in veel landen – behalve in Zweden – maar een halfuur of een uur per dag buiten wandelen. Als we daar nu naar terugkijken, hoe absurd was dat niet? Typisch een idee van een rationele geest. De integrale wijsheid die we ooit hadden, van lichaam én geest, zijn we verloren. Anders hadden we zo’n maatregel nooit bedacht. Geneeskrachtige planten of paddenstoelen, nog zoiets. Ooit gaf ik daar een les over in de school van mijn dochter hier in België en iedereen vond het zo bijzonder dat ik dat allemaal wist. In Oost-Europa is dat niets bijzonders, daar weet bij wijze van spreken iedereen welke planten je wel of niet mag eten. De natuur is een tempel van contemplatie, als we die helft van onszelf niet verzorgen, gaan we dood als mens.

Ondanks al het wetenschappelijke onderzoek is er in de wereld van de geest nog veel terra incognita. Het zijn de onbewoonde eilanden van vandaag.

U gelooft dat onze dromen ons veel vertellen, zei u zojuist. Ik las dat dromen in uw jeugd verboden waren?

WOLNY: Schaarste was de norm, ook in de verbeelding van de mensen. Ik ben opgegroeid in de jaren tachtig in een communistisch land, het was afschuwelijk. Ik droomde van roze potloden, maar die kleur was niet beschikbaar. Als mijn ouders op vakantie wilden, kregen ze aan de telefoon te horen waar ze naartoe moesten. Een leven had weinig ingrediënten. Het modewoord ‘keuzestress’ bestond niet. (lacht) Het was somber, er hing ook de hele tijd een oorlogsdreiging in de lucht.

U was ook nog eens vaak ziek.

WOLNY: Ik had een rare immuniteitsziekte, die nu een mooie naam heeft: klierkoorts. Ik was constant ziek en niemand wist wat me mankeerde. Toen was die aandoening nog weinig bekend, zeker in Polen. Via de kerk kregen mijn ouders af en toe medicijnen uit het Westen, schenkingen. Maar ik moest de hele tijd thuisblijven, want van het minste contact met een ander kind werd ik opnieuw ziek. Daarna is gebleken dat ik ook veel allergieën had. Maar later zijn die vanzelf minder geworden, net op tijd, want ik heb de energie die toen in de lucht hing, nog net kunnen opvangen. Ik ben opgegroeid in een veranderend Europa. Meteen na mijn eerste buitenlandse reis, naar de DDR, viel de Muur en begon Europa te schudden en veranderen, een echte wind of change. Per autostop en met veel te weinig geld ben ik meteen heel Europa rondgetrokken. Ik wist goed wat ik niet wilde en welke richting ik wel uit wilde, dat gaf me wind en snelheid mee. Sindsdien ben ik niet meer gestopt.

Hoe verzorgt u uw lichaam nu?

WOLNY: Ik wandel veel en ik doe al twee jaar aan ijsberen. Dat helpt me enorm. Ik ben begonnen met een minuut, nu kan ik al vijftien minuten in het ijskoude water blijven. Bij min vijftien, wanneer het ijs nog maar pas is gebroken, in het meer stappen is telkens een shock. Maar de sleutel is ademhaling, zoals zo vaak in het leven. Als je dat onthoudt, ben je in een paar seconden aangepast en komen er krachten vrij waarvan je niet wist dat je ze in je had. In de sauna heb ik dat soms ook. En daarnaast probeer ik twee keer per jaar een paar weken aan een stuk te vasten. Dan eet ik erg weinig, en alleen maar groenten en fruit, om mijn lichaam weer te reinigen. Onze voorouders deden het ook al. Uit noodzaak, omdat er geen eten meer was, of religieus gemotiveerd. En hoe ouder ik word, hoe meer ik met mijn lichaam bezig ben. Het is zwaar werk, als je het goed wilt doen. Vier keer per week doe ik daarnaast allerlei krachtoefeningen. Iemand heeft me bang gemaakt: als ik het nu niet doe, zal ik straks alleen maar achteruitgaan. Ik neem het dus zeer ernstig. (lacht)

En hoe reinigt u uw geest?

WOLNY: Met stiltedosissen. Ik hou enorm van stilte, ik zoek het op, ik moet uren per dag stilte hebben. Anders krijg ik het lastig. Ik heb een soort creatieve ADHD, ik heb constant ideeën. Heel fijn, maar ook vermoeiend. Ik moet dus af en toe op de pauzeknop drukken. Dan leg ik mijn telefoon aan de kant en ga ik in het bos wandelen of, als dat niet lukt, in de kelder zitten. Daar is het ook heerlijk stil. (lacht)

Welk beeld hebt u van het leven na de dood?

WOLNY: Geen concreet beeld, ik kan het niet tekenen, met paleizen of engelen. Maar ik geloof wel in een vorm van geestelijke aanwezigheid na de dood, in het beste geval een integratie met de materiële wereld. Dit leven is vooral een bron van afzien. We zijn nooit geheel, er is altijd een verlangen, een ontevredenheid, een pijn, zelfs tijdens de topmomenten van ons leven. Na de dood houdt dat op. Dan worden we hopelijk volledig, één met de rest van de wereld, zonder ontevredenheid over wie je bent of hoe je bent. Dat soort tijdeloze toekomst beeld ik me in als ik nadenk over het leven na de dood.

Wat is voor u de zin van het leven?

WOLNY: Met liefde en vreugde naar mijn levensmissie zoeken. Als ik ze niet vind, heb ik toch al liefde en vreugde gehad en was dat net de zin van mijn leven.

Maja Wolny

– is 45 jaar

– groeide op in Kielce, in het zuiden van Polen

– studeerde talen en journalistiek en was vier jaar lang literair journaliste voor het Poolse weekblad Polityka

– opende in 2004 in Gent de boekwinkel Post Viadrina

– was tussen 2006 en 2009 docente aan de Artevelde Hogeschool

– was van 2012 tot 2017conservator van het Visserijmuseum in Oostduinkerke

– woont afwisselend in Koksijde en Polen

– schreef de voorbije jaren verschillende romans en bracht met De trein naar Tibet in mei dit jaar haar eerste non-fictieboek uit

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content