Muzikante Sofie Vanden Eynde: ‘Ik heb het idee van leegte, van braakliggende grond nodig’

‘Mijn lichaam is niet langer een staander die een instrument ondersteunt, het is nu een boom die meedeint in de wind.’ © CARMEN DE VOS
Tine Hens
Tine Hens Journaliste voor Knack
Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

 

Als luitiste zoekt Sofie Vanden Eynde naar wat de luit kan betekenen in een wereld die ze ‘snel, veel, luid en sterk’ noemt. Maar al die jaren van leven in het teken van haar instrument putten haar ook uit. ‘Ik dacht dat mijn hart zou stoppen met kloppen.’

Elke week vraagt Knack aan ondernemende mensen hoe ze lijf en psyche in balans houden.

‘Jarenlang was ik een kopvoeter. Een hoofd als een luchtballon, en daaronder bengelde nog iets’, vertelt luitiste Sofie Vanden Eynde. Haar appartement in een gerenoveerd bedrijfspand in Molenbeek is een eiland van rust in de stad. Voorbij de voordeur verkruimelt het getoeter en geraas van de straat langzaam tot ruis. ‘Ik kocht het net na de aanslagen in 2016. Niemand wilde nog in Molenbeek wonen.’ Tegenbewegingen: Vanden Eynde houdt er wel van. Niet voor niets maakte ze van de luit haar instrument. Een luit vergt tijd, concentratie, overgave. ‘Een luit bespelen is de zwaartekracht haar werk laten doen’, legt ze uit. ‘Hoe meer ontspannen ik fysiek ben, hoe beter mijn luit klinkt. Het is een goede barometer voor hoe het met me gaat.’ Ze glimlacht. ‘Wat niet betekent dat je ernaar luistert. Dat heb ik de voorbije jaren wél geleerd. De muur waar ik tegenaan botste, de burn-out die me lamsloeg, heeft me weer in contact gebracht met mijn lichaam. Wandelen, aikido, Feldenkrais – ook een soort lichaamstherapie – hebben me doen herleven.’

Je lichaam kent je minstens zo goed als je hoofd. Met dit verschil: een lichaam liegt niet.

In oktober 2016, niet lang nadat ze verhuisd was, kreeg Vanden Eynde het van de ene dag op de andere ijzig koud. ‘Alsof de verwarming in mijn lichaam uitviel. Maar ik had een drukke agenda, ik had optredens, mijn eigen ensemble, ik gaf les. Mijn geest registreerde die diepe kilte in mijn lichaam, maar reageerde er niet op. Of toch. Ik kocht wat extra kleren.’

Het was een eerste signaal dat er iets scheelde. Nog eens zes weken later ging ze naar de dokter met de gortdroge mededeling: ‘Ik denk dat mijn hart ieder moment kan ophouden met slaan.’

De uitputting was totaal?

Sofie Vanden Eynde: Ik stond aan de rand van de afgrond, ja, maar ik voelde daar geen enkele emotie bij. Het was een fait divers. Daarmee heb ik nadien meer geworsteld dan met de burn-out zelf. Hoe was het mogelijk dat ik het zo ver had laten komen, dat ik mezelf in een toestand had gebracht waarin het leven futiel leek? Ik was apathisch, deed wat ik moest doen, mijn lichaam was als een machine, het zat in overlevingsmodus. Als ik later de concerten beluisterde die ik in die periode toch nog had gegeven, kreeg ik het benauwd. Dat was ik niet, het klonk zo afstandelijk en onderkoeld.

Sliep u nog?

Vanden Eynde: Amper. Ik werkte zeven dagen op zeven, vaak tot middernacht. Ik leefde op adrenaline. Zeker de laatste maanden. Pas toen de dokter zei: ‘Je komt hier al twintig jaar. Ik heb je nog nooit zo gezien, je moet dit ernstig nemen’, ben ik beginnen te slapen. Alsof ik de toelating kreeg om voor mezelf te zorgen. Ik ben mijn arts ook heel dankbaar dat hij me op mijn eigen ritme heeft laten stilvallen. Ik heb er drie maanden over gedaan om los te laten en mijn luit aan de kant te zetten. Mijn luit was al zo lang mijn leven, ik identificeerde me daarmee. Wie was ik zonder mijn instrument?

De luit is uw leven en uw passie. Wringt het dat ze u ook tot de rand van de afgrond heeft gebracht?

Vanden Eynde: Het is een knoop. Oefenen op mijn luit is nog altijd het mooiste moment van mijn dag. Het is als een eiland dat je zelf creëert. Door het intense lichamelijke contact dat je hebt met het instrument geeft het op zich al een troostend gevoel. Maar nog meer hou ik van het ritueel errond. Er is de concentratie die je opbouwt, de tijd die je neemt om het instrument te stemmen, dat alles brengt je in een bepaalde toestand. Maar ik heb evengoed een haat-liefderelatie met mijn instrument. Soms drijft het me tot waanzin omdat de luit me natuurlijk ook in een bepaald levensritme heeft gedwongen. Ik heb tien jaar muziek gestudeerd, daarna bouw je een carrière op, je wordt op een bepaalde manier bekend, je wordt gevraagd. En bij iedere vraag heb je een keuze, maar omdat ik heel veel zaken interessant vindt, zeg ik makkelijk vol overgave ‘ja’. Alles begint klein – concerten, lesgeven, mijn eigen ensemble – maar alles groeit en op een bepaald moment worden de afzonderlijke delen zo groot dat de combinatie ondoenbaar wordt. Maar je gaat door, want je bent je droom aan het realiseren. Achteraf gezien negeerde ik alle mogelijke signalen, of ik nam ze erbij omdat ik dacht het er nu eenmaal bij hoorde. Geen enkel instrument is bijvoorbeeld gezond voor het lichaam. Mijn schouders en nek hadden zich rond mijn luit gezet en deden al jaren pijn. Fysiek zat ik vast, ook al merkte ik dat niet. Voor de elasticiteit van je geest is dat niet optimaal.

© CARMEN DE VOS

Het klinkt alsof de band tussen uw lichaam en uw geest was doorgeknipt?

Vanden Eynde: Helemaal. Ik heb weinig boeken over burn-out gelezen – ook omdat ik een tijd gewoon niet kon lezen, de spieren rond mijn ogen wilden niet mee –, maar het boek De herontdekking van mijn lichaam van Bregje Hofstede was erg verhelderend. Meer dan therapie heeft lichaamsbeweging me uit mijn burn-out gehaald. Elke dag wandelde ik. In het begin soms maar tien minuten, later heb ik de groene wandeling rond Brussel afgewerkt. Omdat ik zo veel pijn had, ben ik met Feldenkrais begonnen, aan soort bewegingsleer waarbij je je lichaam leert te observeren. Als kopmens luisterde ik daar niet naar, dus ik moest leren dat mijn lichaam me zaken vertelt die je beter niet opzijschuift. Als je hoofdpijn hebt omdat je moe bent, is het niet zo zinvol jezelf een ijzeren discipline op te leggen. Je lichaam kent je minstens zo goed als je hoofd. Met dit verschil: een lichaam liegt niet.

U maakte een concert, een luisterspel en een boek over uw burn-out, allemaal onder de titel Verdwijntijd. Hebt u dat nodig, soms verdwijnen en u afsluiten van de wereld om u heen?

Vanden Eynde: De voortdurende bereikbaarheid en aanwezigheid vind ik ontzettend zwaar. Om sociaal te zijn, moet ik alleen kunnen zijn. Het heeft te maken met de intensiteit waarmee ik leef. Ooit heb ik een artikel gelezen over de hersenactiviteit van muzikanten. Zelfs als ze hun tanden poetsen, lichten hun hersenen meer op dan bij niet-muzikanten. Door intenser te leven, ben je sneller moe en heb je vaker momenten van stilstand nodig. Vroeger waren die makkelijker af te dwingen. Op een internationale trein, van stad A naar stad B, onttrok je je tijdelijk aan het bestaan. Nu, met de smartphone en overal internet, is de tijd op de trein bureautijd geworden. Ik werk mijn administratie bij of doe computerwerk. Maar ik probeer nog altijd op gezette tijdstippen bewust te verdwijnen van de wereld. Een avond vrij noem ik verdwijntijd. Het betekent niet dat ik niets doe – meestal speel ik dan luit – maar ik heb het idee van leegte, van braakliggende grond nodig.

Kost het moeite om dat af te dwingen? Anders gezegd: hoe moeilijk is het om uzelf toe te staan nu en dan te verdwijnen?

Vanden Eynde: Mijn geluk is dat ik die leegte en dat verdwijnen kan inbouwen in mijn leven. Een vriendin zei tijdens mijn burn-out: ‘Voor jou is het makkelijk. Jij hebt geen kinderen.’ Dat klopt. Ik kon zes maanden lang veertien uur per dag slapen. Ik hoefde voor niemand op te staan. De keerzijde van de medaille was dat ik voor niemand hoefde op te staan. Tenzij voor mezelf.

Bent u te streng voor uzelf?

Vanden Eynde: Ik draag natuurlijk een zeker perfectionisme met me mee. Ik ben relatief laat met luit begonnen. Op mijn negende twijfelde ik tussen gitaar en piano en koos ik voor gitaar. Maar ik had weinig met hedendaagse composities voor gitaar en greep liever naar oude muziek die oorspronkelijk voor luit geschreven was. Aan het conservatorium studeerde ik nog altijd gitaar, ook al gruwde ik van gitaarconcerten. In mijn derde jaar hakte ik de knoop door. Zodra ik de keuze voor luit had gemaakt, was ik daar behoorlijk extreem in. Ik speelde luit en ik zwom. Dat was het. Zeven uur per dag oefenen op mijn instrument, honderd baantjes per dag zwemmen. Ik heb er tijdens mijn burn-out veel over nagedacht, waar die neiging vandaan komt. Het heeft ermee te maken dat ik moeilijk kan vertrouwen op opgebouwde vaardigheden. Ook al heb ik een programma al een paar keer gespeeld, altijd heb ik het gevoel dat ik van nul moet beginnen. Oefenen is een manier om controle te ervaren. Als ik oefen, weet ik dat ik het nog kan. Als ik niet speel, sluipt de onzekerheid binnen. Wat als ik verleerd ben wat ik gisteren nog kon? Ondertussen kan ik daar beter mee omgaan.

Dat klinkt als het imposter syndrome.

Vanden Eynde: Dat is me inderdaad niet onbekend.

Is het een gevecht dat u voert met uw eigen hoofd en geest?

Vanden Eynde: Ik oefen mezelf in leven. Doordat ik een instrument heb leren bespelen, beschouw ik veel in het leven als iets wat je kunt leren. Of het nu handelingen zijn, een manier van zitten, of je zelfbeeld. Ik ben nu 43 jaar, ik ben op mijn negende met muziek begonnen en nog dagelijks ondervind ik dat oefenen resultaat geeft. Dat heeft mijn geest ook geconditioneerd. Als je je in een toestand bevindt die maanden onveranderd blijft, dan is het moeilijk om erop te vertrouwen dat het op een dag beter zal zijn. Dankzij de luit heb ik geleerd dat het altijd mogelijk is.

Om sociaal te zijn, moet ik alleen kunnen zijn.

De luit is een meditatief instrument. Voelt u zich soms verdwijnen van de wereld terwijl u speelt?

Vanden Eynde: Ja, door de luit mijn instrument te maken, heb ik me getraind in ontsnappen. Het is magisch om dat samen met een publiek te doen. Er is veel lawaai in de wereld, voor de luit is de stilte belangrijk en we zijn niet meer gewend om stilte te ontvangen. In het begin van een concert voel ik hoe het publiek de oren moet richten, het kost moeite om het instrument te beluisteren omdat het op een ander sonoor niveau zit dan de meeste dingen die we dagelijks doen. Er hoort een bepaalde concentratie bij. Als je dat punt bereikt, lijkt het alsof je met het publiek even naar een parallelle wereld reist. Prachtig is dat.

Is het dat wat u aantrok in de luit?

Vanden Eynde: Ik was altijd al geïntrigeerd door dat idee van andere en parallelle werelden. Daarom hou ik bijvoorbeeld ook zo van Japanse literatuur. Hedendaagse muziek confronteerde me toen ik jong was te veel met wat ik dagelijks al op straat zag. Het had altijd iets dystopisch, terwijl renaissance- en barokmuziek idealistischer zijn. Daarin ging het over de perfecte harmonie, of op z’n minst de zoektocht ernaar, en het was aan de muzikant om die perfecte harmonie te laten weerklinken op aarde. Het is muziek die ons wegtrekt van het hier en nu. Voor mij was het bijna een vorm van escapisme. Al moet ik zeggen dat ik veel later, eigenlijk sinds de aanslagen in Brussel, meer de behoefte ging voelen om met mijn muziek iets te brengen wat verder gaat dan ontsnappen aan de dagelijkse realiteit.

Wat dan?

Vanden Eynde: Ik zoek heel erg naar wat we van de luit kunnen leren in een maatschappij die heel luid en sterk en snel en veel is. Er is veel ongevraagd en opdringerig lawaai. Ik ben degene die op de trein aan mensen vraagt oortjes in te doen als ze op hun smartphone naar een schreeuwerig filmpje kijken. Ik ben ook degene die daardoor wordt uitgescholden. Dat stemt me oprecht verdrietig.

Hebt u een begin van een antwoord op die vraag? Wat kan de luit ons leren in een samenleving waarin we niet alleen zwerfafval, maar ook zwerflawaai hebben?

Vanden Eynde: Misschien een herwaardering van de melancholie? In de middeleeuwen en zeker in de renaissance was de luit het instrument dat de melancholie kon helen. De Italiaanse filosoof Marsilio Ficino schreef: ‘Als ik in een melancholische bui ben, is luitspelen het enige wat helpt.’ We verwarren melancholie tegenwoordig nogal makkelijk met depressie, maar het zou ons collectief deugd doen te erkennen dat melancholie een wezenlijk onderdeel is van het mens-zijn. Aristoteles zei dat alle filosofen, redenaars, denkers, poëten, kunstenaars melancholici zijn. John Dowland, een van de meest emblematische componisten voor de luit uit de zestiende en zeventiende eeuw, omschreef zichzelf als iemand die permanent leed. Semper Dowland, semper dolens was zijn motto. Maar hij was ook lid van een soort geheim genootschap, The Schoole of Night, waar men het had over inspired melancholy. Om tot inspiratie te komen, moest je langs en door die melancholie. Het licht heeft donkerte nodig, net zoals zaadjes ontkiemen in de duisternis van de aarde.

Zou u uzelf omschrijven als melancholisch?

Vanden Eynde: Ja, maar het haalt me niet neer. Ik zal niet beweren dat ik de melancholie omarm, ik ben niet blij als ik neerslachtig ben. Maar ik ga er wel door, ik schuif het niet snel snel aan de kant. Melancholie houdt in dat je streeft naar een soort ideaalbeeld waarvan je weet dat het onhaalbaar is. De luit sluit daar perfect bij aan. Het is een tokkelinstrument. Als je een snaar bespeelt, sterft de klank uit. Ons grootste werk bestaat erin op zo’n manier te spelen waardoor het lijkt alsof de ene noot vloeiend overgaat in de andere en de muziek een continuüm is. We zijn constant bezig iets te realiseren wat fysiek onmogelijk is. Maar door jouw voorstellingsvermogen te gebruiken en dat van de persoon die naar jou luistert, wek je de indruk dat je de natuurkrachten overwint.

Tot slot: heeft uw burn-out uw relatie met uw lichaam herschreven?

Vanden Eynde: Ik zal niet beweren dat ik mijn lichaam graag zie. Het is er, maar wat me recent veel plezier verschaft, is dat mijn schouders geen pijn meer doen. Ik was tien dagen op tournee en heb geen pijn gevoeld. Dat verschaft me een gevoel van vrijheid in mijn lichaam die ik lange tijd niet ervaren heb. Het is niet langer een staander die een instrument ondersteunt, het is als een Japanse windgong waar de wind doorheen blaast. Of misschien nog meer een boom die meedeint in de wind. Want ik sta wel stevig op de grond.

Is dat geluk?

Vanden Eynde: Het komt toch dicht in de buurt.

Sofie Vanden Eynde

– Geboren in Lommel, woont in Brussel

– Begon op 9 jaar met gitaar nadat ze op reis flamenco had gehoord

– Schakelde aan het conservatorium over op luit

– Studeerde in Gent en in Basel

– Richtte in 2012 haar eigen gezelschap, Imago Mundi, op

– Tourt in 2022 met de voorstelling Verdwijntijd over haar burn-out

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content