Jan Dumolyn (UGent): ‘Op een Belgische canon was nooit zo veel kritiek gekomen’

Jan Dumolyn: ‘We móéten ons mengen in het debat over Zwarte Piet en de kerstmarkten. Alleen zo hou je het uit de handen van extreemrechts.’ © Rebecca Fertinel

Hij was kandidaat voor de PVDA én werkt mee aan de Vlaamse canon, geesteskind van de N-VA. Het voelt als een fatwa, zegt Jan Dumolyn (UGent) over alle kritiek.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

‘Tot voor kort was ik in de media persona non grata omdat ik op een lijst van de PVDA heb gestaan. Nu krijg ik bakken kritiek omdat ik met de N-VA mee zou heulen. Het is nooit goed’, zucht Jan Dumolyn, hoofddocent geschiedenis aan de UGent. Dumolyn, wereldautoriteit in middeleeuwse geschiedenis, ligt de laatste weken onder vuur omdat hij in de commissie zit die in opdracht van de Vlaamse regering een canon met ankerpunten uit de geschiedenis van Vlaanderen moet samenstellen. Dat idee werd drie jaar geleden gelanceerd door N-VA-voorzitter Bart De Wever en het zijn vooral diens partijgenoten in de Vlaamse regering die er nu werk van laten maken.

In april wordt de canon eindelijk voorgesteld. Dan kan iedereen zich tenminste kwaad maken over wat er écht in de tekst staat.

Van bij het begin stootte het plan op heel wat weerstand bij historici. Behalve Dumolyn en voorzitter Emmanuel Gerard werden geen andere geschiedenisprofessoren bereid gevonden om in de commissie te stappen. Toch zag het er een tijdlang naar uit dat die in alle rust haar werk zou kunnen doen. Tot historici Jo Tollebeek, Karel Van Nieuwenhuyse en Dumolyns vroegere promotor Marc Boone onlangs in een uitgebreid essay in het tijdschrift van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten de kritieken nog eens bijzonder scherp formuleerden. Het project is in de eerste plaats een poging om de geschiedenis voor politieke doeleinden in te zetten, vinden zij, en dat valt niet te rijmen met de deontologie van een historicus. Dumolyn voelt zich persoonlijk aangevallen. ‘In april wordt de canon eindelijk voorgesteld’, zegt hij. ‘Ik tel de dagen af. Dan kan iedereen zich tenminste kwaad maken over wat er écht in de tekst staat.’

Op sociale media postte u afgelopen week dat het voelt alsof er een fatwa over u is uitgesproken.

Jan Dumolyn: Ik was erg kwaad toen ik dat schreef, maar het klopt wel. Uiteindelijk komt die boodschap van een gezaghebbende instantie: dé academie. Eerst maakte ik me niet al te veel zorgen. Wie leest zo’n doorwrocht werkstuk van 87 pagina’s op de website van een stoffige instelling? Ik werd pas echt boos toen er op de voorpagina van De Standaard een artikel over is verschenen. Dat suggereerde onder meer dat academici die meewerken aan de canon collaboreren met de machthebbers, meer bepaald met de N-VA.

Dat beeld is niet nieuw. Het gaat terug op een interview met Emmanuel Gerard dat twee jaar geleden in Knack verscheen. Uw collega Walter Pauli vroeg hem toen of hij niet bang was dat we als ‘een collaboratiecommissie’ zouden worden weggezet. Wel heftig dat net dat beeld twee weken geleden weer opdook in het artikel in De Standaard, waarin mijn naam expliciet werd genoemd.

U hebt het gevoel dat ze vooral u willen raken?

Dumolyn: Het lijkt een poging om mij als historicus in diskrediet te brengen. De reacties zijn er ook naar. ‘De N-VA zal de geschiedenis manipuleren en jij werkt daaraan mee’, is de teneur. Ik word er zelfs van verdacht dat ik August Borms (Vlaams- nationalistische voorman die in 1946 wegens collaboratie werd geëxecuteerd, nvdr) zou verdedigen. Dat suggereert Tom Lanoye ook in zijn column in Humo. Hij vraagt zich af of de daden van mensen als Borms, maar ook Jef Van de Wiele, René Lagrou, Pol Le Roy en Robert Verbelen in de canon zullen worden verzwegen. ‘Benieuwd wie van hen straks de Vlaamse canon haalt, en wie van hen opnieuw zal worden weggemoffeld uit onze collectieve memorie’, schrijft hij.

Jan Dumolyn, in de Gentse Sint-Pieterskerk: ‘Jan Van Eyck was eigenlijk een migrant, en geen Vlaming.’
Jan Dumolyn, in de Gentse Sint-Pieterskerk: ‘Jan Van Eyck was eigenlijk een migrant, en geen Vlaming.’ © Rebecca Fertinel

Dat raakt mij recht in het hart. Denkt Lanoye, een schrijver wiens talent ik bewonder, nu werkelijk dat wij er nog maar over zouden denken om de hele collaboratie te verdonkeremanen? Natúúrlijk komt die episode uitgebreid aan bod in de canon.

U kunt toch niet ontkennen dat een canon over de geschiedenis van Vlaanderen het Vlaams-nationalistische discours in de kaart speelt?

Dumolyn: De canoncommissie werkt in opdracht van de Vlaamse regering en niet van de N-VA. Niemand van de commissie gaat uit van het bestaan van een essentiële Vlaamse identiteit. Zoiets bestaat ook helemaal niet.

Volgens beleidsnota’s van de Vlaamse regering moet de canon gezien worden als een instrument om de ‘Vlaamse identiteit te versterken’ en ons een ‘complexloze’ relatie met de Vlaamse geschiedenis aan te leren.

Dumolyn: Ja, maar toen Emmanuel Gerard de vraag kreeg om voorzitter van de commissie te worden, heeft hij als voorwaarde gesteld dat het project niet identitair of natievormend zou zijn. Zo staat het ook in onze opdrachtbrief, die Vlaams minister van Onderwijs Ben Weyts (N-VA) ondertekend heeft.

U bent er zeker van dat de canon niet zal worden misbruikt om de Vlaamse identiteit te versterken?

Dumolyn: Wij proberen zo objectief en wetenschappelijk mogelijk te werken zodat er in de canon niets zal staan wat misbruikt of gerecupereerd kán worden. ‘Je bent naïef’, zeggen ze dan. ‘De N-VA zal hem toch misbruiken.’ Dan vraag ik me af hoe die partij dat zal doen. Zal iemand achteraf onze teksten over de collaboratie en repressie herschrijven? Dat gelooft toch niemand? Net zoals je niet in alle ernst kunt beweren dat de canon zal worden gebruikt om België te splitsen. Die agenda is men al vijftig jaar aan het doordrukken, en niet zonder succes.

Dat succes is discutabel, slechts een minderheid van de Vlamingen is voorstander van een onafhankelijk Vlaanderen.

Dumolyn:Het grootste probleem van de N-VA is misschien wel dat de partij zeer weinig cultuurdragers heeft. Om een natie te vormen volstaat het niet dat je VOKA en de SUV-eigenaars met grote tuinen in de buitenwijken aan je kant hebt. Je hebt ook – en misschien wel vooral –cultuurproducenten nodig. En die hebben ze nauwelijks. Als de Antwerpse cultuurschepen van de N-VA een opvallende uitspraak doet, ontploft dat meteen in haar gezicht. Houdt de Vlaamse minister-president Jan Jambon (N-VA) een toespraak bij de uitreiking van de Vlaamse Cultuurprijzen, dan worden er tomaten naar zijn hoofd gegooid. En wat voor cultuurdragers geldt, geldt ook voor historici. Tom Lanoye mag gerust zijn: het is onmogelijk om een canoncommissie samen te stellen met geschiedkundigen die August Borms willen huldigen.

Ik vind ook dat het bij hem een beetje te veel over koningen en prinsessen gaat, maar toch: leve Bart Van Loo!

Was de kritiek op de canon net zo fel geweest als het idee van een andere partij dan de N-VA was gekomen?

Dumolyn: Natuurlijk niet. Net zoals er wellicht nooit zo veel kritiek op een Belgische canon was gekomen. De meeste tegenstanders hebben niet zozeer een probleem met het canonconcept, maar wel met de Vlaamse invalshoek. Het is trouwens opvallend dat de mensen met de grootste aversie voor dat Vlaamse aspect vaak geen problemen hebben met het Belgiëgevoel. Zo roept de PVDA op om voor de Rode Duivels te supporteren. Tous ensemble voor Romelu Lukaku, een man die meer dan een miljoen euro per maand verdient.

In de canoncommissie zitten maar twee historici. Komt dat doordat, zoals in het essay wordt gesteld, alle anderen het idee van een Vlaamse canon verwerpen?

Dumolyn: Nee. Sommige collega’s zijn er duidelijk tegen, maar een grote groep is eerder onverschillig. Een vijftiental geschiedenisprofessoren van verschillende universiteiten hebben de commissie advies verstrekt door informatie en documenten aan te leveren of teksten na te lezen, net zoals verschillende andere mensen gedaan hebben. Ook bij de mensen die er in het veld mee bezig zijn, was er niet zo veel weerstand als in dat essay wordt beweerd. Mensen van de Congolese diaspora zijn bijvoorbeeld zeer geïnteresseerd, want zij willen graag dat hun verhaal in de canon komt. Net zoals de vrouwenbeweging vraagt dat er aandacht wordt besteed aan de tweede feministische golf.

Waarom horen we de historici die er wél voor gewonnen zijn dan niet?

Dumolyn: De meeste academici zijn eerder voorzichtig van aard en spreken zich niet graag publiekelijk uit. Ze delen een soort links-liberale visie die gekant is tegen het idee van een Vlaamse identiteit – iets waar ik me zelf ook voor een stuk in kan vinden. Maar blijkbaar kun je niet én die identiteit ter discussie stellen én je steun verlenen aan het canonproject.

Punt blijft dat een Vlaamse canon onvermijdelijk problematisch is. Rubens hoort er bijvoorbeeld in, maar zoals de drie historici aanvoeren: ‘Het predicaat “Vlaming” toekennen aan historische figuren die niet tot het graafschap Vlaanderen behoorden (zoals de Duitse Brabander Rubens) en er hoe dan ook geen natiegevoel opna hielden, houdt enkel steek voor wie een eeuwenoude natie wil creëren om eigentijdse ambities kracht bij te zetten.’

Dumolyn: Dat is spijkers op laag water zoeken. Waarom zou een vermelding van Rubens inhouden dat hij een Vlaamse identiteit krijgt? De moeder van Peter Paul Rubens is met haar kinderen naar Antwerpen teruggekeerd omdat daar iets te doen was. Jan Van Eyck, die uit het prinsbisdom Luik kwam, is in Brugge terechtgekomen omdat daar in de vijftiende eeuw meer ambiance was dan waar ook. Maar allebei hebben ze hier wel een rol van betekenis gespeeld. Zouden we dan misschien beter een Belgische of zelfs mondiale canon samenstellen? Dat is een legitieme vraag.

Eigenlijk had ik het liefst meegeschreven aan een canon van de Nederlanden, want dat zou de minst artificiële indeling zijn geweest. Op economisch en sociaal vlak kun je vanaf de middeleeuwen spreken van ‘de Lage Landen bij de zee’ met grote rivieren die het landschap doorkruisen. We beginnen de canon trouwens met een beschrijving van dat landschap – dat tipje van de sluier mag ik wel al oplichten.

In een opiniestuk dat u in 2019 voor Knack.be schreef, outte u zich als criticus van de globalisering. Speelde dat mee in uw beslissing om lid te worden van de canoncommissie?

Dumolyn: Voor een stuk wel. Overal om me heen zie ik tekenen van een culturele Gleichschaltung. Of je nu in Madrid, Rome of Gent door een winkelstraat loopt, overal zie je filialen van dezelfde ketens. Daar verzet ik me tegen, maar dat maakt van mij nog geen nationalist. Er bestaat een grote grijze zone tussen de eigen-volk-eerstfascist en de liberale kosmopoliet die van de ene hoofdstad naar de andere hopt. Zelf ben ik geen van beide. Ik voel mij eerder…

… een cultuurflamingant?

Dumolyn: U mag me zo noemen, maar zelf zou ik de term Groot-Nederlander gebruiken. Liberale kosmopolieten kijken graag neer op alles wat naar Vlaamse traditie ruikt. Van Vlaamse dialecten over vergeten volkssporten als krulbollen tot oude molens. Daar doe ik niet aan mee. Als historici moeten we net meer aansluiting zoeken bij discussies die in brede lagen van de bevolking leven. Vandaag zijn dat vooral betogen over ‘ons verleden’ en ‘onze tradities’, van Zwarte Piet tot kerstmarkten, die zogezegd van ons worden afgenomen. In plaats van daar smalend over te doen, moeten we ons daarin mengen. Dat is de enige manier om het debat uit handen van extreemrechts te houden.

Vandaag beweren Vlaams Belangers – maar ook iemand als Hendrik Bogaert (CD&V) – bijvoorbeeld dat kerstmarkten al sinds de middeleeuwen tot onze cultuur behoren. ‘We mogen van de moslims zelfs geen kerstmarkt meer hebben.’ Terwijl die markten pas een dikke twintig jaar geleden vanuit Duitsland naar Vlaanderen zijn overgewaaid en de moslims helemaal niets te maken hebben met het feit dat ze nu ‘wintermarkt’ genoemd worden. Ik zie het als mijn verantwoordelijkheid als historicus om daarover te praten. Op dezelfde manier wil ik graag debatteren over Rubens en Van Eyck. ‘Het is niet fout om trots te zijn op onze Jan Van Eyck, meneer. Maar dan wil ik u eerst toch even uitleggen dat hij eigenlijk een migrant was en geen Vlaming.’

© Rebecca Fertinel

Nu geeft u wel toe dat u in de canoncommissie bent gestapt om een politieke agenda door te duwen.

Dumolyn: Mijn enige agenda is dat ik geschiedenis zo veel mogelijk van onderuit wil benaderen. In mijn eigen werk focus ik vooral op het dagelijkse leven van de gewone mens en die dimensie wilde ik ook in de canon binnenbrengen. Dat die visie binnen een linkse traditie past, is zonder meer waar.

U krijgt het verwijt te collaboreren met de rechtse agenda terwijl u de geschiedenis vooral voor linkse doeleinden wilt gebruiken?

Dumolyn: Een volstrekt neutrale geschiedenis schrijven is onmogelijk. Ook als je alle regels van de bronnenkritiek volgt, selecteer je en kies je een invalshoek. Nog niet zo lang geleden was de geschiedenis het verhaal van grote mannen die veldslagen wonnen. Meer dan de helft van de bevolking, de vrouwen, kwam niet aan bod. Als tegenbeweging ontstond zogenaamde herstory, geschiedschrijving met de nadruk op vrouwen, en die was nodig. Ook dat is een vorm van politisering of instrumentalisering van de geschiedenis. Daaraan valt haast niet te ontsnappen.

Wat mensen van onze generatie van de Belgische geschiedenis weten, komt zo goed als allemaal van historicus Henri Pirenne, die Histoire de Belgique schreef. Dat beeld is aangevuld met de prentjes van de vaas van Soissons en de vadsige koningen uit de Artis-Historiaboeken. Heel het verhaal over het bestaan van België is net zo artificieel en natievormend als dat van Vlaanderen.

Die discussie gaat ook over het geschiedenisonderwijs. Dertig jaar geleden lag de nadruk nog op feitenkennis, vandaag moeten geschiedenisleerkrachten vooral inzichten aanreiken.

Dumolyn: Voor sommige leerkrachten in het secundair onderwijs ligt de nadruk nu minder op chronologie, feiten en tijdvakken. In plaats daarvan moeten scholieren kritisch leren nadenken over wat geschiedenis precies is. Dat is een goed idee, maar hoe kunnen ze dat doen als ze de feiten niet kennen? Het heeft geen enkele zin om jongeren kritisch te laten nadenken over een tekst uit de Karolingische tijd als ze niet weten wie Karel De Grote was, wanneer die precies leefde en wat hij voor ogen had.

Is de historische kennis van eerstejaarsstudenten vandaag kleiner dan vroeger?

Dumolyn: Ja. En toch moeten we blijven zeggen dat onze vakdidactiek fantastisch is en tot de wereldtop behoort. Iets meer bescheidenheid is hier op zijn plaats.

Wat u betreft mag de canon straks in het onderwijs worden gebruikt?

Dumolyn: De canon mag zeker niet opgelegd worden, maar waarom zou hij niet door leerkrachten gebruikt mogen worden? Ik begrijp wel dat sommige mensen vrezen dat we op die manier naar het ouderwetse canonieke geschiedenisonderwijs terugkeren. Maar je bewijst jonge mensen en de geschiedenis ook geen dienst door alleen elk narratief te deconstrueren.

Dat is trouwens een elitaire visie. 99 procent van de mensen wil verhalen. Kijk naar Bart Van Loo met zijn boek over de Bourgondiërs, waarmee hij nu al meer dan 300.000 lezers heeft bereikt. Eigenlijk is dat een soort mengeling van Pirenne en de Paris Match, en sommige collega’s hebben het daar moeilijk mee. Ik vind ook dat het een beetje te veel over koningen en prinsessen gaat, maar toch: leve Bart Van Loo! Hetzelfde met Het verhaal van Vlaanderen, een nieuw tv-programma van Tom Waes dat vanaf januari wordt uitgezonden. Daarin worden scènes uit de geschiedenis nagespeeld en een paar proffen, onder wie ikzelf, geven daar commentaar bij. Best goed gemaakt en vooral: het zal de geschiedenis bij een heel breed publiek brengen. Toch doen mijn drie collega’s daar heel schamper over in hun essay over de canon. Dat toont alweer hoe elitair ze zich opstellen.

Zou u, met wat u nu weet, nog tot de commissie toetreden?

Dumolyn: Nee, de persoonlijke tol is te zwaar. Ik zal heel erg opgelucht zijn als de canon er eindelijk is en we over de inhoud kunnen discussiëren. Dan zullen de mensen vanzelf merken hoe ongepast het was om ons als een stelletje collaborateurs weg te zetten.

Jan Dumolyn

1974: Geboren in Brugge

Professor middeleeuwse geschiedenis (UGent)

Afgevaardigde voor ACOD-onderwijs

2018: onafhankelijk kandidaat voor PVDA bij de Gentse gemeenteraadsverkiezingen

2020: cocurator Van Eyck – Een optische revolutie (MSK)

Auteur van onder meer België – een geschiedenis van onderuit en Brugge, een middeleeuwse metropool 850-1550

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content