Sinds het academiejaar 2005-2006 geldt in het hoger onderwijs een creditsysteem, dat meer combinaties mogelijk maakt in opleidingen, onderwijsinstellingen en studieduur. Op die manier kunnen studenten hun leerweg meer individualiseren. Om die studievoortgang te bewaken leggen onderwijsinstellingen onder meer bindende voorwaarden op aan studenten met een laag studierendement. Zo kunnen ze bijvoorbeeld studenten onmiddellijk of na een bepaald aantal inschrijvingen weigeren bij een te laag studierendement. De sterke autonomie van de instellingen heeft echter geleid tot grote onderlinge verschillen, vooral te wijten aan verschillen in pedagogische visie, aldus het Rekenhof. Soms zijn er zelfs verschillen tussen opleidingen en faculteiten binnen een instelling. Bij een aantal instellingen zijn de omvang en duur van de weigering van studenten niet duidelijk bepaald. Het Rekenhof kaart ook aan dat er vaak te weinig analyse gedaan wordt naar de eventuele verdere studieloopbaan van studenten die de instelling verlaten, waardoor effecten van de maatregelen niet volledig kunnen worden ingeschat. Strengere voorwaarden voor studenten blijken bovendien niet altijd ontradend te werken. Zo zetten studenten met een laag studierendement in één op de vier gevallen hun opleiding toch voort in instellingen die een herinschrijving niet weigeren. En dat terwijl een heroriëntering voordelen kan bieden: heroriënteerders halen gemiddeld een hoger studierendement in de nieuwe opleiding vergeleken met studenten met een gelijkaardig laag studierendement die voortstuderen in dezelfde richting. Het Rekenhof onderstreept verder dat niet alle studenten de geldende maatregelen kennen. Onderwijsinstellingen besteden bij de informatieverstrekking voornamelijk aandacht aan eerstejaars, maar ook tweedejaars en heroriënteerders hebben nood aan (een herhaling van) informatie. Tot slot verschilt ook de organisatie van studiebegeleiding sterk per instelling en de informatieverstrekking ervan is eveneens sterk gefocust op eerstejaars. De meeste instellingen houden ook te weinig gegevens bij over studiebegeleiding om de werking ervan te kunnen evalueren. Het rapport, met aanbevelingen, wordt nu bezorgd aan het Vlaams Parlement, waar het besproken zal worden in de commissie Onderwijs. Bevoegd minister Ben Weyts (N-VA) heeft al laten weten dat hij een toekomstig beleid voor dit thema aan het ontwikkelen is en dat de audit en de aanbevelingen op het juiste moment komen. (Belga)

Sinds het academiejaar 2005-2006 geldt in het hoger onderwijs een creditsysteem, dat meer combinaties mogelijk maakt in opleidingen, onderwijsinstellingen en studieduur. Op die manier kunnen studenten hun leerweg meer individualiseren. Om die studievoortgang te bewaken leggen onderwijsinstellingen onder meer bindende voorwaarden op aan studenten met een laag studierendement. Zo kunnen ze bijvoorbeeld studenten onmiddellijk of na een bepaald aantal inschrijvingen weigeren bij een te laag studierendement. De sterke autonomie van de instellingen heeft echter geleid tot grote onderlinge verschillen, vooral te wijten aan verschillen in pedagogische visie, aldus het Rekenhof. Soms zijn er zelfs verschillen tussen opleidingen en faculteiten binnen een instelling. Bij een aantal instellingen zijn de omvang en duur van de weigering van studenten niet duidelijk bepaald. Het Rekenhof kaart ook aan dat er vaak te weinig analyse gedaan wordt naar de eventuele verdere studieloopbaan van studenten die de instelling verlaten, waardoor effecten van de maatregelen niet volledig kunnen worden ingeschat. Strengere voorwaarden voor studenten blijken bovendien niet altijd ontradend te werken. Zo zetten studenten met een laag studierendement in één op de vier gevallen hun opleiding toch voort in instellingen die een herinschrijving niet weigeren. En dat terwijl een heroriëntering voordelen kan bieden: heroriënteerders halen gemiddeld een hoger studierendement in de nieuwe opleiding vergeleken met studenten met een gelijkaardig laag studierendement die voortstuderen in dezelfde richting. Het Rekenhof onderstreept verder dat niet alle studenten de geldende maatregelen kennen. Onderwijsinstellingen besteden bij de informatieverstrekking voornamelijk aandacht aan eerstejaars, maar ook tweedejaars en heroriënteerders hebben nood aan (een herhaling van) informatie. Tot slot verschilt ook de organisatie van studiebegeleiding sterk per instelling en de informatieverstrekking ervan is eveneens sterk gefocust op eerstejaars. De meeste instellingen houden ook te weinig gegevens bij over studiebegeleiding om de werking ervan te kunnen evalueren. Het rapport, met aanbevelingen, wordt nu bezorgd aan het Vlaams Parlement, waar het besproken zal worden in de commissie Onderwijs. Bevoegd minister Ben Weyts (N-VA) heeft al laten weten dat hij een toekomstig beleid voor dit thema aan het ontwikkelen is en dat de audit en de aanbevelingen op het juiste moment komen. (Belga)