Een slagersdochter uit Dordrecht domineert het vrouwenveldrijden. Lucinda Brand, kopvrouw van de Baloise Trek Lions, is zegekoningin van het seizoen 2020-2021. Brand draait al een tijd mee, maar zet op haar 31e nog ruime stappen. De Nederlandse start het wereldkampioenschap van komende zaterdag als topfavoriet. 'Ik? De favoriet? Meen je dat?' lacht Brand gespeeld verbaasd wanneer we onze pronostiek voorleggen. 'Nou, dank je! Wat een druk, zeg. Nu moet ik het waarmaken!' (lacht)
...

Een slagersdochter uit Dordrecht domineert het vrouwenveldrijden. Lucinda Brand, kopvrouw van de Baloise Trek Lions, is zegekoningin van het seizoen 2020-2021. Brand draait al een tijd mee, maar zet op haar 31e nog ruime stappen. De Nederlandse start het wereldkampioenschap van komende zaterdag als topfavoriet. 'Ik? De favoriet? Meen je dat?' lacht Brand gespeeld verbaasd wanneer we onze pronostiek voorleggen. 'Nou, dank je! Wat een druk, zeg. Nu moet ik het waarmaken!' (lacht) 'Nee, da's een grapje. Na een seizoen als dit zou het raar zijn als ik me zou verstoppen. Natuurlijk ben ik favoriet. De vorm is er en als je eenmaal in de flow zit, lijken de zeges vanzelf te komen. Maar de concurrentie zit me wel op de hielen. Het is niet: 'We regelen het wel even op dat WK.' Het podium kun je bijna invullen, denk ik. Het gaat tussen mij, aftredend kampioene Ceylin del Carmen Alvarado en Denise Betsema.' Is een WK een wedstrijd als een ander? Lucinda Brand: Zo probeer ik het wel te benaderen, al is dat niet makkelijk. Aan alles merk je dat de belangen groot zijn: meer interviews, de sociale media zoemen, je omgeving die telkens over het WK begint. Je moet erover waken dat de spanning geen ongezonde vormen aanneemt. Een wereldkampioenschap is één specifiek rondje op één specifieke dag. Je kunt pech hebben of het kan je niet liggen, en dan is het klaar. Ik ben al de hele winter top, op de meest diverse omlopen, in totaal andere omstandigheden. In principe is dat knapper. Die ene bekroning wil ik er graag bij, maar ik mag niet vergeten dat mijn seizoen ook zonder de regenboogtrui al geweldig is. Een WK in Oostende betekent strand en wind. In het slechtste geval een stijve bries met opstuivende zandkorrels. Brand: Ik lig liever op het strand dan dat ik erover rijd, zelfs in januari! (lacht) Wanneer het goed gaat, vind je zand leuk, maar als het niet loopt, is het lijden. Op hetzelfde parcours werd in 2017 het Belgisch kampioenschap verreden. De renners leken levende lijken. Behalve winnaar Wout van Aert: die was zo fris als een hoentje. Brand: Ik heb die wedstrijd ook gezien. Wanneer zand er 'makkelijk' bij ligt, tussen aanhalingstekens, moet je ronde na ronde door diepe sporen ploegen. Je komt kapot over de streep. Leuk voor de kijkers! Ik ben een goeie loper. Het zou me niet kwaad uitkomen als het zand er zo slecht bij ligt dat we van de fiets moeten. Al ga ik daar niet op hopen. Nee, dat zou dom zijn. Op de omstandigheden heb je geen invloed. De Nederlandse kanshebbers zitten in hetzelfde team en dus ook in hetzelfde hotel. Is het gezellig aan het ontbijtbuffet? Brand: De sfeer is prima, hoor. We zijn profs en komen elkaar elk weekend tegen. Eigenlijk weet ik gewoon ook niet beter. Voor de Nederlandse rensters is deze situatie normaal. Gelukkig ligt er een kloof tussen Nederlanders en niet-Nederlanders. Je wilt het niet meemaken dat een buitenlander mee de finale ingaat en profiteert van rivaliteit tussen landgenoten. Dat is geen waarschijnlijk scenario, maar als het gebeurt, dan gebruiken de Oranjemeiden hun verstand. De trui moet naar Nederland. Waarom zijn er zo veel goeie Nederlanders rensters? Brand: Aan geld ligt het niet: het Nederlandse veldrijder krijgt amper middelen. Wat enorm helpt, zijn de regionale trainingen van de wielerbond. Je traint er met de besten van je streek, allemaal mensen die jouw passie delen. Dat is zo motiverend. Je maakt elkaar spelenderwijs beter. Alle vrouwelijke titelfavorieten zijn Nederlanders, bij de mannen domineert Mathieu van der Poel. Als veldrijden nu niet groot wordt in Nederland, zal het nooit gebeuren. Brand: Gaat niet gebeuren. Schaatsen, dat in de winterweekends in hetzelfde tijdslot zit, loopt met de aandacht weg. Veldrijden wordt, vrees ik, gezien als onvoldoende internationaal, en dus niet interessant. Wel voel je dat het Nederlandse wielrennen in opmars is. Nederlanders strijden voor het klassement in de Tour de France, Mathieu wint grote klassiekers. Het veldrijden profiteert van die gunstige wind, maar het zal in Nederland altijd een nichesport blijven. In Vlaanderen maalt men er niet om dat er weinig buitenlanders veldrijden. Het slaat aan omdat het zo'n mooie kijksport is. Brand:(knikt) Een veldrit is absoluut boeiender dan een wedstrijd op de weg. Het is intensiever, meer gebald en van begin tot eind gebeurt er iets. Weinig sporten bieden zo'n attractief pakket, maar hoe je een sport presenteert, maakt ook verschil. Nederlanders kijken op de Belgische televisie naar veldrijden. Hoe is uw Vlaams intussen? Brand: Goed genoeg om de mensen te begrijpen, al blijft het aanpassen, elke winter opnieuw. In onze ploeg zijn alle Vlaamse dialecten vertegenwoordigd. (blaast) Dan is het aanpoten, zeker wanneer Vlamingen door elkaar praten. In een documentaire achter de schermen hoorde ik u nochtans het woord 'verschieten' gebruiken. Vlaamser kan niet. Brand: Haha. Thuis betrappen ze er me wel vaker op. Daar wordt erg om gelachen: 'Is 't weer Vlaamse klap?' Het niveau in de vrouwencross stijgt jaar na jaar, vindt Sanne Cant. Volgens haar valt dat met het blote oog te zien. Brand: Ik hoor al een paar jaar bij de betere veldrijdsters. Vroeger won ik op kracht. Mijn techniek leek nergens naar, maar ik kon compenseren door mijn fysiek. Vandaag moet je technisch top zijn én kracht hebben, of ze rijden je naar huis. Het beste voorbeeld is Marianne Vos. Ze crost niet vaak, dat heeft ze ook nooit veel gedaan, maar als ze vroeger een keer meedeed, wist je: Marianne haalt de kopgroep en de kans is groot dat ze wint. Vandaag moet Vos serieus aan de bak voor een ereplaats. Het peloton werd zo veel breder. Ook meiden die nooit winnen, halen een degelijk niveau. Ik hoor uit andere sporten dat de maanden van de eerste lockdown, maart tot mei 2020, bepalend waren. Wie daar goed doorkwam, staat er vandaag. Brand: Sporters bouwen hun leven op rond afgelijnde doelen. Je trainingsschema en je opbouw zijn je houvast. Ineens vielen de doelen weg, zonder perspectief. Dat was beangstigend, hoor. In eerste instantie denk je: ik zorg maar dat ik in vorm blijf. Geleidelijk sijpelt door dat het lang kan duren. Al je voorbereidingswerk kan de prullenmand in. Je staat klaar om te knallen en bám: je zit stil. Dan moet je schakelen. Goed, er is nu tijd om achterover te leunen. Hoe maak ik mijn kop leeg? Je kon in die maanden niet veel. Reizen of langsgaan bij vrienden was geen optie. Er leek geen enkele zinnige manier om die tijd door te komen. Sommige renners begonnen uit vertwijfeling erg zwaar te trainen. Anderen schoten juist veel te laat in gang. Een moeilijke balans, zonder houvast. Voor mij was het een tijd van ups-and-downs. Het was ontzettend mooi weer in de lente. Iedere renner denkt dan: we vliegen in de duurtraining. Op een gegeven moment heb je alle rondjes in de buurt gereden. Je lijf snakt naar een prikkel. Ik heb toen alles eens goed op een rij gezet. Waar ligt het perspectief? De mannen wisten dat hun Tour de France zeker door zou gaan. Dat evenement is te belangrijk en levert zo veel geld op. In de weken voor en na de Tour zouden ze wel de rest van het seizoen optuigen. Maar ik kon me voorstellen dat er in 2020 geen enkele vrouwenkoers zou worden gereden. Veldritten zijn makkelijker te organiseren, redeneerde ik. Laat ik me daarop richten. Het was nuchtere kansberekening. Dus ging ik in het voorjaar trainen in het bos, wat ik normaal nooit doe. Daar zit de reden achter mijn successen van deze winter. Maar nog belangrijker was dat het me een doel gaf. Ik was nuttig bezig en dat hield me op de been. Bent u nu voltijds crosser? Brand: In 2020 was ik dat in de praktijk wel, door corona, maar ik vind dat je dat soort levenskeuzes niet mag laten afhangen van een virus. Er bestaan zoveel mooie doelen. Dit jaar wordt voor het eerst een Parijs-Roubaix voor vrouwen georganiseerd. Een droom! Ik ga vol voor winst. En in de zomer wil ik dolgraag naar de Olympische Spelen, al wordt het lastig om de selectie te halen. Wat drijft u? Brand: Winnen! Het genot dat ik haal uit een zege, pusht me om diep te gaan. Nochtans kan ik om met verlies. Ik merk dat ik daar als profrenner een uitzondering in ben, maar ik sluit een nederlaag makkelijk af. Een ander is beter? Nou, gefeliciteerd. Er komen nog koersen. Uw ploegmaats prijzen uw trainingsijver, terwijl ik op uw website lees dat de jonge Lucinda Brand een broertje dood had aan trainen. Vanwaar die ommekeer? Brand: Ik ben nog altijd geen traintijger, al ben ik er wel plichtsgetrouw in geworden. Er zijn drie redenen. Eén: ik besef, meer dan vroeger, het belang van goed trainen. Twee: ik leerde om me heen kijken en genieten van wat ik doe. Het mag geen klus worden. En drie: ik omarmde de wattagemeter. Die maakt inzichtelijk wat een training doet met je lijf. Je kunt vergelijken met de waarden die je vroeger haalde. Heel motiverend, al bestaat het gevaar dat je doordraait. Ik zei al dat ik van winnen hou, en eigenlijk organiseer ik via mijn powermeter een battle met mezelf. Sindsdien kom ik bij mijn teammaats over als supergemotiveerd: 'Goh, Lucinda gaat er weer voor.' Weten zij veel. (grijnst)Ze zeggen dat een renster rond haar dertigste op haar sterkst is. Voor mij klopt dat, en toch denk ik dat het de komende jaren nog beter kan. Een veldrijder met een goeie techniek spaart energie. Daarin heb ik, op mijn 31e, nog een weg te gaan. Waarom is ex-wereldkampioene Annemiek van Vleuten 'geen zegen voor het vrouwenwielrennen'? Brand: Voor alle duidelijkheid, die uitspraak komt niet rechtstreeks van mij. In een wielerpodcast kreeg ik de stelling voorgelegd en mijn antwoord was 'nee'. Ik wist dat ik de journalisten daarmee een lekkere brok toeschoof, maar de redenering achter de straffe krantenkop is genuanceerd. Ik heb niets tegen Annemiek. Alleen wint ze met zo veel voorsprong dat het voor de buitenwereld lijkt alsof de rest geen talent heeft of er niets voor doet. En dat is niet waar. Van Vleuten doet dit niet expres, laat ik dat vooropstellen, maar voor onze sport is haar overmacht geen goede zaak. Het vrouwenwielrennen moet attractief zijn. Zo lok je de media en groeit de sport.