"Uit het leven van een hond" begint bij het ontwaken van Henk van Doorn, op een vroege, zonnige zaterdagochtend in juli. "Het hart klopt, denkt Henk van Doorn als hij wakker wordt, en het bloed stroomt. Goedbeschouwd is dat het verstandigste wat je erover kunt zeggen." Met zijn eerste zin legt auteur Sander Kollaard meteen al de rode draad doorheen zijn boek bloot: het leven gaat zijn gang, het is wat het is. Henk van Doorn is een 56-jarige verpleegkundige op de afdeling intensieve zorgen in een ziekenhuis in het Nederlandse Weesp. Hij is gescheiden, heeft geen kinderen, maar wel een kooikerhondje: Schurk, dat op de zaterdag in kwestie niet helemaal in orde lijkt. Henk is een weinig opmerkelijk hoofdpersonage, zou je denken, en daar verandert in de loop van het boek maar weinig aan. Henk laat de hond uit, ontmoet daarbij een vrouw en wordt een beetje verliefd op haar, gaat met de hond naar de dierenarts, gaat boodschappen doen in een kaaswinkel, bezoekt een demente oud-collega in een verzorgingstehuis, koopt een boek voor zijn nichtje Rosa en geeft haar dat 's avonds af op haar verjaardagsfeestje. Wie spannende verhaallijnen zoekt is er dus aan voor de moeite. Tragisch is het niet, dolkomisch evenmin, maar met helder taalgebruik en gedetailleerde en kleurrijke omschrijvingen slaagt de schrijver er wel in "de schoonheid die in het kleine en alledaagse schuilt bloot te leggen", zoals De Groene Amsterdammer het omschreef. Dat doet Kollaard nog het meest aan de hand van Schurk. De dierenarts vertelt Henk dat het hondje hartproblemen heeft. Het dier, dat al een zekere leeftijd heeft, zal binnen afzienbare tijd sterven, al kan hij met medicijnen wel nog even op de been blijven. Dat plotse besef van sterfelijkheid leidt bij Henk tot allerlei filosofische mijmeringen en herinneringen. Over zijn stukgelopen huwelijk, zijn affaire met een collega, de dood van zijn broer en de stroeve relatie met zijn andere broer, zijn jeugd, zijn kersverse verliefdheid. En over Schurk, die van zijn doodvonnis natuurlijk niets afweet en even goed blijft genieten van wandelingen, zonlicht en muziek - het beest houdt onder meer van Für Elise, althans dat vermoedt Henk. "De schoonheid van Kollaards boek zit hem vooral in de morele opsteker die hij in de persoon van Henk aan zijn lezers geeft", schreef de recensent van Trouw terecht. Op het einde van de dag - en dus op de laatste bladzijde van het boek - valt Henk in slaap, in de zetel met Schurk: "Hij legt een hand op zijn mannenborst en voelt zijn mannenhart pompen. Hij stelt vast dat zijn bloed stroomt en zijn organen van zuurstof voorziet en dat ergens in dat proces de levenslust begint te vloeien. En dat is, begrijpt hij, terwijl zijn ogen eindelijk dichtvallen, terwijl in het oosten de zon alweer opkomt, terwijl de aarde onverstoorbaar haar hitte loost in een desondanks kil universum, terwijl -. En dat is, begrijpt hij, inderdaad het verstandigste wat je erover kunt zeggen." (Belga)

"Uit het leven van een hond" begint bij het ontwaken van Henk van Doorn, op een vroege, zonnige zaterdagochtend in juli. "Het hart klopt, denkt Henk van Doorn als hij wakker wordt, en het bloed stroomt. Goedbeschouwd is dat het verstandigste wat je erover kunt zeggen." Met zijn eerste zin legt auteur Sander Kollaard meteen al de rode draad doorheen zijn boek bloot: het leven gaat zijn gang, het is wat het is. Henk van Doorn is een 56-jarige verpleegkundige op de afdeling intensieve zorgen in een ziekenhuis in het Nederlandse Weesp. Hij is gescheiden, heeft geen kinderen, maar wel een kooikerhondje: Schurk, dat op de zaterdag in kwestie niet helemaal in orde lijkt. Henk is een weinig opmerkelijk hoofdpersonage, zou je denken, en daar verandert in de loop van het boek maar weinig aan. Henk laat de hond uit, ontmoet daarbij een vrouw en wordt een beetje verliefd op haar, gaat met de hond naar de dierenarts, gaat boodschappen doen in een kaaswinkel, bezoekt een demente oud-collega in een verzorgingstehuis, koopt een boek voor zijn nichtje Rosa en geeft haar dat 's avonds af op haar verjaardagsfeestje. Wie spannende verhaallijnen zoekt is er dus aan voor de moeite. Tragisch is het niet, dolkomisch evenmin, maar met helder taalgebruik en gedetailleerde en kleurrijke omschrijvingen slaagt de schrijver er wel in "de schoonheid die in het kleine en alledaagse schuilt bloot te leggen", zoals De Groene Amsterdammer het omschreef. Dat doet Kollaard nog het meest aan de hand van Schurk. De dierenarts vertelt Henk dat het hondje hartproblemen heeft. Het dier, dat al een zekere leeftijd heeft, zal binnen afzienbare tijd sterven, al kan hij met medicijnen wel nog even op de been blijven. Dat plotse besef van sterfelijkheid leidt bij Henk tot allerlei filosofische mijmeringen en herinneringen. Over zijn stukgelopen huwelijk, zijn affaire met een collega, de dood van zijn broer en de stroeve relatie met zijn andere broer, zijn jeugd, zijn kersverse verliefdheid. En over Schurk, die van zijn doodvonnis natuurlijk niets afweet en even goed blijft genieten van wandelingen, zonlicht en muziek - het beest houdt onder meer van Für Elise, althans dat vermoedt Henk. "De schoonheid van Kollaards boek zit hem vooral in de morele opsteker die hij in de persoon van Henk aan zijn lezers geeft", schreef de recensent van Trouw terecht. Op het einde van de dag - en dus op de laatste bladzijde van het boek - valt Henk in slaap, in de zetel met Schurk: "Hij legt een hand op zijn mannenborst en voelt zijn mannenhart pompen. Hij stelt vast dat zijn bloed stroomt en zijn organen van zuurstof voorziet en dat ergens in dat proces de levenslust begint te vloeien. En dat is, begrijpt hij, terwijl zijn ogen eindelijk dichtvallen, terwijl in het oosten de zon alweer opkomt, terwijl de aarde onverstoorbaar haar hitte loost in een desondanks kil universum, terwijl -. En dat is, begrijpt hij, inderdaad het verstandigste wat je erover kunt zeggen." (Belga)