Leven en lijden van Marc Didden: ‘Ik heb leren zwijgen. Soms toch’

Marc Didden: ‘Ik ben niet zo goed als lid van een volksgerechtshof.’ © Saskia Vanderstichele
Stijn Tormans
Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Het vriest in de buik van Brussel. In de mooie Sint-Hubertusgalerijen zit één man op het terras van Mokafé. Hij tokkelt een mail naar een vriend op zijn telefoon. De koude deert hem niet, zijn slechte ogen wel. ‘Ik wilde het woord moraal schrijven,’ grijnst hij, ‘maar zag juist op tijd dat ik de m vergat te tikken was. Een klacht wegens laster is net vermeden.’ (lacht)

Ook telefonische interviews zijn niets voor hem. ‘Ooit deed ik er een met Elton John, die in een hotel in Nice verbleef. Ik belde hem op en hoorde: “Hallo, met Elton John.” Toen viel de verbinding uit. Na nog twee keer proberen kreeg ik hem toch aan de lijn. “Bent u die Belgische journalist?” vroeg hij.

“Ja”, antwoordde ik. “Maar hoe weet ik nu dat u Elton John bent?”

“Ik zal iets zingen”, zei hij. En hij begon I’m still standing after all this time, looking like a true survivor, yeah yeah yeah… te zingen over de telefoon.’ (lacht).

Marc Didden is still standing. Met een wandelstok in zijn hand en een hoop verhalen in de binnenzak van zijn lange zwarte jas, yeah.

Sommige heeft hij neergeschreven in Over Cinema. Een mooi boek dat gaat over cinema – over voetbal zou nogal onnozel zijn – maar ook over Marc Didden zelf. De zoon van een douanier, die begin jaren vijftig zijn gezin meenam van Hamont naar Brussel. En naar de bioscoop.

‘Thuis hadden we geen televisie’, vertelt Didden. ‘Daarom gingen wij heel vaak naar de Eldorado op het De Brouckèreplein in Brussel. Dat was toen, net zoals zoveel andere stadsbioscopen, een art-decopaleis met neonlicht. Nog voor ik binnenging, had ik al pret. Daarna werden we in het donker ondergedompeld in een verhaal dat de Eldorado voor ons had uitgekozen. Op woensdagmiddag zagen we zelfs twee films: het ene moment zat ik in een concentratiekamp, het andere tussen de cowboys en de indianen.’

‘U zal veel vergeven worden, want gij hebt veel films gezien’, zegt Paul van Ostaijen in Over Cinema.

‘Hij bedoelde: je ziet er wel wat. Toen ik voor de eerste keer in New York kwam, was ik niet ontgoocheld. Maar ik dacht wel: ik heb deze stad al gezien in de Eldorado.’

Didden keek in de bioscoop altijd aandachtig naar de aftiteling. Hij vroeg zich af wat een scenarist was, en wat de monteur juist deed. En waarom een naam van een personage zo belangrijk is. ‘Robert De Niro heet in Taxi Driver Travis Bickle. Die naam is zo juist: in Travis zit beweging, in Bickle het harde.’

Ooit wilde hij ook de naam van personages kiezen en een film draaien. Maar op het atheneum zei de man van het PMS: ‘De filmschool is niets voor jou, Marc. Daarvoor heb jij niet genoeg stamina.’

Vijf jaar later reisde hij met zijn eeuwige verloofde Denise voor de eerste keer naar Amerika. Naar Vermont in het noordoosten, waar Bernie Sanders woont. Hij klom er met een hond op Mount Pleasant, keek naar het sneeuwland onder hem, nam een slok whisky tegen de kou en dacht: geen slecht uitzicht voor een boerke uit Hamont dat niet uitblonk op school.

Maar hij dacht ook: het wordt nooit meer beter.

Het is ook nooit meer beter geworden dan op die plezante berg in Vermont. Behalve die keren dat hij een film uitbracht. Omdat die man van het PMS gelijk had: ‘Om een film op te nemen heb je stamina nodig.’ ‘Het is alsof je een kmo leidt’, zegt Didden. ‘Je staat om drie uur ’s nachts nog op de set, het eten is slecht, iedereen klaagt en kijkt naar jou. Alleen het geloof dat het wat wordt, houdt je overeind. Maar net dan draai je iets wat je een jaar eerder aan je schrijftafel gedroomd hebt. Dat is onbeschrijfelijk.’

Een van de personages uit zijn debuutfilm Brussels by Night heet Alice: een klein eresaluut aan Alice in den Städten, een wonderlijke roadmovie van Wim Wenders uit 1974 over een journalist en een kind. Zulke cinema wilde hij ook maken. Geen films over helikopters die neerstorten, maar over mensen die door de stad lopen en Max heten.

Brussels by Night (1983) wordt nu geprezen als een mijlpaal: de Vlaamse film had de stad ontdekt. Maar dat vindt Didden zelf onzin – alsof een kwarteeuw eerder Meeuwen sterven in de haven (1955) niet gedraaid was.

Na Brussels by Night maakte hij nog drie films en veel scenario’s. Ooit vertelde Ray Davies van The Kinks hem: ‘Ik heb net een heel goede film gezien. Ik geloof dat het een Belgische was. Crazy Love, al van gehoord?’

‘Vaag’, mompelde de coscenarist toen.

Maar er was niet alleen lof. ‘De meeste van mijn films zijn afgekraakt. Dat deed pijn, ook al zag ik zelf wel wat er scheelde. Maar het blijven je kinderen, hè. Het deed me ook nadenken. Vroeger deelde ik in columns weleens een stamp uit als ik iets niet goed vond, maar dat doe ik niet meer. Ik heb leren zwijgen. Soms toch. Omdat ik veel respect heb voor mensen die iets maken.’

Hij heeft ‘veel levens geleid’, zegt hij zelf. Hij was journalist, cineast, scenarist, columnist, lesgever. Niet slecht voor iemand die altijd ‘niets’ antwoordde, toen ze hem als kind vroegen wat hij later wilde worden. ‘Ik ben overal toevallig in gerold’, zegt hij. Na een lezersbrief werd hij ingelijfd bij Humo. ‘Jij ziet er helemaal niet uit als een rockjournalist’, zei Herman Brood.

Ook als leraar aan Sint-Lukas had hij nooit een plan of een uitgeschreven cursus. ‘Ik verzon altijd in de tram wat ik ging zeggen. En dan praatte ik uren aan een stuk. Drive all night.’

Zoals in het nummer van Bruce Springsteen. Ook over hem zit er nog een anekdote in zijn mouw. 26 april 1981: Springsteen trad voor de eerste keer in België op. ‘Na het concert wilde ik hem interviewen. “Vergeet het”, zei organisator Paul Ambach. “Springsteen geeft vanavond geen interviews. Hij is moe. Je mag hem alleen een hand geven.” Tien minuten later zag ik Springsteen door de coulissen van Vorst lopen. Hij kwam net uit de douche, zijn haren waren nog nat. “Ik mag u geen vraag stellen”, zei ik. “Waarom niet?” vroeg hij. Hij nam een klapstoeltje en we begonnen te praten over Elvis. Tot grote ergernis van zijn entourage, die in de bus wachtte.’

Maar Springsteen bleef praten, tot het halfvier ’s nachts was en het buiten pijpenstelen regende. Toen vroeg Didden: ‘Wat betekent het om fan te zijn van iemand?’ ‘Onvoorwaardelijk van iemand houden omdat die een stuk van je eigen dromen in vervulling brengt’, antwoordde Springsteen.

Bewonderen, daar is hij goed in. ‘Een journalist moet ook een doorgeefluik zijn, vind ik. Ik wilde mijn liefdes delen met anderen. Ik interviewde ook graag mensen die niet zo bekend waren. Ik legde mijn publiek graag uit waarom ik Warren Zevon of Kevin Coyne zo geweldig vond. Geen enkele lezer vroeg daarnaar.’

Dertig jaar later zat hij in de Eurostar. ‘Ik had een ticket, maar er was geen zitplaats meer vrij. De treinbegeleider kwam binnen in ons rijtuig en vroeg: “Bent u meneer Didden? In 1976 hebt u een heel lovende bespreking geschreven over het tweede album van Warren Zevon. Zo ben ik een grote fan van hem geworden. Uw recensie plakt nog altijd op mijn plaat.” “Kom mee”, zei hij dan. En hij gaf me een plaats in eerste klasse. Dat deed me plezier.’

Na al die jaren is hij zijn liefdes trouw gebleven: Denise natuurlijk, maar ook New York City, Elvis, Woody Allen, John Prine, Bob Dylan, Martin Scorsese. En zijn goede vriend Raymond van het Groenewoud. De man die hij eeuwen geleden voor het eerst zag in deze Sint-Hubertgalerijen. Ze hadden allebei nog lang haar, toen. Een week later zag hij Raymond opnieuw in een jeugdclub in Molenbeek, als de gitarist van Johan Verminnen. ‘Niemand kende hem, maar ik kon alleen maar naar hem kijken. Hoeveel erkenning hij daarna ook gekregen heeft, ik vind hem nog altijd zwaar onderschat. Mijn buurman Arno zei mij weleens: “Hij treedt alleen in Vlaanderen op.” “En jij dan?” zei ik om hem te plagen. “Jij hebt alleen succes in landen waar ze geen Engels spreken.” Daarover gaat het dus niet. Een kunstenaar moet niet bezig zijn met succes, maar met zijn vak. Ik zei vroeger altijd tegen mijn studenten: succes mag een gevolg zijn, geen doel.’

Als we zo doorgaan, kan Hamlet straks alleen nog maar gespeeld worden door de prins van Denemarken.

Ik vraag of Chantal Akerman ook tot zijn liefdes behoort. Haar Jeanne Dielman, 23, quai du Commerce, 1080 Bruxelles werd onlangs bekroond tot de beste film aller tijden. ‘Ik heb haar een beetje gekend’, zegt Didden. ‘Ze was geen lachebekje. Jeanne Dielman is zeker een goede film, maar of het nu de beste aller tijden is? Ik vind het zelfs niet de beste film van Chantal Akerman. Ik hou veel meer van haar kortfilms, dat zijn echt parels. Maar eigenlijk zijn dat soort lijstjes dwaas. Woody Allen laat zijn films nooit in Cannes in competitie gaan, want “films zijn geen racepaarden”. Hij heeft gelijk: een Tarantino kun je onmogelijk vergelijken met een film van de broers Dardenne. Met zo’n prijs bewijs je een film ook geen dienst. Jeanne Dielman wordt nu opnieuw gedraaid in de bioscoop. Veel mensen zullen zeggen: “Allee, de beste film aller tijden, die willen we zien.” Maar ik kan me voorstellen dat ze na drieënhalf uur vloekend buitenkomen: “Dit is niet de beste, maar de saaiste film aller tijden.” Wat ook niet waar is. Akerman was een ware cineaste. Ze maakte alleen geen films voor iedereen.

‘“België is surrealistisch”, beweerde Arno altijd in interviews. Ik vind dat onzin. België is net bijzonder realistisch.’
‘“België is surrealistisch”, beweerde Arno altijd in interviews. Ik vind dat onzin. België is net bijzonder realistisch.’ © Saskia Vanderstichele

‘Er worden in België trouwens al jaren heel wat goede films gedraaid. De pers doet altijd of dat talent zomaar aan de bomen groeit. Maar in werkelijkheid is veel van dat talent opgeleid aan de diverse uitstekende filmscholen die we hebben. Het studiegeld is daar vergeleken met het buitenland spotgoedkoop.’

Hij zal wellicht geen film meer maken. Deze zomer heeft hij nog een script geschreven, maar zijn gezondheid stribbelt enigszins tegen om het te verfilmen. Al is het misschien ook goed ‘om oud te worden met een onvervulde droom’.

Hij ziet ook op tegen het gedoe. ‘Ik ben wel blij dat filmmakers tegenwoordig dankzij een instelling als het Vlaams Audiovisueel Fonds professioneel kunnen werken. En dat ze niet meer, zoals mijn generatie, elke keer opnieuw het warm water hoeven uit te vinden, telkens als ze een film willen maken. Ze worden gesteund van bij het ontstaan van een film tot na de release. Dat is goed, maar ook ingrijpend: er is veel regelgeving en bemoeienis. Terwijl ik vind dat alles moet kunnen, alleen niet allemaal tegelijk: het is heel fijn dat er films gemaakt kunnen worden over zeven flamboyante zwarte homo’s. Maar een film over vijf domme Vlaamse boeren moet evenzeer kunnen.

‘Op mijn begrafenis mogen ze Get It On van T. Rex spelen. Dan gaan de mensen tenminste swingend naar buiten.

‘Nog zoiets: die discussie over blackface. Hoe vermoeiend is dat. Ik snap dat acteurs hun gezicht niet meer zwart mogen verven op de scène. Dat kan niet meer in deze tijd, maar eigenlijk vind ik dat het soms wel zou moeten kunnen. De bühne is al sinds de oude Grieken de plek van de illusie. Een acteur moet alles kunnen spelen, van een bedelaar tot een koning. Het mooie aan film en theater is altijd geweest dat het publiek zich daar ook in kan verplaatsen. Maar als we zo doorgaan, kan Hamlet straks alleen nog maar gespeeld worden door de prins van Denemarken.’

Natuurlijk is het fantastisch dat woke de oude waarden ter discussie stelt, zegt Didden. ‘Anders waren die #MeToo-toestanden maar blijven duren. Door die slijmbal van een Harvey Weinstein is wat velen al vermoedden aan het licht gekomen.’ Alleen heult hij niet graag mee met de rest. ‘Ik ben niet zo goed als lid van een volksgerechtshof. Zeker niet als ik niet weet wat er gebeurd is. Ik heb het bijvoorbeeld moeilijk met hoe Jan Fabre is behandeld. Hij is veroordeeld omdat hij zich misdragen heeft. Maar moet je daarom alles verwerpen wat hij ooit gedaan heeft? Ik snap niet dat De Singel De man die de wolken meet van het dak heeft gehaald.

‘Hetzelfde geldt voor Woody Allen: hij heeft vijftig films gemaakt, maar zijn Wikipediapagina gaat voor de helft over grensoverschrijdend gedrag waarvoor hij vrijgesproken is. Onlangs las ik zijn memoires. Er blijft niets over van de guitige Woody Allen die ik ooit interviewde. Woke kan mensen verbrijzelen.’

Hij is blij, zegt hij, dat hij opgegroeid is in een nest waar racisme of seksisme niet bestond. ‘Nooit heb ik mijn ouders een onvertogen woord horen zeggen over een medemens. Tja, meer heb ik daar eigenlijk niet over te zeggen. Wat denk je?’

Dat het vroeg donker wordt voor de tijd van het jaar. We hebben de Sint-Hubertusgalerijen allang verruild voor À La Mort Subite. Een verrukkelijk café op de Warmoesberg, dat er al sinds 1910 hetzelfde uitziet. Nooit verandert er iets, alleen de passanten. ‘Voor ons zat Jacques Brel hier’, zegt hij. ‘En na ons zullen hier ook interessante mensen zitten.’

Lachen tegen de dood, dat heeft hij ook in de Eldorado geleerd: van Fernandel of de Marx Brothers. In zijn boek zegt Woody Allen tegen hem: ‘Je kunt gewoon veel verder gaan als je jezelf van in het begin al het vrijgeleide geeft dat niets ernstig hoeft te zijn.’

Zelfs het einde niet. ‘Als ik weet dat het zondag mijn beurt is, ga ik op zaterdag mijn in memoriam schrijven. Dan staat er tenminste geen zever in. De titel van mijn vorige boek was Een redelijk leven. Zo voel ik het ook aan. Ik had geen heldenleven, maar ook geen normaal bestaan. Op mijn begrafenis mogen ze Get It On van T. Rex spelen. Dan gaan de mensen tenminste swingend naar buiten.’

Het is plots erg druk in de Mort Subite. We vluchten en dalen de Warmoesberg af. Onderweg, aan de halte van bus 89, luistervinken we wat. Twintigers praten over hun verbouwingen. ‘Het lijken wel ouderen die zich verkleed hebben als jongeren’, zegt Didden. ‘Met Arno discussieerde ik daar soms over. “België is surrealistisch”, beweerde hij altijd in interviews. Ik vind dat onzin. België is net bijzonder realistisch.’

‘Heb ik niet te veel gezeverd?’ vraagt hij dan. ‘Laatst zei Guy Mortier me bij een dode vis in Zurenborg: “Jij zegt soms zomaar wat.” “En dan?” antwoordde ik. “Ga dan met Marc Reynebeau naar de Dôme sur Mer als je met een serieuze mens wilt gaan eten.” (lacht)

Bus 89 is er. Hij stapt in, steekt zijn wandelstok omhoog, en verdwijnt in zijn Brussel. Mooi eindbeeld, voor in de cinema.

Marc Didden, Over Cinema, Luster, 288 blz., 26,95 euro.
Marc Didden, Over Cinema, Luster, 288 blz., 26,95 euro. © National
Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content