'De gemiddelde beschikbare inkomens stijgen voor alle inkomenscategorieën, maar de bovenste helft van de inkomens gaat er het sterkst op vooruit. Dit is een gevolg van de focus van de regering om in te zetten op het verlagen van de belastingen op werkenden', aldus de economen. Als we de inkomens van laag naar hoog verdelen in tien groepen, dan hebben de zesde tot negende groep 5,7 tot 6,8 procent meer koopkracht, tegenover slechts 3 procent voor de tweede groep. De hogere btw en accijnzen hebben een negatief effect op alle inkomensgroepen, maar bij de laagste groepen weegt dit het zwaarst door.

De beleidsoptie om werkenden minder te belasten, heeft er ook voor gezorgd dat de financiële prikkel om te werken is toegenomen. Tussen 2014 en 2018 is de gemiddelde zogenaamde 'participatie-aanslagvoet' met 2,9 procent verminderd van 71,4 tot 68,5 procent. Deze geeft de verhouding weer tussen het inkomen van een niet-werkende en een werkende met dezelfde kenmerken. Hoge participatie-aanslagvoeten verhogen het risico op een 'werkloosheidsval'. 'De daling is veruit het grootste voor de 10 procent laagste lonen. Hier werd een daling genoteerd met 6,7 procentpunten van 76,5 tot 69,8 procent', aldus de economen.

Het gevoerde beleid gaat echter gepaard met een hoge budgettaire kost. De economen berekenden de netto-impact van deze beleidswijzigingen tussen 2014 en 2020 op 5,49 miljard euro. 'Dat is beduidend meer dan de budgettaire kosten van de maatregelen die werden genomen onder de regeringen Verhofstadt I en II. Het maakt ook bijna de helft van de besparingen ongedaan die werden gerealiseerd onder de regeringen Dehaene I en II. De overheid betaalt de factuur voor de verhoging van de gezinsinkomens', aldus de economen.

'De gemiddelde beschikbare inkomens stijgen voor alle inkomenscategorieën, maar de bovenste helft van de inkomens gaat er het sterkst op vooruit. Dit is een gevolg van de focus van de regering om in te zetten op het verlagen van de belastingen op werkenden', aldus de economen. Als we de inkomens van laag naar hoog verdelen in tien groepen, dan hebben de zesde tot negende groep 5,7 tot 6,8 procent meer koopkracht, tegenover slechts 3 procent voor de tweede groep. De hogere btw en accijnzen hebben een negatief effect op alle inkomensgroepen, maar bij de laagste groepen weegt dit het zwaarst door.De beleidsoptie om werkenden minder te belasten, heeft er ook voor gezorgd dat de financiële prikkel om te werken is toegenomen. Tussen 2014 en 2018 is de gemiddelde zogenaamde 'participatie-aanslagvoet' met 2,9 procent verminderd van 71,4 tot 68,5 procent. Deze geeft de verhouding weer tussen het inkomen van een niet-werkende en een werkende met dezelfde kenmerken. Hoge participatie-aanslagvoeten verhogen het risico op een 'werkloosheidsval'. 'De daling is veruit het grootste voor de 10 procent laagste lonen. Hier werd een daling genoteerd met 6,7 procentpunten van 76,5 tot 69,8 procent', aldus de economen.Het gevoerde beleid gaat echter gepaard met een hoge budgettaire kost. De economen berekenden de netto-impact van deze beleidswijzigingen tussen 2014 en 2020 op 5,49 miljard euro. 'Dat is beduidend meer dan de budgettaire kosten van de maatregelen die werden genomen onder de regeringen Verhofstadt I en II. Het maakt ook bijna de helft van de besparingen ongedaan die werden gerealiseerd onder de regeringen Dehaene I en II. De overheid betaalt de factuur voor de verhoging van de gezinsinkomens', aldus de economen.