Wat een vreemde paasvakantie maken we door. De voorbije jaren vulden we die twee schoolvrije weken probleemloos met sportkampjes, familiebezoekjes of knepen we er af en toe zelfs eens een weekje tussenuit. Dit jaar maakt het covid-19-virus dat allemaal onmogelijk. Eerder dan een paasvakantie te hebben, hebben we het nu over de vierde en de vijfde week van de Corona lockdown-light, want ook in deze paas/coronaweken combineren vele ouders de zorg voor kinderen met telewerk. Geen makkelijke opdracht. Integendeel. Maar tussen alle frustraties, beslommeringen en muizenissen door is er misschien toch een hoopvolle boodschap te ontwaren: misschien liet de coronavakantie ons wel toe om het kind in onszelf te herontdekken.

De ontdekking van het kind

Het was de Franse historicus Philippe Ariès die in de jaren '60 wees op het feit dat het kind en de daarbij horende kindertijd vrij recente ontdekkingen waren. De zeventiende eeuw was in dat opzicht een scharnierperiode. Vanaf ongeveer 1650 werden kinderen in het Westen namelijk niet langer gezien als mini-volwassenen, maar kregen ze een afzonderlijk statuut en behandelde men ze op een andere manier dan volwassenen.

De wijze waarop men de wereld van het kind vormgaf, verschilde steeds meer van die van de volwassenen: er kwam speciale kledij en dito speelgoed voor kinderen, kinderarbeid werd in toenemende mate afgebouwd en na verloop van tijd verboden, vrijelijke omgang met seksualiteit werd een taboe en op uiteenlopende manieren verhinderd, en bovenal werd van kinderen verwacht dat ze voor een lange periode onafgebroken naar school zouden gaan. Tussen de wereld van het kind en de wereld van de volwassene lag plots een enorme kloof. Het contact tussen volwassenen en kinderen beperkte zich in toenemende mate tot controle en hiërarchisch toezicht.

Laten we in coronatijd onze kinderlijkheid van onder het stof halen.

Het verdwijnen van de kindertijd

Niet iedereen was het eens met de visie van Ariès. Vanuit verschillende hoeken formuleerde men kritieken. De meest tot de verbeelding sprekende is wellicht de stelling van de Amerikaanse cultuurcriticus Neil Postman in zijn boek The disappearance of childhood. In dit boek beargumenteerde Postman dat het kind en de kindertijd sinds de Tweede Wereldoorlog als sneeuw voor de zon smolten. Concrete aanleiding voor deze verdwijning was de introductie van de televisie in de westerse huisgezinnen. De televisie en de hierbij horende visuele beeldcultuur zorgde er namelijk voor dat het kind onmiddellijk toegang had tot allerlei informatie waar het voordien van kon worden afgeschermd. De dood, menselijke agressie en seksualiteit konden via het beeldscherm direct worden aanschouwd. Bovendien was Postman van mening dat de dominantie van een visuele beeldcultuur ook negatieve gevolgen had voor het belang dat werd gehecht aan het leren lezen en schrijven. Doordat alle informatie direct kon worden geconsumeerd via beelden, dienden kinderen niet meer jarenlang afgezonderd door te brengen in een school om er ingewijd te worden in de wondere wereld van het alfabet en de fijne motoriek. Het tijdrovende leren lezen was overbodig geworden. Het volstond om te kijken.

Covid-19 en de herontdekking van het kind?

Na de ontdekking van het kind in de 17de eeuw, het verdwijnen ervan in de jaren '60 van de twintigste eeuw kan men zich de vraag stellen wat nu de gevolgen zijn van de huidige coronacrisis op hoe wij naar kinderen kijken en hoe we ze behandelen. Voor wie dezer dagen van thuis uit werkt en kinderen heeft, zal er weinig twijfel over bestaan: de wereld van het kind en de wereld van de volwassenen lopen meer dan ooit terug door elkaar. In alle rust en kalmte aan een opiniestuk werken, bijvoorbeeld, zit er niet echt meer in. Het sluiten van de scholen heeft de kinder- en volwassentijd grondig door elkaar geschud. De wereld van de volwassenen waar men eeuwenlang aan timmerde, lijkt dezer dagen als een kaartenhuisje in elkaar te vallen. Maar de kindertijd geeft zich niet zomaar gewonnen! Zoveel is ook duidelijk. De webshops van Dreamland en Bol.com draaien overuren en vragen klanten om geduld te hebben omdat ze de vraag naar speelgoed niet kunnen bolwerken. Gezinnen die over een tuin beschikken, gaan over tot het aanschaffen van een trampoline zodat kindlief en werk elkaar niet te veel voor de voeten springen. Tegen de kindertijd lijkt geen kruid opgewassen te zijn, zelfs geen wereldwijde pandemie.

Het virulente van het kind in onszelf

Of we het kind herontdekken of niet, hangt natuurlijk sterk af van de situatie waarin we ons bevinden. Voor gegoede gezinnen die weinig tot niet getroffen worden door de coronacrisis blijft de kindertijd als een speels bootje boven drijven. Voor ouders die worden geconfronteerd met inkomensverlies, die niet beschikken over een tuin waar af en toe eens stoom kan worden afgelaten of die te kampen hebben met andere kwetsbare situaties is het een ander paar mouwen. Ons de vraag stellen of het kind in deze coronatijden al dan niet wordt ontdekt, kan ons zeker helpen om bepaalde precaire situaties in kaart te brengen, alsook om bepaalde uitspattingen uit het verleden ter discussie te stellen. Maar misschien moeten we de vraag ook maar eens een andere richting uitsturen, namelijk wat de huidige situatie voor het kindse karakter van de volwassene betekent.

De confrontatie met de tomeloze energie van kinderen, met hun verlangen om erbij te horen, om mee te kunnen koken, om mee na te denken over en te bouwen aan een kippenhok, zegt misschien meer over ons volwassenen dan over de kinderen zelf. Vloeien de frustraties die we voelen niet eerder voort uit een onuitgesproken verlangen om zelf opnieuw wat authentieker in het leven te staan en om de band met onze eigen kinderlijkheid van onder het stof te halen? Zou dat niet net de hoopvolle boodschap kunnen zijn die de paasklokken het voorbije paasweekend vanuit Rome meebrachten.

Eerder dan het kind verder te betonneren in een wereld die totaal is aangepast aan kindernoden en -wensen of bodemloos te betreuren dat die kinderwereld naar de haaien gaat en we van kinderen opnieuw mini-volwassenen maken, lijkt er toch ook een sprankeltje hoop in de huidige crisis vervat te zitten, namelijk dat volwassenen opnieuw het kind in zichzelf ontdekken. En laat ons, als dat gebeurt, voor één keer burgerlijk ongehoorzaam zijn en ons met zijn allen blootstellen aan het virus van het kind-zijn.

Wat een vreemde paasvakantie maken we door. De voorbije jaren vulden we die twee schoolvrije weken probleemloos met sportkampjes, familiebezoekjes of knepen we er af en toe zelfs eens een weekje tussenuit. Dit jaar maakt het covid-19-virus dat allemaal onmogelijk. Eerder dan een paasvakantie te hebben, hebben we het nu over de vierde en de vijfde week van de Corona lockdown-light, want ook in deze paas/coronaweken combineren vele ouders de zorg voor kinderen met telewerk. Geen makkelijke opdracht. Integendeel. Maar tussen alle frustraties, beslommeringen en muizenissen door is er misschien toch een hoopvolle boodschap te ontwaren: misschien liet de coronavakantie ons wel toe om het kind in onszelf te herontdekken. Het was de Franse historicus Philippe Ariès die in de jaren '60 wees op het feit dat het kind en de daarbij horende kindertijd vrij recente ontdekkingen waren. De zeventiende eeuw was in dat opzicht een scharnierperiode. Vanaf ongeveer 1650 werden kinderen in het Westen namelijk niet langer gezien als mini-volwassenen, maar kregen ze een afzonderlijk statuut en behandelde men ze op een andere manier dan volwassenen. De wijze waarop men de wereld van het kind vormgaf, verschilde steeds meer van die van de volwassenen: er kwam speciale kledij en dito speelgoed voor kinderen, kinderarbeid werd in toenemende mate afgebouwd en na verloop van tijd verboden, vrijelijke omgang met seksualiteit werd een taboe en op uiteenlopende manieren verhinderd, en bovenal werd van kinderen verwacht dat ze voor een lange periode onafgebroken naar school zouden gaan. Tussen de wereld van het kind en de wereld van de volwassene lag plots een enorme kloof. Het contact tussen volwassenen en kinderen beperkte zich in toenemende mate tot controle en hiërarchisch toezicht. Niet iedereen was het eens met de visie van Ariès. Vanuit verschillende hoeken formuleerde men kritieken. De meest tot de verbeelding sprekende is wellicht de stelling van de Amerikaanse cultuurcriticus Neil Postman in zijn boek The disappearance of childhood. In dit boek beargumenteerde Postman dat het kind en de kindertijd sinds de Tweede Wereldoorlog als sneeuw voor de zon smolten. Concrete aanleiding voor deze verdwijning was de introductie van de televisie in de westerse huisgezinnen. De televisie en de hierbij horende visuele beeldcultuur zorgde er namelijk voor dat het kind onmiddellijk toegang had tot allerlei informatie waar het voordien van kon worden afgeschermd. De dood, menselijke agressie en seksualiteit konden via het beeldscherm direct worden aanschouwd. Bovendien was Postman van mening dat de dominantie van een visuele beeldcultuur ook negatieve gevolgen had voor het belang dat werd gehecht aan het leren lezen en schrijven. Doordat alle informatie direct kon worden geconsumeerd via beelden, dienden kinderen niet meer jarenlang afgezonderd door te brengen in een school om er ingewijd te worden in de wondere wereld van het alfabet en de fijne motoriek. Het tijdrovende leren lezen was overbodig geworden. Het volstond om te kijken. Na de ontdekking van het kind in de 17de eeuw, het verdwijnen ervan in de jaren '60 van de twintigste eeuw kan men zich de vraag stellen wat nu de gevolgen zijn van de huidige coronacrisis op hoe wij naar kinderen kijken en hoe we ze behandelen. Voor wie dezer dagen van thuis uit werkt en kinderen heeft, zal er weinig twijfel over bestaan: de wereld van het kind en de wereld van de volwassenen lopen meer dan ooit terug door elkaar. In alle rust en kalmte aan een opiniestuk werken, bijvoorbeeld, zit er niet echt meer in. Het sluiten van de scholen heeft de kinder- en volwassentijd grondig door elkaar geschud. De wereld van de volwassenen waar men eeuwenlang aan timmerde, lijkt dezer dagen als een kaartenhuisje in elkaar te vallen. Maar de kindertijd geeft zich niet zomaar gewonnen! Zoveel is ook duidelijk. De webshops van Dreamland en Bol.com draaien overuren en vragen klanten om geduld te hebben omdat ze de vraag naar speelgoed niet kunnen bolwerken. Gezinnen die over een tuin beschikken, gaan over tot het aanschaffen van een trampoline zodat kindlief en werk elkaar niet te veel voor de voeten springen. Tegen de kindertijd lijkt geen kruid opgewassen te zijn, zelfs geen wereldwijde pandemie. Of we het kind herontdekken of niet, hangt natuurlijk sterk af van de situatie waarin we ons bevinden. Voor gegoede gezinnen die weinig tot niet getroffen worden door de coronacrisis blijft de kindertijd als een speels bootje boven drijven. Voor ouders die worden geconfronteerd met inkomensverlies, die niet beschikken over een tuin waar af en toe eens stoom kan worden afgelaten of die te kampen hebben met andere kwetsbare situaties is het een ander paar mouwen. Ons de vraag stellen of het kind in deze coronatijden al dan niet wordt ontdekt, kan ons zeker helpen om bepaalde precaire situaties in kaart te brengen, alsook om bepaalde uitspattingen uit het verleden ter discussie te stellen. Maar misschien moeten we de vraag ook maar eens een andere richting uitsturen, namelijk wat de huidige situatie voor het kindse karakter van de volwassene betekent. De confrontatie met de tomeloze energie van kinderen, met hun verlangen om erbij te horen, om mee te kunnen koken, om mee na te denken over en te bouwen aan een kippenhok, zegt misschien meer over ons volwassenen dan over de kinderen zelf. Vloeien de frustraties die we voelen niet eerder voort uit een onuitgesproken verlangen om zelf opnieuw wat authentieker in het leven te staan en om de band met onze eigen kinderlijkheid van onder het stof te halen? Zou dat niet net de hoopvolle boodschap kunnen zijn die de paasklokken het voorbije paasweekend vanuit Rome meebrachten. Eerder dan het kind verder te betonneren in een wereld die totaal is aangepast aan kindernoden en -wensen of bodemloos te betreuren dat die kinderwereld naar de haaien gaat en we van kinderen opnieuw mini-volwassenen maken, lijkt er toch ook een sprankeltje hoop in de huidige crisis vervat te zitten, namelijk dat volwassenen opnieuw het kind in zichzelf ontdekken. En laat ons, als dat gebeurt, voor één keer burgerlijk ongehoorzaam zijn en ons met zijn allen blootstellen aan het virus van het kind-zijn.