Sinds Amédée de Failly in 1831 als eerste minister opstapte wegens "incompetentie tijdens de tiendaagse inval van Willem 1", volgden 55 federale of deelstaatministers zijn voorbeeld. De redenen daarvoor waren enorm divers. Van zwartwerk, ontsnappingen en omkoopschandalen tot vermeende sympathie voor collaborateurs. Meestal trad een minister af omwille van persoonlijke of partijpolitieke feiten. De gevallen waarin beleidsverantwoordelijkheid wordt genomen zijn zeldzaam.

Dat toont meteen aan hoe moeilijk het begrip verantwoordelijkheid definieerbaar is binnen onze politieke cultuur. Niemand kan zeggen tot hoe ver ze gaat. Dat is ergens logisch. Want strikt genomen heeft een beleidsvoerder het vertrouwen zolang hij dat via de kiezer en het parlement behoudt.

Laten we als parlement afbakenen tot hoever politieke verantwoordelijkheid gaat.

Een fout is snel gemaakt. Kritiek is snel gegeven. En bloeddorstige oppositieleden roepen doorgaans veel te snel om ontslag. Het vertrouwen van parlement en kiezer daarentegen kan tegen een stootje. Het is daarom niet zo gek dat een politicus zich beroept op het mandaat dat hij van die laatste twee heeft gekregen. En meestal ook in zwaar weer behoudt.

Gradaties

Toch beseft iedereen dat dat vertrouwen niet eindeloos gerekt kan worden. Er zijn daar verschillende gradaties in. Over een grote strafrechtelijk misdaad bijvoorbeeld bestaat geen discussie. Dan kan een politicus zijn mandaat niet naar behoren invullen, ook al blijft de kiezer onvoorwaardelijk achter hem of haar staan. Bij een leugen aan het parlement wordt het al veel minder duidelijk. En als er onder de verantwoordelijkheid van een minister het één en ander grondig fout gaat in beleid, is er momenteel geen enkele richtlijn om politieke verantwoordelijkheid te duiden.

Om nog maar te zwijgen van onze eigen verantwoordelijkheid als parlement. Want zijn wij niet tenslotte de wetgevende macht, die de lakens zou moeten uitdelen? Enkel naar ministers kijken wanneer het over politieke verantwoordelijkheid gaat is te gemakkelijk. Wij keuren tenslotte wetgeving goed en zouden ze - in theorie althans- ook zelf moeten maken.

Politieke verantwoordelijkheid is zoals hands bij het voetbal. Vaak is het niet de intentie van ons beleidsvoerders om een fout te maken. De vraag is dat of dat wel altijd een voldoende rechtvaardiging is. De onduidelijkheid daarover is momenteel te groot. Net zoals bij hands is het onmogelijk om alles in vaste regels te gieten. Maar de voorbije jaren hebben duidelijk gemaakt dat meer houvast wel op zijn plaats is. We moeten die denkoefening in onze parlementen beginnen. De democratie wordt daar sterker van. De wetgeving uiteindelijk beter.

Niet het einde van de wereld

Politieke verantwoordelijkheid nemen heeft bij ons een heel dramatische connotatie. De politieke brandstapel. Onherroepelijk einde verhaal. Dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Voorbeelden uit het buitenland tonen dat verantwoordelijkheid nemen juist heel eervol kan gebeuren. Zonder dat het een toekomstig nieuw mandaat, zelfs in dezelfde functie, uitsluit. Maar daarvoor moet het dus wel eerst duidelijker zijn wat het begrip juist inhoudt. Een volwassen parlementaire democratie heeft daar nood aan. Laat ons daar als parlement voor zorgen.

Sinds Amédée de Failly in 1831 als eerste minister opstapte wegens "incompetentie tijdens de tiendaagse inval van Willem 1", volgden 55 federale of deelstaatministers zijn voorbeeld. De redenen daarvoor waren enorm divers. Van zwartwerk, ontsnappingen en omkoopschandalen tot vermeende sympathie voor collaborateurs. Meestal trad een minister af omwille van persoonlijke of partijpolitieke feiten. De gevallen waarin beleidsverantwoordelijkheid wordt genomen zijn zeldzaam.Dat toont meteen aan hoe moeilijk het begrip verantwoordelijkheid definieerbaar is binnen onze politieke cultuur. Niemand kan zeggen tot hoe ver ze gaat. Dat is ergens logisch. Want strikt genomen heeft een beleidsvoerder het vertrouwen zolang hij dat via de kiezer en het parlement behoudt.Een fout is snel gemaakt. Kritiek is snel gegeven. En bloeddorstige oppositieleden roepen doorgaans veel te snel om ontslag. Het vertrouwen van parlement en kiezer daarentegen kan tegen een stootje. Het is daarom niet zo gek dat een politicus zich beroept op het mandaat dat hij van die laatste twee heeft gekregen. En meestal ook in zwaar weer behoudt.Toch beseft iedereen dat dat vertrouwen niet eindeloos gerekt kan worden. Er zijn daar verschillende gradaties in. Over een grote strafrechtelijk misdaad bijvoorbeeld bestaat geen discussie. Dan kan een politicus zijn mandaat niet naar behoren invullen, ook al blijft de kiezer onvoorwaardelijk achter hem of haar staan. Bij een leugen aan het parlement wordt het al veel minder duidelijk. En als er onder de verantwoordelijkheid van een minister het één en ander grondig fout gaat in beleid, is er momenteel geen enkele richtlijn om politieke verantwoordelijkheid te duiden.Om nog maar te zwijgen van onze eigen verantwoordelijkheid als parlement. Want zijn wij niet tenslotte de wetgevende macht, die de lakens zou moeten uitdelen? Enkel naar ministers kijken wanneer het over politieke verantwoordelijkheid gaat is te gemakkelijk. Wij keuren tenslotte wetgeving goed en zouden ze - in theorie althans- ook zelf moeten maken.Politieke verantwoordelijkheid is zoals hands bij het voetbal. Vaak is het niet de intentie van ons beleidsvoerders om een fout te maken. De vraag is dat of dat wel altijd een voldoende rechtvaardiging is. De onduidelijkheid daarover is momenteel te groot. Net zoals bij hands is het onmogelijk om alles in vaste regels te gieten. Maar de voorbije jaren hebben duidelijk gemaakt dat meer houvast wel op zijn plaats is. We moeten die denkoefening in onze parlementen beginnen. De democratie wordt daar sterker van. De wetgeving uiteindelijk beter.Politieke verantwoordelijkheid nemen heeft bij ons een heel dramatische connotatie. De politieke brandstapel. Onherroepelijk einde verhaal. Dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Voorbeelden uit het buitenland tonen dat verantwoordelijkheid nemen juist heel eervol kan gebeuren. Zonder dat het een toekomstig nieuw mandaat, zelfs in dezelfde functie, uitsluit. Maar daarvoor moet het dus wel eerst duidelijker zijn wat het begrip juist inhoudt. Een volwassen parlementaire democratie heeft daar nood aan. Laat ons daar als parlement voor zorgen.