De stad waarin ik opgegroeid ben, Karmiel, gelegen in het Noorden van Israël, werd in 1964 gesticht op geconfisqueerde landbouwgronden van nabijgelegen Palestijnse dorpen. De redenering van de toenmalige Israëlische regering was om een Joodse meerderheid te kunnen garanderen in dit landgebied. In de loop der jaren werden verschillende mooie parken met publiek geld gecreëerd, om de stad aantrekkelijker te maken voor haar nieuwe Joodse bewoners. Omdat de Israëlische regeringen het merendeel van de Palestijnse landen in beslag hebben genomen en weinig budgetten voor de Palestijnse dorpen, beschikken deze laatsten tot op vandaag over zo goed als geen publieke parken. Sinds de opheffing van het militaire regime voor de Palestijnse burgers in Israël, in 1966, konden zij niettemin weer vrij bewegen in hun land zonder verplaatsingsvergunning. Geleidelijk werd het voor hen terug mogelijk om Karmiel te bezoeken, om er te werken, shoppen, of te picknicken in een van de parken die over hun ingenomen landeigendommen waren gebouwd.

Jammer genoeg verwelkomende niet alle Joods Israëlische stadsbewoners hun buren met groot enthousiasme. Uitspraken zoals 'ze maken veel lawaai', 'ze hebben een andere cultuur', en soms ook 'ze pesten onze meisjes' of 'ze hebben ons park bezet' kwamen regelmatig voor. Het is echter pas sinds de jaren 2000, dat deze uitspraken door racistische politieke krachten geruggesteund werden onder het motto 'ons stad moet Joods blijven'. De toenmalige burgemeester vond een compromis tussen dit toenemend virulent racisme en de liberale pretenties van de stad in zijn beslissing om een aantal stadsparken te omheinen en de toegang betalend te maken voor wie geen bewonerskaart kon voorleggen. Volgens hem was het immers logisch dat de inwoners die gemeentelijke belastingen betalen vrij moeten kunnen genieten van 'hun' stedelijke infrastructuur terwijl buitenstaanders hiervoor moeten betalen. Wat niet ter sprake werd gebracht in het publieke debat waren de historische redenen waarom er parken werden gecreëerd in de Joodse stad, maar niet in de nabijgelegen Palestijnse dorpen. Gelukkig kwam er protest tegen de maatregelen van de burgemeester en de manier waarop dit racistische sentimenten aanwakkerde in het publieke debat. Uiteindelijk, na aanzwellende kritiek, heeft de burgemeester zijn plannen moeten intrekken. Niettemin, blijven lokale en nationale autoriteiten in Israël er alles aan doen om Palestijnse burgers te doen verdwijnen uit tal van publieke ruimten.

'België kan leren van Israël', let Jan Jambon vier jaar geleden weten bij een bezoek aan beveiligingsbedrijven in Israël na de aanslagen in Brussel. Wilde Jan Jambon enkel de Israëlische technologieën importeren, of ook de apartheidslogica die aan de grondslag ligt van deze lucratieve veiligheidsindustrie? De voorbije jaren is er door Jambon en zijn partijgenoten wel vaker verdeeldheid gezaaid in Vlaanderen en België tussen verschillende gemeenschappen en bevolkingsgroepen. Met een discours van 'normen en waarden' stond ook de toegang tot de open ruimte te discussie. Dat is ook wat we nu zien na de gebeurtenissen in Blankenberge. De voorstellen die in de nasleep vanuit de politiek gelanceerd werden, zijn allerminst geruststellend, en we kunnen ook twijfelen aan hun grondwettelijkheid. Denk maar aan de selectie van passagiers in de stations om dagjestoeristen te weren , of aan het 'plaatsverbod' van minister Pieter De Crem, gericht aan bepaalde mensen, voor de hele kust, allebei zaken die we niet als etnisch profileren mogen zien. En ondertussen horen we politieagenten vrijuit praten over 'het uitschot van Brussel' en over hun plannen om 'Anderlecht op te kuisen'.

Het resultaat van dit soort opbod dreigt te worden dat alleen wie genoeg geld en de juiste huidskleur heeft welkom is aan de Belgische kust, en dat mensen uit de armere volkswijken steeds explicieter worden geweerd. Deze mensen zijn blijkbaar gewenst genoeg om als goedkope arbeidskrachten de Belgische stranden proper te houden, nieuwe appartementsblokken te bouwen of de supermarktrekken te vullen, maar niet goed genoeg om een strand mee te delen. De huidige coronacrisis kan geen excuus worden om de Israëlische apartheidslogica naar België in te voeren en bepaalde bevolkingsgroepen te dehumaniseren.

Als sommige politici aanhouden met hun discrimineerde maatregelen, zullen we met iedereen die wél nog in gelijkheid en menselijkheid gelooft een 'March for Freedom' moeten organiseren aan de Belgische kust. De zee en de zon discrimineren tegen niemand; misschien kunnen we van hen iets leren.

Dr. Itamar Shachar is lid van Een Andere Joodse Stem en postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent.

-

De stad waarin ik opgegroeid ben, Karmiel, gelegen in het Noorden van Israël, werd in 1964 gesticht op geconfisqueerde landbouwgronden van nabijgelegen Palestijnse dorpen. De redenering van de toenmalige Israëlische regering was om een Joodse meerderheid te kunnen garanderen in dit landgebied. In de loop der jaren werden verschillende mooie parken met publiek geld gecreëerd, om de stad aantrekkelijker te maken voor haar nieuwe Joodse bewoners. Omdat de Israëlische regeringen het merendeel van de Palestijnse landen in beslag hebben genomen en weinig budgetten voor de Palestijnse dorpen, beschikken deze laatsten tot op vandaag over zo goed als geen publieke parken. Sinds de opheffing van het militaire regime voor de Palestijnse burgers in Israël, in 1966, konden zij niettemin weer vrij bewegen in hun land zonder verplaatsingsvergunning. Geleidelijk werd het voor hen terug mogelijk om Karmiel te bezoeken, om er te werken, shoppen, of te picknicken in een van de parken die over hun ingenomen landeigendommen waren gebouwd.Jammer genoeg verwelkomende niet alle Joods Israëlische stadsbewoners hun buren met groot enthousiasme. Uitspraken zoals 'ze maken veel lawaai', 'ze hebben een andere cultuur', en soms ook 'ze pesten onze meisjes' of 'ze hebben ons park bezet' kwamen regelmatig voor. Het is echter pas sinds de jaren 2000, dat deze uitspraken door racistische politieke krachten geruggesteund werden onder het motto 'ons stad moet Joods blijven'. De toenmalige burgemeester vond een compromis tussen dit toenemend virulent racisme en de liberale pretenties van de stad in zijn beslissing om een aantal stadsparken te omheinen en de toegang betalend te maken voor wie geen bewonerskaart kon voorleggen. Volgens hem was het immers logisch dat de inwoners die gemeentelijke belastingen betalen vrij moeten kunnen genieten van 'hun' stedelijke infrastructuur terwijl buitenstaanders hiervoor moeten betalen. Wat niet ter sprake werd gebracht in het publieke debat waren de historische redenen waarom er parken werden gecreëerd in de Joodse stad, maar niet in de nabijgelegen Palestijnse dorpen. Gelukkig kwam er protest tegen de maatregelen van de burgemeester en de manier waarop dit racistische sentimenten aanwakkerde in het publieke debat. Uiteindelijk, na aanzwellende kritiek, heeft de burgemeester zijn plannen moeten intrekken. Niettemin, blijven lokale en nationale autoriteiten in Israël er alles aan doen om Palestijnse burgers te doen verdwijnen uit tal van publieke ruimten. 'België kan leren van Israël', let Jan Jambon vier jaar geleden weten bij een bezoek aan beveiligingsbedrijven in Israël na de aanslagen in Brussel. Wilde Jan Jambon enkel de Israëlische technologieën importeren, of ook de apartheidslogica die aan de grondslag ligt van deze lucratieve veiligheidsindustrie? De voorbije jaren is er door Jambon en zijn partijgenoten wel vaker verdeeldheid gezaaid in Vlaanderen en België tussen verschillende gemeenschappen en bevolkingsgroepen. Met een discours van 'normen en waarden' stond ook de toegang tot de open ruimte te discussie. Dat is ook wat we nu zien na de gebeurtenissen in Blankenberge. De voorstellen die in de nasleep vanuit de politiek gelanceerd werden, zijn allerminst geruststellend, en we kunnen ook twijfelen aan hun grondwettelijkheid. Denk maar aan de selectie van passagiers in de stations om dagjestoeristen te weren , of aan het 'plaatsverbod' van minister Pieter De Crem, gericht aan bepaalde mensen, voor de hele kust, allebei zaken die we niet als etnisch profileren mogen zien. En ondertussen horen we politieagenten vrijuit praten over 'het uitschot van Brussel' en over hun plannen om 'Anderlecht op te kuisen'.Het resultaat van dit soort opbod dreigt te worden dat alleen wie genoeg geld en de juiste huidskleur heeft welkom is aan de Belgische kust, en dat mensen uit de armere volkswijken steeds explicieter worden geweerd. Deze mensen zijn blijkbaar gewenst genoeg om als goedkope arbeidskrachten de Belgische stranden proper te houden, nieuwe appartementsblokken te bouwen of de supermarktrekken te vullen, maar niet goed genoeg om een strand mee te delen. De huidige coronacrisis kan geen excuus worden om de Israëlische apartheidslogica naar België in te voeren en bepaalde bevolkingsgroepen te dehumaniseren. Als sommige politici aanhouden met hun discrimineerde maatregelen, zullen we met iedereen die wél nog in gelijkheid en menselijkheid gelooft een 'March for Freedom' moeten organiseren aan de Belgische kust. De zee en de zon discrimineren tegen niemand; misschien kunnen we van hen iets leren. Dr. Itamar Shachar is lid van Een Andere Joodse Stem en postdoctoraal onderzoeker aan de Universiteit Gent.-