Afgelopen week velde econoom Gert Peersman in Knack een streng maar stevig onderbouwd verdict over de economische prestaties van de voorbije vijf jaar. Ondanks de steile sociaal-economische ambities aan het begin van de legislatuur en de talrijke triomfberichten tijdens, mondde het regeringswerk niet uit in extra economische groei, extra jobs, extra koopkracht of een structurele daling van het begrotingstekort. Tja, weg sfeer (voor zover die er nog was). Voor alle duidelijkheid: het betekent niet dat er geen jobs zijn bijgekomen, dat er geen lastenverlaging en koopkrachttoename was of dat er geen competitiviteits- en besparingsinspanningen werden geleverd.

Toch wel. Maar rekening houdend met het verloop van de internationale conjunctuur en de prestaties in de rest van de eurozone, vielen de Belgische resultaten eerder pover uit. Het is natuurlijk altijd opletten met de interpretatie van econometrische schattingen, zoals professor Peersman zelf aangeeft. Maar de pijnlijke realiteit is wel dat onze werkgelegenheids- en productiviteitsgroei onder het eurozonegemiddelde bleven steken. Wat de uittredende regeringscoalitie en haar supporters ook mogen beweren, van een indrukwekkend of historisch parcours kan geen sprake zijn.

Laat de hoeraberichten over de Belgische economie gerust nog even in de kast.

De keerzijde is dat er meer dan voldoende potentieel blijft om van België een actieve welvaartstaat te maken die handig weet in te spelen op snel wijzigende omstandigheden. Bovenal zijn er nog altijd te weinig mensen aan het werk, dé achilleshiel van de Belgische economie. Belangrijk: het gaat niet zozeer om werklozen, het gaat vooral om niet-actieven. Zou ons land tot de beste leerlingen van de Europese klas behoren, dan waren er nu ruim een half miljoen mensen meer aan de slag. Ik zal hier niet beweren dat het een koud kunstje is om die doelstelling te bereiken, laat staan binnen een kort tijdsbestek. De economische en politieke logica bewegen immers niet altijd synchroon. En ja, er zijn belangrijke regionale verschillen in ons land. Anderzijds zouden de onderliggende oorzaken van die ondermaatse tewerkstelling intussen genoegzaam bekend moeten zijn, zoals ook econoom Bart Van Craeynest in zijn nieuwste boek toont.

Met de hoge belastingdruk op arbeid, het eerder hoge minimumloon, de inactiviteitsval, de beperkte arbeidsmobiliteit, de vervroegde uittredingsmogelijkheden, de zwakke prestaties op het vlak van levenslang leren en de gebrekkige integratie van nieuwkomers kom je al een heel eind. Minstens zoveel aandacht moet nu gaan naar het in kaart brengen van de precieze oorzaken achter de teleurstellende Belgische productiviteitsgroei. Met een gebrek aan publieke investeringen in infrastructuur, de suboptimale concurrentie in de dienstensector, de complexe regelgeving en het relatief hoge aantal zombiebedrijven zijn er in ieder geval kandidaten genoeg.

Afgaande op de voorbije verkiezingscampagne ziet het er niet naar uit dat er binnenkort een wervelend en consistent plan zal worden uitgerold om de status quo te ontvluchten.

Laat de hoeraberichten over de Belgische economie dus nog maar eventjes in de kast. Het lijkt er eerder op dat er alweer kostbare tijd verloren ging. Tot nader order staan we samen gezellig in de file, blijven we verstoken van een duurzaam energieplan, blinkt onze staatsstructuur uit in complexiteit en vallen de budgettaire reserves van de overheid mager uit in het licht van de oplopende vergrijzingsuitgaven. Afgaande op de voorbije verkiezingscampagne ziet het er niet naar uit dat er binnenkort een wervelend en consistent plan zal worden uitgerold om de status quo te ontvluchten. Tussen droom en daad staan uiteenlopende partijvisies en de gevestigde belangen van het maatschappelijke middenveld. De geschiedenis leert dat ons land de economische tanker enkel kan keren onder serieuze externe druk.

Begin jaren tachtig, toen België bestempeld werd als de zieke man van Europa, kwam die druk van het IMF en de financiële markten. En in de jaren negentig stonden alle beleidsinspanningen in het teken van euro-toetreding. Van een echte 'sense of urgency' valt tot op heden weinig te merken. Intussen plaatsen de aarzelende internationale conjunctuur de turbulente mondiale handelscontext onze kleine open economie alweer voor bijkomende uitdagingen.

Tegen die achtergrond wordt het niet evident om beter te doen dan het gemiddelde in de eurozone. Ongeacht de steile ambities die de nieuwe coalitie opnieuw aan de dag zal leggen, ongeacht de hoeveelheid klopjes op de eigen schouders, voorlopig is het makkelijk om bescheiden te blijven. Eerst zien en dan geloven.

Afgelopen week velde econoom Gert Peersman in Knack een streng maar stevig onderbouwd verdict over de economische prestaties van de voorbije vijf jaar. Ondanks de steile sociaal-economische ambities aan het begin van de legislatuur en de talrijke triomfberichten tijdens, mondde het regeringswerk niet uit in extra economische groei, extra jobs, extra koopkracht of een structurele daling van het begrotingstekort. Tja, weg sfeer (voor zover die er nog was). Voor alle duidelijkheid: het betekent niet dat er geen jobs zijn bijgekomen, dat er geen lastenverlaging en koopkrachttoename was of dat er geen competitiviteits- en besparingsinspanningen werden geleverd. Toch wel. Maar rekening houdend met het verloop van de internationale conjunctuur en de prestaties in de rest van de eurozone, vielen de Belgische resultaten eerder pover uit. Het is natuurlijk altijd opletten met de interpretatie van econometrische schattingen, zoals professor Peersman zelf aangeeft. Maar de pijnlijke realiteit is wel dat onze werkgelegenheids- en productiviteitsgroei onder het eurozonegemiddelde bleven steken. Wat de uittredende regeringscoalitie en haar supporters ook mogen beweren, van een indrukwekkend of historisch parcours kan geen sprake zijn. De keerzijde is dat er meer dan voldoende potentieel blijft om van België een actieve welvaartstaat te maken die handig weet in te spelen op snel wijzigende omstandigheden. Bovenal zijn er nog altijd te weinig mensen aan het werk, dé achilleshiel van de Belgische economie. Belangrijk: het gaat niet zozeer om werklozen, het gaat vooral om niet-actieven. Zou ons land tot de beste leerlingen van de Europese klas behoren, dan waren er nu ruim een half miljoen mensen meer aan de slag. Ik zal hier niet beweren dat het een koud kunstje is om die doelstelling te bereiken, laat staan binnen een kort tijdsbestek. De economische en politieke logica bewegen immers niet altijd synchroon. En ja, er zijn belangrijke regionale verschillen in ons land. Anderzijds zouden de onderliggende oorzaken van die ondermaatse tewerkstelling intussen genoegzaam bekend moeten zijn, zoals ook econoom Bart Van Craeynest in zijn nieuwste boek toont. Met de hoge belastingdruk op arbeid, het eerder hoge minimumloon, de inactiviteitsval, de beperkte arbeidsmobiliteit, de vervroegde uittredingsmogelijkheden, de zwakke prestaties op het vlak van levenslang leren en de gebrekkige integratie van nieuwkomers kom je al een heel eind. Minstens zoveel aandacht moet nu gaan naar het in kaart brengen van de precieze oorzaken achter de teleurstellende Belgische productiviteitsgroei. Met een gebrek aan publieke investeringen in infrastructuur, de suboptimale concurrentie in de dienstensector, de complexe regelgeving en het relatief hoge aantal zombiebedrijven zijn er in ieder geval kandidaten genoeg. Laat de hoeraberichten over de Belgische economie dus nog maar eventjes in de kast. Het lijkt er eerder op dat er alweer kostbare tijd verloren ging. Tot nader order staan we samen gezellig in de file, blijven we verstoken van een duurzaam energieplan, blinkt onze staatsstructuur uit in complexiteit en vallen de budgettaire reserves van de overheid mager uit in het licht van de oplopende vergrijzingsuitgaven. Afgaande op de voorbije verkiezingscampagne ziet het er niet naar uit dat er binnenkort een wervelend en consistent plan zal worden uitgerold om de status quo te ontvluchten. Tussen droom en daad staan uiteenlopende partijvisies en de gevestigde belangen van het maatschappelijke middenveld. De geschiedenis leert dat ons land de economische tanker enkel kan keren onder serieuze externe druk. Begin jaren tachtig, toen België bestempeld werd als de zieke man van Europa, kwam die druk van het IMF en de financiële markten. En in de jaren negentig stonden alle beleidsinspanningen in het teken van euro-toetreding. Van een echte 'sense of urgency' valt tot op heden weinig te merken. Intussen plaatsen de aarzelende internationale conjunctuur de turbulente mondiale handelscontext onze kleine open economie alweer voor bijkomende uitdagingen. Tegen die achtergrond wordt het niet evident om beter te doen dan het gemiddelde in de eurozone. Ongeacht de steile ambities die de nieuwe coalitie opnieuw aan de dag zal leggen, ongeacht de hoeveelheid klopjes op de eigen schouders, voorlopig is het makkelijk om bescheiden te blijven. Eerst zien en dan geloven.