Op de Grote Markt van Halle kijkt een witmarmeren man, hoog op zijn sokkel, naar de gotische Sint-Martinusbasiliek. De stad heeft een groots verleden dat teruggaat tot de Gallo-Romeinse tijd. Koningen, graven en hertogen waren hier kind aan huis. Je zou een standbeeld van een hooggeborene verwachten in het midden van de Grote Markt, maar die ereplaats werd toegewezen aan de zoon van een eenvoudige schoenlapper: Adrien François Servais, bijgenaamd 'de Paganini van de cello'. Deze ode aan de vader van de Belgische celloschool toont een ernstig kijkend musicus gehuld in een toga, de onafscheidelijke Stradivarius rust aan zijn linkerheup. Respectvol werk van zijn schoonzoon, Cyprien Godebski. Op 1 oktober 1871 werd het beeld met een groots feest ingehuldigd. Concerten en vuurwerk besloten een dag vol laudaties. Het was de laatste keer dat een cellist in ons land zo veel eer te beurt viel. Daarna verslapte de aandacht geleidelijk voor het instrument.
...

Op de Grote Markt van Halle kijkt een witmarmeren man, hoog op zijn sokkel, naar de gotische Sint-Martinusbasiliek. De stad heeft een groots verleden dat teruggaat tot de Gallo-Romeinse tijd. Koningen, graven en hertogen waren hier kind aan huis. Je zou een standbeeld van een hooggeborene verwachten in het midden van de Grote Markt, maar die ereplaats werd toegewezen aan de zoon van een eenvoudige schoenlapper: Adrien François Servais, bijgenaamd 'de Paganini van de cello'. Deze ode aan de vader van de Belgische celloschool toont een ernstig kijkend musicus gehuld in een toga, de onafscheidelijke Stradivarius rust aan zijn linkerheup. Respectvol werk van zijn schoonzoon, Cyprien Godebski. Op 1 oktober 1871 werd het beeld met een groots feest ingehuldigd. Concerten en vuurwerk besloten een dag vol laudaties. Het was de laatste keer dat een cellist in ons land zo veel eer te beurt viel. Daarna verslapte de aandacht geleidelijk voor het instrument. De komende dagen wordt dat ruimhartig gecorrigeerd tijdens de 47e editie van de Koningin Elisabethwedstrijd, voor het eerst voorbehouden aan cellisten. Het blijft vreemd dat de Elisabethwedstrijd nooit eerder een editie organiseerde waarin het mooiste aller strijkinstrumenten, de cello, centraal staat. Koningin Elisabeth (1876-1965) was kind aan huis bij wetenschappers en muzikanten. Ze onderhield een innige vriendschap met de Belgische violist Eugène Ysaÿe, en daarnaast kwam ook de legendarische Catalaanse cellist Pablo Casals vaak op het paleis. In 1937 wilde de koningin absoluut de enkele jaren eerder overleden Eugène Ysaÿe eren met een concours, dat ook officieel de 'Eugène Ysaÿe-wedstrijd' werd genoemd. Ysaÿe was de leraar van koningin Elisabeth, die graag en vaak viool speelde - al beweren zij die het kunnen weten dat het nooit echt goed klonk. Maar goed: haar liefde voor de muziek klonk oprecht, en haar bedoelingen met deze wedstrijd waren nobel. De Joods-Oekraïense violist David Oistrach won con brio de eerste editie. Zowel het publiek als de jury droeg hem op handen. De naam en faam van het evenement werd meteen wereldwijd erkend. Oistrach was het beste uithangbord dat de wedstrijd zich kon indenken. In alle concertzalen waar hij daarna schitterde, sprak men vol lof over het nieuwe Brusselse evenement. Een jaar later koos Elisabeth voor een ander instrument: de piano. Ook toen won een Oekraïense Jood. Emil Gilels zou een icoon onder de naoorlogse pianisten worden. Twee jaar op rij scoorde Brussel met twee toppers, en daarmee plaatste het zich definitief op de internationale agenda. In 1939 kondigde de vorstin vol goede moed nog een wedstrijd aan, voor dirigenten dit keer. Hitler had echter andere plannen met de wereld, en tijdens de oorlogsjaren verdween de 'Eugène Ysaÿe-wedstrijd' uit beeld. In 1951 kwam de idee van een Brussels concours weer tot leven. De pas opgerichte Stichting Koningin Elisabeth besliste om jaar na jaar, afwisselend voor violisten, pianisten en componisten, een naar de koningin genoemde wedstrijd te organiseren. De edities voor componisten waren geen lang leven beschoren - het wilde maar niet lukken om er aandacht voor te vangen - en in 1988 kreeg operadirecteur Gerard Mortier het geregeld om de menselijke stem aan het curriculum van het concours toe te voegen. En dit jaar, precies 80 jaar na het ontstaan van de wedstrijd die ondertussen een waar monument is geworden, haalt de cello eindelijk zijn gram en keert het instrument door de grote poort terug naar België. Dat is verdomd goed bekeken van de stichting, want sinds het verdwijnen van het Casals-Rostropovitsj-concours in Parijs bestond er voor de cello geen echt A-concours meer in de wereld. De Elisabethwedstrijd, met zijn indrukwekkende reputatie, kan het veld nu soeverein bezetten. Alle andere concoursen komen niet eens in de buurt van de status die de Elisabethwedstrijd bezit. De stichting is zich goed bewust van die unieke kans en sloofde zich de voorbije jaren uit om van de intrede in de cellowereld een groots moment te maken. De juryleden, die na zorgvuldig lobbywerk zijn bijeengebracht, vormen samen een indrukwekkende lijst. Het is makkelijker om op te sommen wie er niet bij is dan andersom. Op de Duitse Daniel Müller-Schott, de Chinees-Amerikaanse Yo-Yo Ma en de Britse Steven Isserlis na hebben alle huidige toppers toegezegd, zodat straks de crème de la crème achter de lange jurytafel zal plaatsnemen. De stichting was ook zo verstandig om het communautair correcte duo Belgen, de Waalse Marie Hallynck en de Vlaming Roel Dieltiens, mee uit te nodigen. Hoe dan ook, ze zitten daar perfect op hun plaats. Dit is uiteraard niet zo'n best nieuws voor de concertzalen die de komende weken een celloconcerto willen programmeren. Wie in pakweg Tokio, Londen, New York of Parijs een topper wil inviteren, is eraan voor de moeite: iedereen, van Gautier Capuçon tot Mischa Maisky, zit in Brussel te jureren. De cello keert dus niet zomaar terug naar België: het wordt een overrompeling van nieuw en oud talent. Wie weet is er nu een nieuwe Isserlis aan het oefenen voor zijn passage in de Brusselse finale. De Russische dissident en legendarische cellist Mstislav Rostropovitsj (hij trok in vrijwillige ballingschap naar Amerika) was een groot ambassadeur van de cello. 'Toen ik cello begon te spelen,' zei hij, 'was ik meteen verliefd op het instrument omdat het lijkt op de menselijke stem - op mijn stem.' De cello werd wel vaker vergeleken met de menselijke stem. Maar wélke stem? Rostropovitsj is daar heel duidelijk over: voor hem is de cello een mannelijk instrument want het bereik, bijna vier octaven, correspondeert met dat van een tenor. De viool krijgt dan weer het predicaat vrouwelijk, omdat het bereik eerder aansluit bij de sopraanstem. Dat de cello zingt, staat buiten kijf. Het geluid staat het dichtst bij de menselijke zangstem, en dat is voor nogal wat cellisten precies de reden om voor het instrument te kiezen. Alhoewel. Ik ging het na bij enkele bevriende cellisten en ving twee keer bot. Plots bleek dat veel bekende quotes van al even beroemde cellisten met een korreltje zout moeten worden genomen. Han Bin Yoon, een jonge Koreaans-Amerikaanse cellist die in Brussel studeert, vertelt me dat zijn moeder schuldig is aan zijn beroepskeuze. Deze voortreffelijke pianiste stopte haar zoontje al heel vroeg een cello in de hand omdat ze het leuk zou vinden om later met hem samen sonates te spelen. 'On sera pharmacien parce-que papa ne l'était pas', zong Brel al in de jaren vijftig. Veerle Simoens, bekend van het vermaarde Simoens Trio, leerde dan weer cellospelen omdat ze absoluut een groter instrument wilde dan de viool van haar zus. Van alle muziekwedstrijden in de wereld is de Elisabethwedstrijd zonder enige twijfel de meest veeleisende. De kandidaten, die van overal komen, moeten een video-opname van hun kunnen opsturen. Op basis daarvan gebeurt de eerste selectie. Zo moeten dit jaar 70 cellisten voor de jury verschijnen in een eerste ronde. Ze krijgen maximaal 20 minuten om hun kwaliteiten te tonen tijdens een volwaardig maar kort recital, volledig uit het hoofd te spelen. Het repertoire waaruit de kandidaten kunnen kiezen, is in het reglement vastgelegd. Het zijn stuk voor stuk grote sonates of bewegingen uit sonates waarvan de moeilijkheidsgraad niet mag worden onderschat. Slechts 24 van de 70 kandidaten gaan door naar de halve finale. Daarna begint het ernstige werk. In de concertstudio van het akoestisch briljante Flageygebouw wacht het Orchestre royal de chambre de Wallonie hen op voor een volwaardig recital. Voor de goede orde: de sessies beginnen meteen na hun eerste ronde, er zit niet meer dan een weekend tussen. Een weekend van hard oefenen, want alweer zonder partituur op de muziekstandaard moet elke kandidaat ofwel een concerto van Haydn ofwel van Boccherini vertolken, naast een kort, onuitgegeven werk dat ze pas bij toelating tot de eerste ronde in handen krijgen. En omdat het nooit zwaar genoeg kan zijn voor Brussel, ook nog twee korte recitals van ongeveer 35 minuten. Elke cellist treedt dus twee keer aan. En dan wordt het menens. De groep wordt gehalveerd, en de twaalf finalisten worden letterlijk opgesloten in de Koninklijke Kapel in Waterloo om zich voor te bereiden op de finale. Alleen dat laatste deel krijgt u op tv te zien, maar op dat moment zijn veel deelnemers al doodmoe. Dat weekje vooraf is er niet om te rusten, want tijdens hun grote finaledag moeten ze elk hetzelfde onuitgegeven werk vertolken. Het gaat om een speciaal voor de wedstrijd geschreven concerto voor cello en orkest. De jury kan daarbij elke cellist controleren op zijn oorspronkelijkheid, want voor dit onderdeel kun je niet terugvallen op voorbeelden. Als klap op de vuurpijl moet een volledig uit het hoofd te spelen celloconcerto naar keuze worden gebracht. Veel tijd om met orkest te oefenen is er niet. De concerten volgen elkaar op, maar het Brussels Philharmonic onder leiding van Stéphane Denève zal nog maar eens bewijzen hoe flexibel onze orkestmuzikanten zijn. Voor de finalisten is het ronduit slopend. Je moet over een stevige gezondheid, een sterke wil, een grote technische vaardigheid en massa's muzikale intelligentie beschikken om deze waanzinnige opeenvolging van proeven te overleven. Eerlijk? Het is bijna onmenselijk. Wie het woord cello hoort, denkt meteen aan Johann Sebastian Bach. Zijn cellosuites vormen samen, zonder de minste discussie, het bekendste werk ooit voor cello geschreven. Toen Pablo Casals in de jaren dertig een van de eerste opnames op de markt bracht, is de faam van het werk exponentieel gegroeid. Sindsdien hebben alle toppers één of meer opnames van de zes suites uitgebracht. Veel van de cellisten die straks achter de jurytafel zitten, horen daarbij. Ooit hoorde ik Mstislav Rostropovitch in het Kursaal van Oostende zijn versie van de cellosuites strijken. Wat ik toen heb ervaren, kan ik moeilijk in woorden vatten. Op dat gigantische concertpodium, het grootste van ons land, stond enkel een klein verhoogje. De vele honderden aanwezigen zagen samen met mij hoe dat kleine Russische mannetje zijn mooie Stradivarius liet glinsteren rond de noten van Bach. De opeenvolgende 'dansen' uit die indrukwekkende cyclus, met zijn telkens weer briljante structuren, zijn verrukkelijke maar net zo goed ingenieuze melodielijnen, en zijn geweldige rijkdom aan kleuren en emoties zoals alleen Bach die weet te ontlokken aan de vier snaren van de cello, werkt zo intens dat het publiek geen ogenblik de kans werd gegund om aan iets anders te denken dan aan de onwereldse schoonheid van dit meesterwerk. Schreef Bach die werken wel voor de cello, vraagt Sigiswald Kuijken zich af. Kuijken, steeds op zoek naar de authentieke uitvoeringspraktijk, speelt de suites op een 'viola da spalla', een zogenoemde schouderviool, en niet op cello. Hij liet een viola da spalla nabouwen, en na het zorgvuldig bestuderen van tekeningen en ander historisch materiaal vond hij de juiste technieken om het instrument te bespelen. Kuijken maakte een meer dan voortreffelijke opname, al klinkt ze totaal anders dan alle andere. Waar de cello voor het eerst werd gebouwd, en hoe hij aan zijn mooie carrière in de oude en de klassieke muziek is begonnen, is niet helemaal duidelijk. Een zekere Gasparo da Salo, een bouwer uit de renaissanceperiode die zelf contrabas speelde, maakte nog voor het eind van de zestiende eeuw violen in alle maten en lengtes. Maar was hij de eerste? De cello heeft meerdere vaders. Feit is dat de befaamde luthiers uit Cremona, zoals Amati, Stradivari en Guarneri, al snel volgden. Nicolo Amati maakte in 1620 een viola da gamba - ook al een voorloper van de cello - die door Antonio Stradivari, zijn beste leerling, tot een volwaardige cello werd verbouwd. Sommige van de instrumenten van deze beroemdste onder de luthiers zullen ook op de Elisabethwedstrijd weerklinken: enkele kandidaten hebben zo'n cello in bruikleen. Als het over Stradivarius gaat, komt Servais weer in beeld. Zijn instrument, gebouwd in 1701, is naar hem genoemd. De Nederlandse cellist Anner Bylsma kreeg de 'Servais' in bruikleen van de conservator van het National Museum of American History. Een cello gaat nu eenmaal pas leven als erop gespeeld wordt. Op veilingen veranderen de Stradivari- en Amati-cello's pas voor meerdere miljoenen euro's van eigenaar. Twee jaar geleden stond ik samen met Steven Isserlis op het podium van het Brugse Concertgebouw. Isserlis had een van zijn twee Stradivari meegebracht. Ik vergat hem te vragen of het om de 'De Munck' uit 1730 ging of om de 'Marquis de Corberon' uit 1726, maar hij heeft er dus twéé in bruikleen. Twee dagen mocht ik hem vergezellen, en daarin week hij geen millimeter van zijn instrument. Ik kon van heel dichtbij volgen met hoeveel zorg hij zijn 'geliefde' soigneerde. Het was hartbrekend. Wat hij aan timbre terugkreeg van zijn Stradivarius valt nauwelijks onder woorden te brengen. Er zijn veel goede cellospelers maar slecht één Steven Isserlis, de primus inter pares. Bach zullen we tijdens de finaleweek in de grote zaal van Bozar niet horen. Daarvoor moet u naar de halve finale in Flagey, het is een verplicht onderdeel van de recitals. Tijdens die finaleweek zal, naar goede gewoonte bij elke editie van een Elisabethwedstrijd, vaak worden gekozen voor dezelfde concerto's. Een finalist wil zich tonen tijdens de finale. Hij of zij kiest dan beter niet voor zijn lievelingsconcerto, maar voor een werk waarin alle aspecten van het cellospel aan bod komen. Zulke all-roundconcerto's kennen we ondertussen. Bij de piano-edities zijn het Rachmaninov 2 en 3 of Prokofiev 2 en Brahms 2, bij de viool worden Tsjaikovski, Sibelius en Brahms soms twee keer per avond gespeeld, en ook nu mogen we enkele 'vaste happen' verwachten. Ongetwijfeld zal het celloconcerto van Dmitri Sjostakovitsj, een werk dat hij voor zijn goede vriend Rostropovitsj schreef, boven aan de lijst staan. Het is een van de moeilijkste concerti ooit voor cello geschreven, en is ideaal om te laten zien wat je allemaal kunt. Gelukkig is het ook muzikaal een meesterwerk, net als de Dvorak- en de Schumannconcerto's, waarvan er zeker enkele uitvoeringen zitten aan te komen. Daarbij is de Schumann mijn favoriet. Zeldzaam veeleisend, want bij Schumann gaat het naar eigen zeggen om 'muziek' en niet om 'virtuositeit'. Tegelijk is dit een werk met een zuivere intensiteit, een breed palet aan kleuren en emoties en een opvallende eenheid in de drie delen - die trouwens zonder onderbrekingen worden gespeeld. De Schumann en de Dvorak komen allebei uit de romantiek, het avontuur van Sjostakovitsj brengt ons naar de jaren vijftig van de vorige eeuw. Tachtig jaar hebben we erop gewacht. Het zal niet voor niets zijn geweest.