Elke week vraagt Knack aan ondernemende Belgen hoe ze lijf en psyche in balans houden.
...

'Ik maak me een beetje zorgen', zegt Jacqueline Mesmaeker op het einde van ons gesprek. 'Om u.' 'Hoezo?' 'Hebt u wel voldoende materiaal? Ik heb bijna niets verteld. Mijn excuses, maar ik ben zo moe.' 'Dat begrijp ik. Het zal wel lukken, maakt u zich geen zorgen.' 'Als uw bazen niet tevreden zijn over uw werk, stuur ze dan maar naar mij door. Ik zal hun wel uitleggen hoe het komt.' 91 is ze, en volop herstellende. Vlak na de opening van Ah, quelle aventure! - haar eerste grote solotentoonstelling, gespreid over elf zalen in Bozar in Brussel - werd ze opgenomen in het ziekenhuis. Ze bleek met het coronavirus besmet. Vrienden en familie vreesden het ergste, maar na drie weken mocht Mesmaeker weer naar huis, naar haar appartement vlak bij het Ter Kamerenbos, zes hoog en al meer dan veertig jaar de plek waar ze woont en werkt. Nog altijd praat ze stilletjes en moeizaam. Stappen lukt alleen met een rollator. Maar het ergst van al, vertelt Mesmaeker, is dat ook haar verbeelding lijkt te zijn aangetast. 'Normaal heb ik altijd ideeën voor nieuwe werken, het houdt nooit op. Maar sinds ik ziek ben geworden, lijk ik wel artistiek geconstipeerd. Er wil maar niets komen. Hopelijk verandert dat snel weer.' Met een aaneenschakeling van tekeningen, video's, foto's, installaties en schilderijen biedt Ah, quelle aventure! een mooie inkijk in het hoofd van de kunstenares. De toeschouwer krijgt verwijzingen naar de Franse taalvirtuoos Georges Perec en de Amerikaanse schrijver Herman Melville voorgeschoteld, maar ook naar Alice in Wonderland en Mickey Mouse. Het is Mesmaeker ten voeten uit: bij haar gaan zwaarte en lichtvoetigheid, tragiek en romantiek, schaduw en licht hand in hand. 'Eigenlijk spreekt het werk van Jacqueline voortdurend over haarzelf', vertelde een van haar vriendinnen me. 'Haar gevoelens en angsten, haar herinneringen uit de jeugdjaren, het verhaal van haar familie, haar vragen over leven en dood. Maar ze is erg op haar discretie gesteld. Het is niet voor niets dat men haar pas zo laat heeft ontdekt.' Veelzeggend zijn de kleine, bijna onzichtbare reepjes verf die Mesmaeker op de vloeren, trappen en muren van het museum heeft aangebracht. Knipogen naar de trage, geoefende kijker zijn het. Altijd in het roze, ook de kleur van de doos pralines - was chocola niet de beste remedie tegen zwijgzaamheid? - op de tafel tussen ons in, in de woonkamer van haar Ukkelse appartement. Een portie tederheid toevoegen aan de wereld, is dat wat u beoogt? Jacqueline Mesmaeker: Exact, u hebt het goed begrepen. Dat doet me plezier. Tederheid, en kleur. De wereld is zo grijs geworden. Kijk maar naar buiten, door dat venster daar. De gebouwen, de auto's, de kleding van de mensen: waar zijn de kleuren gebleven? U wilt de mensen wijzen op de poëzie in de werkelijkheid? Mesmaeker: Helemaal. Ik wil de aandacht vestigen op kleine dingen, die weinig mensen zien maar die minstens even ontroerend kunnen zijn als de zogenaamde grote kunst. Maar ze moet ze wel opmerken, natuurlijk. Ik heb altijd al werk willen maken dat de mensen op subtiele manier verleidt, aantrekt. Wanneer in uw leven hebt u dat gevoel zelf voor het eerst ervaren? Mesmaeker: Al heel vroeg. In de tuin van mijn grootouders, denk ik. Het spel van licht en schaduw op hun pelouse, de kleuren van de bloemen: ik kon er uren naar zitten kijken. Later is die tuin volledig verwoest door een V1-bom, op het einde van de Tweede Wereldoorlog. In 1945, denk ik. Ze woonden toen gelukkig al niet meer in dat huis, maar de toenmalige bewoonster is wel omgekomen. Ze was in de badkamer haar haar aan het kammen, als ik het goed heb. 'Jacqueline kan al in extase zijn van een vallend blad', zei uw vriendin me. Mesmaeker: O ja, dat gebeurt vaak. Ik begrijp niet dat niet iedereen dat heeft, om eerlijk te zijn. Een vallend blad, dat is toch zo ontroerend? Ben ik echt de enige die dat vindt? (lacht)Allez, neem maar een praline. Ik ga nog even wachten, mijn maag is nog niet in orde. U hebt moeilijke weken achter de rug. Mesmaeker: Heel moeilijke. Ik kan er nog altijd niet over praten zonder te beginnen hoesten. Het was alsof ik de hele tijd in ademnood verkeerde. (zwijgt) Nu gaat het beter. Ik heb nog wat rugpijn en mijn eetlust is nog niet helemaal op peil. Maar kan ik u wat appelsap aanbieden? Graag. Mesmaeker: De fles staat daar, op tafel. Schenkt u zichzelf maar in. Zeg eens, wat wilt u nog allemaal weten? In uw werk zijn veel boten te zien. Mesmaeker: En of, het is bijna obsessioneel. Het wordt stilaan een probleem, want ik heb geen opslagruimte meer om ze te bewaren. Ik heb te veel boten gemaakt. U zou afstammen van Schotse voorouders? Mesmaeker:(plots enthousiast) Inderdaad! Mijn overgrootouders van moederskant waren Schotten. In het begin van de negentiende eeuw dreven ze handel over de Noordzee, jute en misschien ook whisky, dat weet ik niet. Maar ze zijn ingehaald door de tijd: toen de stoomboot opkwam, hebben ze de aansluiting gemist en zijn ze failliet gegaan. Ze hebben zich eerst in de Ardennen gevestigd en daarna in Brussel, waar mijn grootmoeder is geboren. En mijn grootvader van moederskant was Duits, maar ver voor er van Adolf Hitler sprake was, voor alle duidelijkheid. Integendeel: door Hitler wilde hij niet langer Duits zijn. Maar wat ik dus wilde zeggen: de zee en de boten zitten in mijn bloed, vandaar wellicht mijn obsessie. Er zouden ook Bolivianen in het spel zijn, heb ik me laten vertellen. Mesmaeker: Ah, les Boliviens! Dat waren mooie tijden. Toen ik jong was, ontvingen mijn ouders geregeld studenten uit La Paz, als paying guests. We brachten hele zomers met elkaar door, ik heb er alleen maar goede herinneringen aan. Maar hun vertrek viel me telkens zwaar. Ik zie de boot nog zo van me wegvaren, uit de Antwerpse haven, met de lichtjes die alleen maar kleiner en kleiner werden. Insupportable. (roept haar assistente) Marie! Wil je die fles gembersap eens brengen? En twee glaasjes? Er zit toch geen alcohol in, mag ik hopen? Mesmaeker: Neenee, maakt u zich geen zorgen. Proef maar eens. Maar let op, want ça pique. (heft het glas) Op uw gezondheid. (lacht) Lekker, hè? Drinkt u nog wel eens een glas? Mesmaeker: Heel af en toe, en enkel als ik in gezelschap ben. Nooit alleen. Wijn of champagne? Als het goede kwaliteit is, lust ik alles. (lacht)Maar we hadden het over afscheid nemen, en hoe moeilijk dat u telkens valt. Mesmaeker: Dat is iets universeels, geloof ik. Heeft niet iedereen het daar moeilijk mee? Ik ken het gevoel helaas goed, omdat ik het een paar keer aan den lijve heb ondervonden, maar ik ben lang niet de enige. Iemand zien vertrekken die je graag ziet, het doet telkens veel pijn. Heeft kunst u geholpen om met die pijn om te gaan? Mesmaeker:(denkt na) Niet echt, nee. Het wordt even minder, je kunt je vastklampen aan de kunstwerken die je maakt, maar uiteindelijk blijf je toch met de pijn achter. Hij wordt er niet minder zwaar door. Een van uw werken heeft als titel 17 doutes. Zeventien twijfels. Mesmaeker: Die blijven komen, de twijfels. Ik kan er elke dag nieuwe aan het lijstje toevoegen. Waaraan ik momenteel twijfel? (denkt na) Aan mijn productie. Aan de manier waarop ik verder moet leven. Voilà. Welke wilt u nog horen? Amoureuze twijfels? (lacht) 17 doutes is een van mijn lievelingswerken. Het vat zo'n beetje alles samen. De witte achtergrond in fluweel, de vierkante lijst, de typografie, het spel met woorden... Het campagnebeeld van de expo in Bozar is een foto van u en uw zus op het strand. Waaraan denkt u als u naar de foto kijkt? Mesmaeker: Dat we nog jong waren, toen. En aan mijn zus, natuurlijk, die veel te vroeg gestorven is. Ze had kanker. In haar hersenen. Het is heel snel gegaan. Ze woonde in Montréal, haar kleindochter is er nu erg actief in de diplomatie en de politiek. We waren slechts met twee thuis, ja. Mijn zus en ik. En mijn ouders, vanzelfsprekend. Mijn vader werkte voor de stad Brussel, hij was verantwoordelijk voor het beheer van oude gebouwen. En mijn moeder was huisvrouw. Dat was toen nog de mode. Kunst was altijd wel aanwezig, maar op een subtiele manier. Als we op vakantie gingen - of het nu in Italië was of in Hongarije of Tsjecho-Slowakije - gingen we altijd wel naar een museum. En nadien praatten we over wat we gezien hadden. Behalve in het Vaticaan, want daar mocht ik niet binnen, omdat ik geen lange broek aanhad. Kort erna barstte de Tweede Wereldoorlog los. Welke herinneringen hebt u aan die jaren? Mesmaeker: Ik was tien, elf jaar toen de oorlog begon. We moesten de hele tijd binnen blijven, ik was voortdurend aan het lezen op mijn kamer. Veel boeken over de Franse Revolutie vooral, ik was geobsedeerd door de guillotine in die tijd. Een van de ontroerendste uitstappen van mijn leven was die naar het kerkhof van Picpus, in Parijs. Ik kan het u echt aanraden. Het ligt in de tuin van een klooster en nog altijd bidden de zusters er voor de mensen die onthoofd zijn tijdens de Franse Revolutie. Dag en nacht. Très, très émouvant.Wat u doet is ook een vorm van gebed, zei u in een interview met De Standaard. Mesmaeker: Ik ben niet religieus, maar het besef van spiritualiteit is wel voortdurend aanwezig, ja. Mijn werk is een middel om een verbinding met het hogere te vinden, het absolute. Je zou kunnen zeggen dat u God ziet in de realiteit. Mesmaeker: Oui! Exact. Nog wat gembersap? Nee, bedankt. Wat is het hier trouwens stil. Mesmaeker: Oei, te stil? Zal ik wat muziek opzetten? Bach? Of liever wat jazz? Nee? Oké, dan. Zelf hoor ik de muziek niet zo goed meer sinds ik in het ziekenhuis gelegen heb. Daarom zet ik voorlopig geen muziek meer op. En lezen lukt ook moeilijk, mijn ogen zijn nog niet hersteld. Wat ik laatst nog gelezen heb? De gedichten van Rainer Maria Rilke, die zou ik kunnen blijven herlezen. (plots) Ik heb de indruk dat ik niets interessants aan het vertellen ben, kan dat? En hebt u het hier ook zo warm? Ja? Wilt u dan dat venster daar openmaken, alstublieft? Kunt u vertellen wat u ziet? Staan er veel auto's op straat? Dat valt nog wel mee, het is kalm vandaag. Op het einde van de straat zie ik het begin van het Ter Kamerenbos. Bent u daar vaak gaan wandelen? Mesmaeker: Heel vaak. Ik hield enorm van stappen. Uren aan een stuk heb ik gestapt, altijd met de tred er goed in. In de bergen ook, in Zwitserland en Griekenland vooral. (wijst naar de doos met pralines) Allez, neem nu toch een stukje chocola. Misschien een zware vraag, maar hebt u de zin van het leven kunnen achterhalen? Mesmaeker: Ja, dat denk ik wel. Produceren. Liefhebben. Geven. Wijs zijn. En enthousiast blijven, wat er ook gebeurt. Bent u nog vaak enthousiast? Mesmaeker: Gelukkig wel. Vorige week nog, tijdens dat zware onweer. Ik zat hier naar de regen te luisteren die op de vensters aan het tikken was en ik werd op slag gelukkig. Helaas zijn er niet zo veel onweren meer als vroeger. Voelt u zich in het algemeen nog thuis in deze tijd? Mesmaeker: Pas du tout. Ik word zelfs wat ongemakkelijk van deze tijd. Niemand heeft nog tijd, dat is juist het probleem. En iedereen is de hele dag door naar zijn telefoon aan het kijken. Ik begrijp het niet. Ik merk het zelfs bij mijn kinderen en kleinkinderen: als ze komen, kunnen ze nooit lang blijven. Terwijl ik niets liever doe dan hier rustig wat te zitten, te kijken hoe het zonlicht langzaam verandert. Bref. Nu klink ik echt als een oude vrouw, is het niet? In Bozar toont u onder meer een collage van de vele postkaarten die u in de loop van de jaren hebt ontvangen. Steekt er nog weleens eentje in de bus? Mesmaeker: Ik heb nog één trouwe correspondent: Olivier Foulon, een Brusselse kunstenaar die in Berlijn woont. Af en toe sturen we elkaar een kaartje. Dat doet me nog telkens veel plezier, het is een teken dat er iemand aan je denkt. (zucht) Pf, ik ben moe. Houdt u ervan om te worden geïnterviewd? Mesmaeker: (lacht) Om eerlijk te zijn niet, nee. Wat heb ik te vertellen? Niets bijzonders, toch? Nog enkele vragen en dan laat ik u opnieuw met rust. Ik heb me laten vertellen dat veel van uw gevoelens en angsten vervat zijn in uw werk. Hebt u veel angsten? Mesmaeker: (kaatst de vraag meteen terug) En u? Jazeker. Om te beginnen een enorme doodsangst. Mesmaeker: Ah, maar dat begrijp ik goed. Zeer goed, zelfs. Voor eeuwig opgesloten zijn, wat een verschrikking lijkt me dat. Welk werk beschouwt u als uw meesterwerk? Mesmaeker: Mijn twee zonen zijn mijn meesterwerk. Op hen ben ik het meest trots. De ene is informaticus en de andere geluidsman, hij werkt onder meer voor de RTBF. (zwijgt) Ik heb twee echtgenoten gehad, ze zijn allebei al lang gestorven. Sinds 1974 zit ik hier alleen. Het gaat wel, maar vroeger was het beter. Wat mag ik u nog toewensen? Mesmaeker: Dat ik opnieuw aan de slag kan gaan, dat ik op een dag mentaal en fysiek opnieuw in staat ben om nieuw werk te maken. Dat is mijn grote droom. (richt haar blik nog een laatste keer op de doos pralines) Wilt u dat kleine hartje niet, daar in het roze?