Een hedendaagse kunstenaar die door het zien van religieuze retabelkastjes uit de zestiende eeuw zo omvergeblazen wordt dat ze er nieuw werk door creëert: het lijkt moeilijk te geloven. Tot je die kastjes met eigen ogen ziet, en een inkijk krijgt in een wonderlijke miniatuurwereld van curiosa. De kastjes zijn amper één vierkante meter groot, en puilen bijna uit van de godsdienstige figuurtjes, dieren en een overdaad aan bloemen. Allemaal gemaakt in levendige kleuren en met diverse materialen zoals was, zijde, stof, lovertjes, parels, kralen en perkament.
...

Een hedendaagse kunstenaar die door het zien van religieuze retabelkastjes uit de zestiende eeuw zo omvergeblazen wordt dat ze er nieuw werk door creëert: het lijkt moeilijk te geloven. Tot je die kastjes met eigen ogen ziet, en een inkijk krijgt in een wonderlijke miniatuurwereld van curiosa. De kastjes zijn amper één vierkante meter groot, en puilen bijna uit van de godsdienstige figuurtjes, dieren en een overdaad aan bloemen. Allemaal gemaakt in levendige kleuren en met diverse materialen zoals was, zijde, stof, lovertjes, parels, kralen en perkament. Die retabelkasten of 'besloten hofjes', waarvan er zeven bewaard en gerestaureerd zijn, waren eeuwenlang onderdeel van de kloostercellen van de Mechelse augustinessen. De gasthuiszusters, die zieken en ouderen verzorgden in het hospitaal van hun klooster, knielden er meerdere keren per dag voor neer om te bidden. De kastjes kunnen worden afgesloten door houten luikjes die aan de binnenkant beschilderd zijn. Ze zijn een voorstelling van de ideale, spirituele en paradijselijke wereld voor de zusters. Berlinde De Bruyckere zag de besloten hofjes voor het eerst op de tentoonstelling Utopia, twee jaar geleden in Leuven. 'Wat ik toen voelde, is te vergelijken met hoe overweldigd je kunt zijn als je voor een meesterwerk staat', zegt ze. 'Het was dezelfde ervaring van blijdschap en verwondering. Het lijkt ook alsof de kasten een geheim met zich meedragen dat laag na laag verborgen zit, alsof je ze nooit helemaal kunt bevatten. En ze zitten vol verhalen. Generaties zusters hebben de hofjes gevuld, soms met heel persoonlijke dingen. Soms gaven mensen ook kleine relieken aan de zusters om in de kasten te naaien, in de hoop dat het bidden voor genezing of geluk zou zorgen. Met andere woorden: eeuwenlang zijn die retabels in verandering geweest. Helemaal anders dan dat je naar een werk in een museum kijkt dat ooit door één kunstenaar gemaakt is.' En hoewel elke kast minimaal één religieuze figuur bevat, moest De Bruyckere door het overweldigende decor toch vooral aan de Tuin van Eden denken. 'Die kastjes waren voor de zusters de wereld waartoe ze geen toegang meer hadden. De tuintjes symboliseren hun verlangen. Zo is er een hofje waarin je Moeder Maria met de eenhoorn ziet. De eenhoorn die alleen rust vindt in de schoot van de Maagd: voor mij is dat een heel erotisch geladen beeld.' Toch moeten we dat kloosterleven niet te eenzijdig bekijken, zegt De Bruyckere. 'Vrouwen die ervoor kozen, deden dat niet altijd uit religieuze redenen, wel om te ontsnappen aan het getrouwde leven en het baren van kinderen. Een op de drie vrouwen stierf in het kraambed, en het leven als zuster was een manier om een vroegtijdige dood te vermijden. Bovendien hadden de zusters een belangrijke functie. Ze zorgden voor pestlijders en deden het ziekenhuis draaien. Misschien waren die vrouwen dus wel feministischer dan we soms denken.' Kortom, De Bruyckere kon de drang om met de besloten hofjes te werken niet negeren. Ook deze nieuwe beelden etaleren haar esthetiek en thematiek - De Bruyckere beschouwt de Metamorfosen van Ovidius als een van haar bijbels: gedaanteverwisselingen van mensen in dieren, planten, stenen of bloemen vormen bij beide kunstenaars de kern van hun oeuvre. Maar nu lijkt er duidelijk een nieuwe fase aangebroken in haar werk. 'Het is abstracter geworden', zegt ze. 'In de beelden die ik tot nu heb gemaakt, vertrok ik altijd van een realistische 1/1-schaal. De paardenlichamen, mensenlichamen, bomen of herten waren herkenbaar voor de mensen. Dat is nu helemaal anders. De ontelbare lelietjes in de hofjes waren niet groot genoeg voor de monumentale werken die ik voor ogen had. En dus dacht ik: ik moet zelf bloemen maken.' Dat deed ze. In grote houten frames, waarin ze ook behangpapier verwerkte, kneedde De Bruyckere haar vertrouwde materialen - dekens en was - tot bloemachtige silhouetten. En jazeker, ze vernoemde haar tentoonstelling naar haar Romeinse dichter. 'Het leek op een lelie', schreef Ovidius over de purperen bloem waarin de mooie jongeman Hyacinthus veranderde toen hij stierf. Voor de basis van de wassen afgietsels van de bloemen gebruikte De Bruyckere opnieuw dierenhuiden. Huiden die niet gaaf zijn, maar ruw, vol vliezen en haren, omdat ze van het lichaam werden losgerukt. 'Het gaf me hetzelfde gevoel van lelies die aan het vergaan en verdrogen zijn, en zo dun worden dat ze bijna huid zijn. Ik ben vertrokken van de erotiek van de lelie en de bedwelmende geur die ze in je huis kunnen verspreiden als ze openbarsten. Maar die fase van de bloemen zie je niet in mijn werk. Ik heb lelies in verval gemaakt, die aan het opgeven zijn. Zoals we allemaal op een gegeven moment zullen moeten opgeven. Ik zie veel schoonheid in dat beeld.' Uw werk heeft altijd een snaar geraakt bij het grote publiek omdat het zo herkenbaar was. Zal het abstracte van deze beelden die herkenbaarheid niet in de weg staan? Berlinde De Bruyckere: De kans bestaat inderdaad dat mensen niet onmiddellijk aan bloemen zullen denken als ze de beelden zien. Dat merkte ik de voorbije periode ook in mijn atelier: zelfs bezoekers die mijn werk goed kenden, zagen er niet altijd bloemen in. Maar dat is niet erg. Ik hoop dat mensen er net als bij mijn vroegere werk wel iets bij vóélen. Omdat ik zelf ook vanuit dat buikgevoel vertrokken ben. Als kunstenaar is je werk natuurlijk in evolutie. Met de menselijke figuur, bijvoorbeeld, heb ik van de jaren 1990 tot 2010 gewerkt, en daar ben ik mee klaar. Misschien grijp ik er ooit nog naar terug, maar voorlopig niet. De paarden zijn er wel nog. Momenteel ben ik zelfs enkele sculpturen in lood aan het maken voor buiten. Maar ook in die paardenlichamen is een grote evolutie gebeurd. Het eerste werk dat ik in 1999 voor het In Flanders Fields Museum had gemaakt (een verwijzing naar WO I, waarin drie paardenlijven zonder hoeven en zonder gezicht op de grond liggen, nvdr), was voor mij de perfecte metafoor voor de dood, in de juiste vorm en op de juiste schaal. De laatste jaren ben ik veel meer menselijke gevoelens in paarden gaan leggen. Mensen komen me nu zelfs vertellen dat hun paard gestorven is, en 'of ik er niets mee kan doen?' Omdat ze er zelf een ander gevoel bij hebben dan bij de oorlogspaarden. Waren mijn eerste paarden agressief en afstandelijk, dan staan ze nu veel dichter bij ons. U begon eind jaren tachtig als kunstenaar. In drie decennia tijd is de wereld erg veranderd. Heeft zich dat gereflecteerd in uw werk? De Bruyckere: Zeker. Kijk bijvoorbeeld naar het gebruik van dekens. In de jaren negentig werkte ik met dekens omdat ze iets positiefs betekenden: een deken stond voor kracht, bescherming, warmte. Voor It almost seemed a lily hebben we dekens naar de mesthoop in onze tuin gevoerd om ze daar maandenlang bloot te stellen aan weer en wind. Het was de bedoeling dat ze zouden rotten, om ze hun vroegere kracht te ontnemen en breekbaar te maken. Voor mij is dat een metafoor voor hoe wij in onze maatschappij omgaan met complexe vraagstukken zoals samenleven en migratie. Is die omgang slechter dan twintig jaar geleden? De Bruyckere: We zijn ons in elk geval veel bewuster van de problemen, omdat de informatie onmiddellijk beschikbaar is. Als ik terugdenk aan de genocide in Rwanda (volkerenmoord in 1994, waarbij in honderd dagen tijd 500.000 tot 1 miljoen Tutsi's en gematigde Hutu's werden vermoord, nvdr), dan herinner ik me een stuk in de krant met drie gruwelijke foto's erbij. Die foto's heb ik uitgeknipt en op de muur van mijn atelier gehangen. Mijn beeldenreeks Dekenvrouwen zijn erop gebaseerd, en die foto's waren mijn toetssteen. Ze wezen me op wat ik wilde uitdrukken, en waar die noodzaak vandaan kwam. De informatiestroom is natuurlijk ongelooflijk versneld. Er komt veel meer op ons af dan stukken in de krant. Zodra er iets gebeurt, staan er nieuwsberichten en foto's op onze telefoon. Vandaar ook de dekens. Moreel gezien is het niet passend om dekens te laten verrotten in je tuin terwijl er zo veel nodig zijn in de wereld. Maar het beeld roept iets op wat mensen sterk herkennen. Voelt u de noodzaak om expliciet een positie in te nemen tegenover wat er in de wereld gebeurt? De Bruyckere: Ik heb dertig jaar in de Muide gewoond (een arbeiderswijk in het noorden van Gent, nvdr). Ons atelier is er nog altijd. We woonden er tussen mensen met een migratieachtergrond en mensen in armoede. Als je bewust in de wereld staat en je kijkt rondom je, dan is het niet zo moeilijk om te zien dat er in dertig jaar veel veranderd is. De buurt verkommert zienderogen, en er is veel meer armoede dan vroeger. Onze buurt is mijn toetssteen. Ik denk trouwens dat er amper kunstenaars zijn die niet bezig zijn met maatschappelijke evoluties. Goede kunst verwijst op een of andere manier altijd naar de wereld rondom ons, zelfs als het heel abstracte kunst is. Dat doet mijn werk ook. Uit zichzelf, zonder dat het expliciet hoeft te zijn. Die gelaagdheid in wat ik maak, vind ik heel belangrijk. Mensen die heel belezen zijn en veel over mijn werk weten, zien andere dingen dan een kind dat binnenkomt in een museum en naar een dood veulen kijkt. Dat is goed zo. Ik wil dat mijn werk verschillende mensen aanspreekt. Als ze in dit nieuwe werk de bloemen niet direct herkennen, hoop ik dat de kwetsbaarheid en schoonheid van de materialen hen toch zullen raken of herinneringen zullen oproepen.