Minister van Ontwikkelingssamenwerking Meryame Kitir heeft er een zesdaagse missie opzitten in Jordanië en Libanon, die vooral in het teken stond van de opvang van vluchtelingen. Libanon vangt wereldwijd het hoogste aantal vluchtelingen op vergeleken met het bevolkingsaantal. Het gaat onder meer om bijna een half miljoen Palestijnen, de afgelopen tien jaar kwamen daar nog eens anderhalf miljoen Syrische vluchtelingen bovenop. Bovendien kampt de Libanese bevolking sinds de explosie in de haven van Beiroet vorig jaar met een enorme economische crisis, waardoor het draagvlak voor de opvang van vluchtelingen verder afvlakt. Deze voormiddag bezocht Kitir het kamp van Borj al-Branjeh, een Palestijnse vluchtelingenwijk uit 1949 waar intussen ongeveer 20.000 mensen verblijven, ook van Syrische afkomst. De levensomstandigheden zijn er schrijnend: de wijk is maar voorzien op een bevolking van 3.500 mensen en elektriciteits- en waterleidingen lopen er kriskras door elkaar en hangen laag boven de straten, waardoor al zeker 85 mensen zijn gestorven door elektrocutie. De VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen, UNRWA, voorziet er basisvoorzieningen zoals onderwijs en elektriciteit, maar komt handen en vooral middelen tekort om de bewoners een echt toekomstperspectief te bieden, vertelde Hoda Samra Souaiby, de communicatieverantwoordelijke in Borj al-Branjeh. Bovendien kunnen de Palestijnen en Syriërs - vaak ook Palestijnen die voor de burgeroorlog naar Syrië waren gevlucht - het kamp niet verlaten om te werken, waardoor ze geen zicht hebben op een inkomen. Een zeventigtal beroepen in Libanon, zoals arts of apotheker, is sowieso niet toegankelijk voor Palestijnse vluchtelingen. Kitir nam deze voormiddag even de tijd om te spreken met een aantal jonge vluchtelingen in Borj al-Branjeh. Zo vertelde Akram, een pasgetrouwde twintiger met een jong dochtertje, dat hij boekhouding heeft gestudeerd, maar dat intussen allemaal vergeten is omdat hij niet als boekhouder kan werken. Een andere jonge man vertelde dat hij alles geprobeerd heeft om te werken of legaal naar een ander land te emigreren, maar op een muur botst. "Als ze mij nu zouden vragen om wapens te smokkelen voor geld, dan zou ik het doen, hoewel ik daar eigenlijk radicaal tegen ben", vertelde hij. De minister was aangegrepen door de vele verhalen. "Die mensen zijn moedeloos. Het gaat om mensen die hebben gestudeerd, mensen met talenten, die willen werken, maar dat niet mogen. Ze willen terug naar hun land, maar dat is niet veilig. Ze willen naar een land dat ze wel toelaat om een deel van de gemeenschap te worden, maar dat gaat niet. Als we ons de vraag stellen waarom mensen radicaliseren, dan is dat omdat ze in een hopeloze situatie zitten. We moeten ons daar bewust van zijn." België werkt in Libanon onder meer samen met UNRWA en de VN-kinderrechtenorganisatie Unicef. Kitir benadrukte ook dat ze de vele verhalen uit het land meeneemt naar België. "We zullen deze mensen niet vergeten. Maar we moeten ook breder durven nadenken, over hoe we ervoor zorgen dat die mensen een toekomstperspectief krijgen." De Vooruit-minister zal de situatie ook binnen de regering bespreken, gaf ze aan. "We spreken vaak over opvang in de regio, maar het is superbelangrijk dat die ook kwaliteitsvol is. Ik zal met mijn collega's minister Wilmès (van Buitenlandse Zaken, red.) en Mahdi (staatssecretaris voor Asiel en Migratie, red.) nadenken over hoe we ervoor zorgen dat die mensen een toekomstperspectief krijgen en gewaardeerd worden voor de inspanningen die ze doen en de waarde krijgen die ieder mens wilt." (Belga)

Minister van Ontwikkelingssamenwerking Meryame Kitir heeft er een zesdaagse missie opzitten in Jordanië en Libanon, die vooral in het teken stond van de opvang van vluchtelingen. Libanon vangt wereldwijd het hoogste aantal vluchtelingen op vergeleken met het bevolkingsaantal. Het gaat onder meer om bijna een half miljoen Palestijnen, de afgelopen tien jaar kwamen daar nog eens anderhalf miljoen Syrische vluchtelingen bovenop. Bovendien kampt de Libanese bevolking sinds de explosie in de haven van Beiroet vorig jaar met een enorme economische crisis, waardoor het draagvlak voor de opvang van vluchtelingen verder afvlakt. Deze voormiddag bezocht Kitir het kamp van Borj al-Branjeh, een Palestijnse vluchtelingenwijk uit 1949 waar intussen ongeveer 20.000 mensen verblijven, ook van Syrische afkomst. De levensomstandigheden zijn er schrijnend: de wijk is maar voorzien op een bevolking van 3.500 mensen en elektriciteits- en waterleidingen lopen er kriskras door elkaar en hangen laag boven de straten, waardoor al zeker 85 mensen zijn gestorven door elektrocutie. De VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen, UNRWA, voorziet er basisvoorzieningen zoals onderwijs en elektriciteit, maar komt handen en vooral middelen tekort om de bewoners een echt toekomstperspectief te bieden, vertelde Hoda Samra Souaiby, de communicatieverantwoordelijke in Borj al-Branjeh. Bovendien kunnen de Palestijnen en Syriërs - vaak ook Palestijnen die voor de burgeroorlog naar Syrië waren gevlucht - het kamp niet verlaten om te werken, waardoor ze geen zicht hebben op een inkomen. Een zeventigtal beroepen in Libanon, zoals arts of apotheker, is sowieso niet toegankelijk voor Palestijnse vluchtelingen. Kitir nam deze voormiddag even de tijd om te spreken met een aantal jonge vluchtelingen in Borj al-Branjeh. Zo vertelde Akram, een pasgetrouwde twintiger met een jong dochtertje, dat hij boekhouding heeft gestudeerd, maar dat intussen allemaal vergeten is omdat hij niet als boekhouder kan werken. Een andere jonge man vertelde dat hij alles geprobeerd heeft om te werken of legaal naar een ander land te emigreren, maar op een muur botst. "Als ze mij nu zouden vragen om wapens te smokkelen voor geld, dan zou ik het doen, hoewel ik daar eigenlijk radicaal tegen ben", vertelde hij. De minister was aangegrepen door de vele verhalen. "Die mensen zijn moedeloos. Het gaat om mensen die hebben gestudeerd, mensen met talenten, die willen werken, maar dat niet mogen. Ze willen terug naar hun land, maar dat is niet veilig. Ze willen naar een land dat ze wel toelaat om een deel van de gemeenschap te worden, maar dat gaat niet. Als we ons de vraag stellen waarom mensen radicaliseren, dan is dat omdat ze in een hopeloze situatie zitten. We moeten ons daar bewust van zijn." België werkt in Libanon onder meer samen met UNRWA en de VN-kinderrechtenorganisatie Unicef. Kitir benadrukte ook dat ze de vele verhalen uit het land meeneemt naar België. "We zullen deze mensen niet vergeten. Maar we moeten ook breder durven nadenken, over hoe we ervoor zorgen dat die mensen een toekomstperspectief krijgen." De Vooruit-minister zal de situatie ook binnen de regering bespreken, gaf ze aan. "We spreken vaak over opvang in de regio, maar het is superbelangrijk dat die ook kwaliteitsvol is. Ik zal met mijn collega's minister Wilmès (van Buitenlandse Zaken, red.) en Mahdi (staatssecretaris voor Asiel en Migratie, red.) nadenken over hoe we ervoor zorgen dat die mensen een toekomstperspectief krijgen en gewaardeerd worden voor de inspanningen die ze doen en de waarde krijgen die ieder mens wilt." (Belga)