Minister van Heimat. Het is een jong beroep, een spin-off van de technologische revolutie. Voor mensen met op het eerste gezicht belegen gedachten. Zoals Horst Lorenz Seehofer, van de Beierse CSU, de eerste Duitse minister van Heimat. Klinkt niet goed. Beieren, een economisch sterke en landschappelijk prachtige streek, is in de ogen van vele verlichte geesten blijven steken in een biedermeiercultuur. Bovendien blijft 'heimat' een belast woord. Is er niet altijd ergens een nazi in de zaal?
...

Minister van Heimat. Het is een jong beroep, een spin-off van de technologische revolutie. Voor mensen met op het eerste gezicht belegen gedachten. Zoals Horst Lorenz Seehofer, van de Beierse CSU, de eerste Duitse minister van Heimat. Klinkt niet goed. Beieren, een economisch sterke en landschappelijk prachtige streek, is in de ogen van vele verlichte geesten blijven steken in een biedermeiercultuur. Bovendien blijft 'heimat' een belast woord. Is er niet altijd ergens een nazi in de zaal? Toch heeft de heimat eerbare wortels. In 1990 verscheen een levendig boek van Celia Applegate: A Nation of Provincials: The German Idea of Heimat. De heimat is er de Palts, als regio wat excentrisch gelegen aan de rand van Duitsland. Met veel groen. Aanvankelijk betekende het woord niet veel meer dan 'domicilie', de plaats waar iemand woont of het centrum van zijn belangen heeft, een juridische term. Gaandeweg werd de heimat een plek waar dromen en verbeelding gestalte krijgen. Ook foute dromen. Blut und Boden, nazisme van het zuiverste water. En toch verdween het begrip niet samen met de nazi's. Heimwee naar de heimat bleef hangen bij mensen van wie je het niet verwacht. Herbert Marcuse (1898-1979), in Berlijn geboren, bourgeois van afkomst en links van gedachten, tegenstander van het kapitalisme en het consumentisme, inspirator van de studentenrevolte in de late jaren zestig, werd kort voor zijn dood geïnterviewd door de Duitse televisie, ook over zijn heimat. Marcuse ontvluchtte Duitsland op tijd, al in 1940 bekwam hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Nooit keerde hij naar zijn geboorteland terug om er te wonen. En toch zei hij in een interview kort voor hij stierf dat hij de 'heimat' miste, de vele aspecten ervan, het woord, het concept, de emotionele weerklank die ermee gepaard ging. Zelfs hij. Zelfs Marcuse. Kortom, de heimat kan worden misbruikt, maar ook gewoon worden gemist door wie haar verliet. Een ministerie van Heimat heeft een symbolische betekenis. Dat is op zichzelf belangrijk. Te vaak gaan 'rationele' geesten ervan uit dat het symbool de werkelijkheid vervangt, terwijl het haar verbeeldt en er dus deel van uitmaakt. Het ministerie van Heimat moet evenwel meer zijn dan een symbool. Wie een heimat heeft, kan de globalisering beter aan, is in staat grenzen te trekken, hoeft zich niet schijnbaar dapper, maar eigenlijk met knikkende knieën, wereldburger te noemen. In Beieren is er al een ministerie van Heimat sinds 2014. Ook in Noordrijn-Westfalen bestaat zo'n ministerie, dat zich onder meer met ruimtelijke ordening bezighoudt. Maar wat betekent dat praktisch? Hoe zou een vijfpuntenplan voor een minister van Heimat eruit kunnen zien? Om dat te bepalen, is er eerst behoefte aan een uitgangspunt, een algemene visie. Welk doel streven we na? Dat mag nooit zijn: de uitsluiting van wie als een vreemde wordt beschouwd, van wie niet tot de heimat behoort. Het gaat om iets heel anders, de opheffing van innerlijke vervreemding, van het gevoel ontheemd te zijn in eigen land. Het bestrijden van vervreemding is de eerste taak van een minister van Heimat. De globalisering maakt de wereld enkel groter voor wie er zich in thuis voelt. Vervreemding, Entfremdung, het woord werd groot in de Duitse filosofie. Hegel vond het uit, Feuerbach en Marx bouwden erop verder. Bij Karl Marx (1818-1883) was het vooral het kapitalistisch systeem dat de mens vervreemdde van zichzelf. Het product van menselijke arbeid was niet langer eigen, maar werd verkocht als waar. Vervreemding kan ook een existentieel karakter hebben. Erich Fromm (1900-1980) beschreef ze in 1955 zo: 'Vervreemding is een ervaring, waarbij men zichzelf als een vreemde beleeft (...). De mens ziet zich niet meer als het middelpunt van de wereld, als auteur van zijn eigen daden. Zijn daden en hun gevolgen zijn de meesters geworden aan wie hij toebehoort (...). De mens verliest contact met zichzelf en andere mensen, uiteindelijk beleeft hij ze nog enkel zoals hij de dingen ervaart.' Bij Fromm valt het verlies van controle op. De stuurloosheid. De mens verschuift naar de rand van het schilderij dat hij zelf heeft geschilderd. Ook de globalisering is er niet zomaar gekomen, wij hebben ze zelf tot stand gebracht. Opvallend is hoe het begrip vervreemding weliswaar inhoudelijk evolueert, maar tegelijk triomfantelijk door de geschiedenis heen trekt, van Marx over Fromm tot Hartmut Rosa (°1965), op dit moment een van de meest prominente Duitse sociologen. Bekommerd om een sociologie, filosofie en politieke theorie die niet enkel vakgenoten boeit, maar vragen stelt die in het leven van mensen weerklank vinden. Rosa voegt aan de vervreemding van Marx en Fromm twee dimensies toe: tijd en ruimte. Tijd: door de technologie kan de mens sneller met anderen communiceren, maar de vrijgekomen tijd wordt algauw opgeslorpt door nieuwe eisen, zodat de versnelling zich doorzet. Ruimte: sociale relevantie staat in toenemende mate los van fysieke nabijheid. Een mens kan functioneren zonder een ander mens te zien. Het volstaat een ander mens te worden, op een door de technologie gekleurde manier met vrienden en collega's in contact te treden. Kortom, een minister van Heimat gaat uit van het concept vervreemding, en de bestrijding ervan, om zijn programmapunten te bepalen. Vervreemding is dan niet de ervaring van het verschil waardoor creativiteit ontstaat, maar een ander, dieper concept waarbij de mens zichzelf verliest. Op die manier zit de minister van Heimat, theoretisch toch, eerder op de lijn van Marx dan op die van het nazisme, en bestrijdt hij een derde golf van vervreemding. Karl Marx wilde de arbeid van het kapitaal bevrijden, later slaagde de West-Europese welvaartsstaat daar beter in dan het communisme pur sang. Erich Fromm staat voor bevrijding van de mens uit zijn eigen kluisters. Modieuze hedendaagse uitlopers ervan zijn de hang naar zelfontplooiing en het 'opkomen voor jezelf'. Hartmut Rosa gaat in tegen de vervreemding door ruimte en tijd. Met de laatste twee begrippen gaat het vijfpuntenplan van start. Waar wij leven en werken is wie we zijn. We zijn wat we zien. Wat zien we als we door het raam van onze werkkamer kijken? Hoe ontvouwt zich de weg naar werk of school? Wekt de plek waar we wonen een gevoel van rust of onrust op, of doet ze ons helemaal niets? In de Galleria Doria Pamphilj in Rome hangt een schilderij van Pieter Bruegel de Oude (1525-1569), Zeeslag in de Golf van Napels. Opvallend: de zee, die het grootste deel van het schilderij beslaat, heeft een donkere, groenige kleur. Ze ziet er noordelijk uit. Het blauw van de Golf van Napels? Onzichtbaar. Dat leidde tot allerlei speculaties. Schilderde Bruegel, van wie bekend is dat hij Italië bezocht, vanuit zijn fantasie? Was hij echt in Napels? Dat wel, luidde de conclusie. De gebouwen op de achtergrond zijn zo precies weergegeven dat hij ze gezien moet hebben. Maar vreemd: Bruegel bracht een stuk van zijn heimat, in dit geval de kleur van de zee, mee naar Italië. Misschien omdat hij de zee niet schilderde zoals hij ze zag, maar zoals hij ze kende. Misschien omdat vredig blauw niet paste bij een zeeslag. Ontroerend wel: Bruegel blijft Brabander bij het schilderen van de Golf van Napels. Dat 'heimat' en ruimtelijke ordening bij elkaar horen, zoals in Noordrijn-Westfalen, lijkt mij vanzelfsprekend. Een mens moet zich thuis voelen waar hij woont. Niet simpel, ook al omdat architecten en bouwmeesters zich vaak door andere drijfveren laten leiden. Esthetische. Ideologische. Ecologische. Waarbij de vervreemding die zulke plannen oproepen vaak onderbelicht blijft. Le Corbusier (1887-1965) en zijn navolgers veroorzaakten het verloren gevoel dat Franse banlieues uitstralen. Onherbergzame, grimmige woontorens met stroken asfalt en onverzorgde grasperken ertussen. De onderliggende collectivistische ideologie vergat individuele verlangens een plaats te geven. Een dergelijke houding vinden we in een hedendaags kleedje terug bij Vlaams bouwmeester Leo Van Broeck. Om ecologische redenen wil hij mensen in steden huisvesten, desnoods ook in dorpskommen met gesloten bebouwing. Vrijstaand bouwen noemt hij 'crimineel'. Zijn terechte zorg voor het klimaat leidt op die manier tot blinde vlekken. Je kunt mensen moeilijk vragen hun dorp, de 'heimat' waar hun familie al vele generaties woont, te verlaten omwille van een 'hoger doel', een levensgevaarlijk begrip dat wel vaker tot niet-democratische ontsporingen heeft geleid. Grootse plannen houden weinig rekening met eenvoudige gevoelens. Waar een mens woont, wat hij ziet door zijn raam, hoe vrij hij zich voelt op de plek waar hij zich doorgaans bevindt, dat alles bepaalt zijn denken, zijn welbevinden en zijn openheid tegenover anderen. Ruimtelijke ordening mag niet enkel door een ideologie (collectivisme) of één enkel doel (klimaat) worden gedreven, maar moet rekening houden met individuele wensen. Een mens heeft van nature oog voor het algemeen belang, maar wil er niet in verdwijnen. Hij aanvaardt de regel, zolang er genoeg ruimte is voor de uitzondering. Wie wil dat mensen veranderen, moet hun de kans geven dat zelf te doen. Weinig vernedert meer dan een expert die verandering stuurt, die al weet wat anderen nog niet beseffen. De tijd heeft bij Hartmut Rosa een zeer specifieke betekenis. Hij bestrijdt de versnelling in de samenleving waarmee mensen soms onnadenkend koketteren. Denk aan de clichématige opening van een 'originele' lezing over innovatie: 'Wij leven in een ontzettend snel evoluerende kennismaatschappij.' Rosa betoogt terecht dat er natuurlijke grenzen aan de versnelling zijn. Mensen willen 'sneller' van een griep genezen, maar het lukt niet. Ondertussen zijn er ook 'verlangzamingsoases', plekken waar de tijd stil lijkt te staan, zoals abdijen. Paters die leven op een egaal ritme, acht uur arbeid, acht uur gebed, acht uur slaap. Abdijbier smaakt beter en drink je trager, ook omdat het lijkt alsof het brouwen evenmin haastig verliep. Ik herinner me een interview met Hartmut Rosa, geboren in Lörrach in het zuiden van het Zwarte Woud, waarin hij verklaarde af en toe tijdens een kerkdienst een orgel te bespelen. De eeuwenoude traditie en de schijnbare nutteloosheid van die handeling zijn disruptiever dan de officiële 'disruptie' uit handboeken voor managers. Tijd mag geen chaos worden, dat hoort een minister van Heimat te weten. Schaf de traditionele feestdagen niet af, geef ze een nieuwe, ruimere betekenis. Gun mensen ankerpunten, collectieve rustdagen en plekken van herkenning. Creëer momenten waarop mensen op routine, op automatische piloot verder kunnen varen. Iemands heimat is de plek waar hij soms niet na hoeft te denken. Van de weeromstuit worden mensen verdraagzamer: ze moeten hun tradities niet opgeven om verdraagzaam te worden, ze worden juist verdraagzaam omdat ze hun tradities kunnen behouden. De tijd speelt daarbij een rol. Niet voor niets ordenden getijdenboeken van oudsher veler levens. Heimat is ook geschiedenis. Wat mij fascineert, ook wel ontroert bij het beluisteren van gregoriaanse gezangen, is dat de meeste mensen die ze ooit hoorden, dood zijn. Wat voelden ze bij de muziek? Dat weten we niet. Zoals wij nauwelijks kunnen vermoeden wat onze eigen voorouders eeuwen geleden dachten. Wie ze waren en wat ze deden vinden we misschien terug. Soms wat ze schreven. Maar hun diepste gedachten blijven grotendeels een raadsel. Geschiedenis geeft mensen een gevoel thuis te zijn, schept verticale solidariteit met mensen uit vroegere tijden. Geschiedenis als schoolvak raakte om verschillende redenen wat op de achtergrond. Ze ging door als minder nuttig dan exacte wetenschappen. Inhoudelijk werd ze gedomineerd door een model van sociale strijd en emancipatie, een laat relict van het marxisme. En over welke geschiedenis moet het precies gaan in een superdiverse samenleving? Kun je de traditionele klemtoon op Grieken en Romeinen, van Parthenon tot Pantheon, blijven volhouden? Hier pleit ik als minister van Heimat voor een klassieke aanpak. Begin met de geschiedenis van je land, waar haar oorsprong ligt en wat haar inspiratiebronnen waren, niet met die van de mensen die er nu wonen en in het verleden dus geen gemeenschappelijke heimat hadden. Externe inbreng is welkom, maar vormt niet de basis. Je kunt pas met anderen spreken wanneer je je eigen geschiedenis kent. Opvallend is dat Amerikanen daarover minder aarzelen dan Europeanen. Hoe ze hun geschiedenis interpreteren, denk bijvoorbeeld aan het discours over native Americans en slavernij, daarover bestaan verschillen. Maar over wat tot de geschiedenis behoort niet. Ik zou zeker de ideeëngeschiedenis niet verwaarlozen. In de hedendaagse filosofie neemt de aandacht voor de antieke cultuur weer toe. Mede omdat de filosofen van toen niet in de eerste plaats op zoek waren naar een verklaringsmodel voor alles, maar een levenshouding zochten, streefden naar levenskunst. Plato zag leren als het omwenden van de ziel. Onderwijs legt geen kennis in de ziel, maar draait ze in haar geheel in de richting van meer wijsheid. Een houding die naar onze wortels reikt, en die perfect aansluit bij vernieuwde aandacht voor tijd en ruimte. Een minister van Heimat moet zich om taal bekommeren. Ze is niet enkel een instrument, ze is wie we zijn. Als mensen wegens een 'hoger doel' hun moedertaal niet meer kunnen gebruiken, ontstaat vervreemding. Op een KLM-vlucht tussen Amsterdam en Bologna kregen wij passagiers in het Nederlands te horen dat de officiële communicatie verder in het Engels zou verlopen. Korte mededelingen, zoals dat gaat op een vliegtuig. Geen redevoeringen die Fidel Castro jaloers zouden maken. Maar ook die beknopte berichten waren eentalig. Moet dat nu echt? Ook universiteiten hebben de neiging het Engels, de wetenschappelijke taal bij uitstek, als de enige volwaardige te beschouwen. Paradoxaal genoeg leidt dat tot provincialisme. De briljantste geleerden van onze tijd behoren plotseling allemaal tot de Angelsaksische wereld. Streeft u naar een eredoctoraat? Dan bent u best geen Fransman of Duitser, maar Amerikaan, Brit of Indiër. Vervreemdend vond ik, toen ik rector van de Leuvense universiteit was, een opmerking van een Nederlandse hoogleraar economie. 'Engels is voor ons geen enkel probleem, hoor', deelde hij triomfantelijk mee. Hij zag taal puur als een instrument, zonder inhoudelijke relevantie, zonder weerslag op zijn identiteit. Ik dacht, maar zei niet: wie taal alleen maar 'geen probleem' vindt, heeft wellicht erg weinig te vertellen. Daarom is het belangrijk een evenwichtige taalpolitiek te voeren waarbij burgers de indruk hebben dat universiteiten en luchtvaartmaatschappijen van hen zijn, niet boven hen gaan staan. Een laatste punt van mijn programma: een superdiverse samenleving is mogelijk zonder een Kulturkampf. In een poging om beter met diversiteit om te gaan, ontstond een nieuwe kloof tussen 'open wereldburgers' en 'gesloten regionalisten'. Waanzinnig toch. Een kloof, met het oog op integratie. Echt niet nodig. En al zeker niet in een samenleving die er zich op beroemt superdivers te zijn. Ook daar is werk aan de winkel voor een minister van Heimat. Een open samenleving staat open voor de heimat. En wie zijn heimat koestert, beseft dat ook anderen er een hebben of verlangen. We moeten niet altijd 'keuzes maken'. Prachtig toch, een minister die daarbij helpt?