De Belgische Kerk heeft een lange weg - met vallen en opstaan - afgelegd sinds het uitbreken van de eerste schandalen halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw. Het resulteert in wat De Kesel 'een coherent beleid' noemt. Hij wil die ervaring volgende week in Rome delen. Het begint met de nasleep van de Dutroux-affaire in 1997. Toen werden er twee contactpunten opgericht waar misbruik gemeld kon worden. In 2000 werden die vervangen door een commissie onder leiding van eremagistrate Godelieve Halsberghe.

Die commissie kreeg 33 klachten in 9 jaar. In april 2010 brak dan het schandaal los rond Roger Vangheluwe, die ontslag moest nemen als bisschop van Brugge. Er kwam een nieuwe commissie met kinderpsychiater Peter Adriaenssens, die kreeg 475 klachten binnen. De gerechtelijke Operatie Kelk in juni 2010 maakte een einde aan die commissie. 'Een schokgolf van verhalen over seksueel misbruik in de Katholieke Kerk heeft ons de voorbije maanden diep geraakt', zo begonnen de Belgische bisschoppen van België in 2012 hun beleidstekst 'Verborgen Verdriet. Naar een globale aanpak van seksueel misbruik in de Kerk'.

In deze tekst kondigden zij de oprichting aan van een 'Interdiocesane Commissie voor de Bescherming van Kinderen en Jongeren'. Daaruit zou vervolgens de oprichting van elf opvangpunten volgen en een centraal informatiepunt waar slachtoffers terechtkunnen. Voorts kwam er ook het Centrum voor Arbitrage, een onafhankelijke arbitragecommissie die de dossiers van seksueel misbruik in de Kerk behandelt. Uiteindelijk kwam er erkenning voor de slachtoffers en in vele gevallen ook uitbetaling van schadevergoedingen door de bisschoppen.

Het document 'Van taboe naar preventie, beleidslijnen ter preventie van seksueel misbruik en grensoverschrijdend gedrag in pastorale relaties met kinderen en jongeren' dateert uit juni 2014. Daarin werden regels voor een respectvolle omgang neergeschreven en was er oog voor de ondersteuning van slachtoffers en voor opvolging en begeleiding van voormalige daders.