De vraag lijkt overbodig: haast niemand ziet zichzelf als een snob. Maar als je erover nadenkt, valt het niet te ontkennen: zowat iedereen wil zich weleens boven anderen verheffen, tonen dat hij smaak en stijl heeft, tot de betere klasse behoort.

Willen excelleren op zich is niet snobistisch. Je kunt bijvoorbeeld graag lekker koken. Pas als je met je exquisiete diners een sociaal effect beoogt, speelt snobisme mee. Dat doen de Verdurins in Prousts À la recherche du temps perdu. Ze willen graag geloven dat ze met hun 'salon' deel uitmaken van de chicste Parijse elite. Maar hun ambitie om bij die elite te horen heeft een keerzijde: ze teert op een logica van uitsluiting. De Verdurins bewieroken zichzelf en genieten ervan om anderen belachelijk te maken. Tegelijk is hun onderneming een maskerade: hun arrogantie verbergt een diepe schaamte over de eigen inkomsten en oorsprong.

Je kunt er maar het best om lachen, wanneer je die snoeverige selfie absoluut wilt posten en ijverig de 'likes' blijft optellen.

Snobs zijn ergerlijke mensen, maar heerlijke romanpersonages. In Pride and Prejudice steekt Jane Austen de draak met Lady Catherine de Bourgh. Deze Lady is een dominante, egoïstische, ongemanierde opschepper. Ze laat geen gelegenheid liggen om zichzelf te feliciteren met haar buitengewone raffinement en connecties. Maar terwijl ze zichzelf aanprijst, wekt ze afkeer en antipathie. Haar neef Darcy lijkt wat op haar. Hij wordt verliefd op Elizabeth Bennett, die van lagere sociale komaf is. Bij zijn huwelijksaanzoek kan hij niet nalaten om hun klassenverschil te benadrukken. Hij klinkt zo neerbuigend, dat Elizabeth hem prompt afwijst. Pas wanneer hij zich als een 'gentleman' gedraagt - zonder trots of vooroordelen - stemt ze toe.

In Austens romans imiteren de snobs de typisch aristocratische levenswijze: drijfjacht, muziek, diners. Om uitgenodigd te worden op exclusieve recepties zijn ze tot alles in staat. Ze zijn vaak ridicuul en soms gevaarlijk, omdat ze zich met iedereen bemoeien.

Snobisme is niet uitgestorven met de aristocratie. Volgens Thackeray is het fenomeen in de moderne samenleving zelfs even wijdverspreid als de spoorlijnen. Dat is ontnuchterend, want schijnbaar geldt in een democratie slechts één onderscheidend principe: verdienste. Toch proberen mensen zich door allerlei clubjes, activiteiten en aankopen van anderen te distingeren. Eigenlijk hoeft dat niet te verbazen. Sociale mobiliteit maakt onzeker. Geld komt en gaat. De mode verandert. Je moet je voortdurend inspannen om te bewijzen dat je mee bent.

In haar amusante essay Am I a Snob? beschrijft Virginia Woolf de dynamiek van haar eigen snobisme. Ze ziet het als een poging om haar zelfbeeld op te krikken: ze merkt dat ze in haar eigen achting stijgt, wanneer ze aandacht krijgt van mensen waarvan zij ontzettend onder de indruk is. Zelf lijdt ze aan coronet-snobisme: ze zou een ontmoeting met de Prins van Wales verkiezen boven een gesprek met Einstein.

Evenzeer beseft de ironische Woolf dat snobisme de sociale omgang vergalt. Een persoonlijke, authentieke relatie is niet meer mogelijk. De snob zit vast in zijn eigen verlangen om indruk te maken. Bij elke ontmoeting speelt hij een rol, waarbij hij zich amper voor de ander interesseert. En in zijn verlangen om superieur te lijken, loopt hij zichzelf voorbij.

Proust, Austen, Woolf spotten met parvenu's, maar ook met hun eigen snobistische trekjes. Dat lijkt me de beste reactie. Je kunt er maar het best om lachen, wanneer je die snoeverige selfie absoluut wilt posten en ijverig de 'likes' blijft optellen. Of wanneer je in een prestigieus gezelschap het hoge woord voert, terwijl je je eigenlijk eenzaam en ongemakkelijk voelt. Bedenk wat Leonard Cohen zei: je bent nooit zo cool als je graag zou willen zijn. En misschien ben je het uitgerekend niet, wanneer je met zekerheid denkt dat je het wel bent.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.