Stel, je erft een lapje grond. Na jaren van werken heb je voldoende geld bijeen gespaard om hier een huis op te bouwen. Wat je echter niet wist, is dat dit stukje grond in een door de Vlaamse overheid vastgelegde archeologische zone ligt. Voordat je je bouwvergunning kan indienen bij je gemeente, moet je daarom een archeologienota laten opstellen door een door de overheid erkend archeoloog. Vervolgens moet het Agentschap Onroerend Erfgoed deze nota beoordelen en groen licht geven. Hier kan je voorlopig nog mee leven. Je erkent dat in het licht van de terechte bescherming van ons archeologisch erfgoed, voorzichtigheid geboden is. Dat je de bouw van je huis hierdoor even moet uitstellen, neem je erbij.

'Kafka in de bureaucratie van Bourgeois: overheid vertrouwt de archeologen die ze zelf erkent niet'

Alleen: het Agentschap Onroerend Erfgoed weigert de nota goed te keuren. De reden? Er is onduidelijkheid over de bouwplannen. Voor het agentschap volstaat soms een inplantingsplan, maar in vele gevallen is dit onvoldoende. Wanneer je meer informatie wenst te bekomen over de weigering, wordt je wandelen gestuurd. De overheid accepteert enkel de erkende archeoloog als gesprekspartner, zo luidt het. Van proactieve dienstverlening en duidelijke communicatie geen sprake. Wel wordt er nog wat meer geduld gevraagd voor je je eerste steen kan leggen. Opnieuw respecteer je deze beslissing.

Een maand later wordt ook de tweede archeologienota geweigerd. De onderzoeksmethode van de archeoloog werd door een ambtenaar als onzorgvuldig bestempeld. Tijdens het onderzoek stootte men daarenboven op vondsten, waardoor er extra boringen dienen te komen. Als burger sta je wederom met de rug tegen de muur. Maar je toont begrip: misschien botst men wel op een belangrijke archeologische vondst.

Wat je evenwel niet verwacht, is dat jijzelf op het einde van de rit moet opdraaien voor de kosten verbonden aan de archeologienota. Na jaren van werken geef je plots spaargeld uit verbonden aan een archeologisch onderzoek waar je zelf niet om gevraagd hebt. Je zou het perceel uiteraard kunnen verkopen. Maar waar vind je een koper die wel bereid is dit bedrag op te hoesten? En zelfs als je een koper vindt, zal de waarde van het stuk grond enorm in waarde gedaald zijn.

2500 euro voor een archeologienota

Dit scenario is vandaag de dag niet enkel theoretisch mogelijk, het gebeurt ook in de praktijk. De oorzaak is de nieuwe regelgeving, ingevoerd door bevoegd minister Bourgeois, die sinds acht maanden van kracht is. Hierbij moeten we twee problemen onderscheiden. Enerzijds zijn er de opgelopen wachttijd en kostprijs verbonden aan de archeologienota. Anderzijds is er de onrechtvaardige eis dat de eigenaar, die de ongelooflijke pech heeft te willen bouwen op een site waar zich mogelijk archeologisch erfgoed bevindt, moet opdraaien voor de hieraan verbonden kosten.

'Wanneer een overheid verplichtingen oplegt onder het mom van het algemeen belang, wentelt ze de lasten al te graag af op de individuele burger.'

De eerste problematiek is verbonden met een gekend oud zeer: wanneer een overheid verplichtingen oplegt onder het mom van het algemeen belang, wentelt ze de lasten al te graag af op de individuele burger. Dezelfde overheid die de regels voorschrijft, ontloopt zo elke verantwoordelijkheid zich voor de verbonden kosten en tijdrovende administratieve inefficiëntie te verantwoorden. Het gevolg laat zich raden: Kafka en wantrouwen regeren in de regelneverij. Doorloopt u even mee de afhandeling van een archeologienota.

Een archeoloog moet eerst erkend zijn door de Vlaamse overheid alvorens hij gemachtigd is een archeologienota op te stellen. In het bezit zijn van een master in de archeologie is met andere woorden onvoldoende. Vervolgens moet deze nota nog een tweede maal gecontroleerd worden. Dit gebeurt niet door één ambtenaar, maar door een heel team. Zij gaan na of de archeoloog nauwgezet de juiste procedure heeft gevolgd aan de hand van een 217! bladzijden tellende code van goede praktijk. Dit getuigt niet meteen van een efficiënt gebruik van overheidsmiddelen. Controle van de controle. De Vlaamse overheid vertrouwt met andere woorden de archeologen die ze zelf erkent niet.

Lange wachttijden

Het eindresultaat hoeft niet te verbazen. In het allerbeste geval is de wachttijd voor de afhandeling van een archeologienota korte tijd na de invoering opgelopen tot minstens één maand. De oorspronkelijk geschatte kostprijs van 250 euro is dan weer vertienvoudigd tot gemiddeld 2500 euro. Te betalen door de aanvrager, dat spreekt.

De tweede kwestie is een rechtvaardigheidsvraagstuk. Valt het te verantwoorden dat de overheid, die beslist dat archeologisch erfgoed een algemeen goed is dat beschermd moet worden, de kosten afwentelt op de eigenaar? Heeft de eigenaar die opdraait voor de kosten dan niet het recht te claimen wat gevonden wordt als het zijne? Of is het enige rechtvaardige antwoord op dit vraagstuk dan niet dat wanneer een overheid iets aanwijst als zijnde van de gemeenschap, diezelfde gemeenschap hier ook de kosten van draagt? De situatie vandaag maakt het in ieder geval mogelijk dat iemand voldoende kapitaalkrachtig moet zijn om deze lasten te dragen of de grond zal moeten verkopen. Dit bovendien tegen een significant lagere prijs aangezien de volgende eigenaar evengoed deze kost zal moeten dragen.

Aanpassingen zijn oplapwerk, geen oplossing

Als antwoord op deze onrechtvaardige kosten voor de individuele pechvogel, wordt steeds nadrukkelijker gehint op een verplicht solidariteitsfonds. Bouwbedrijven zouden dan verplicht worden een bijdrage te storten. Dat zij dit zullen doorrekenen naar de consument, weet iedereen. Al is dit natuurlijk minder vervelend om uit te leggen dan een belastingverhoging.

De kritieken vanuit het veld over de wachttijd en de kostprijs van de archeologienota hebben op aandringen van de coalitiepartners intussen dan weer geleid tot aanpassingen zoals de versoepeling van de code van goede praktijk. Alleen is dit too little. Vanuit het brede werkveld is al duidelijk te horen dat dit weinig zoden aan de dijk zal zetten. Te voorspellen valt dan ook dat er een herziening komt van de wetgeving in het najaar. Alleen is dit too late.

Daarom een oproep aan Minister-President Bourgeois: kies nu voor een grondige bijsturing. Ban Kafka; in het belang van ons archeologisch erfgoed én de rechtszekerheid van de burger. Het streven is lovenswaardig en legitiem, de middelen die hiertegenover staan zijn dat niet.

Stel, je erft een lapje grond. Na jaren van werken heb je voldoende geld bijeen gespaard om hier een huis op te bouwen. Wat je echter niet wist, is dat dit stukje grond in een door de Vlaamse overheid vastgelegde archeologische zone ligt. Voordat je je bouwvergunning kan indienen bij je gemeente, moet je daarom een archeologienota laten opstellen door een door de overheid erkend archeoloog. Vervolgens moet het Agentschap Onroerend Erfgoed deze nota beoordelen en groen licht geven. Hier kan je voorlopig nog mee leven. Je erkent dat in het licht van de terechte bescherming van ons archeologisch erfgoed, voorzichtigheid geboden is. Dat je de bouw van je huis hierdoor even moet uitstellen, neem je erbij. Alleen: het Agentschap Onroerend Erfgoed weigert de nota goed te keuren. De reden? Er is onduidelijkheid over de bouwplannen. Voor het agentschap volstaat soms een inplantingsplan, maar in vele gevallen is dit onvoldoende. Wanneer je meer informatie wenst te bekomen over de weigering, wordt je wandelen gestuurd. De overheid accepteert enkel de erkende archeoloog als gesprekspartner, zo luidt het. Van proactieve dienstverlening en duidelijke communicatie geen sprake. Wel wordt er nog wat meer geduld gevraagd voor je je eerste steen kan leggen. Opnieuw respecteer je deze beslissing. Een maand later wordt ook de tweede archeologienota geweigerd. De onderzoeksmethode van de archeoloog werd door een ambtenaar als onzorgvuldig bestempeld. Tijdens het onderzoek stootte men daarenboven op vondsten, waardoor er extra boringen dienen te komen. Als burger sta je wederom met de rug tegen de muur. Maar je toont begrip: misschien botst men wel op een belangrijke archeologische vondst. Wat je evenwel niet verwacht, is dat jijzelf op het einde van de rit moet opdraaien voor de kosten verbonden aan de archeologienota. Na jaren van werken geef je plots spaargeld uit verbonden aan een archeologisch onderzoek waar je zelf niet om gevraagd hebt. Je zou het perceel uiteraard kunnen verkopen. Maar waar vind je een koper die wel bereid is dit bedrag op te hoesten? En zelfs als je een koper vindt, zal de waarde van het stuk grond enorm in waarde gedaald zijn. Dit scenario is vandaag de dag niet enkel theoretisch mogelijk, het gebeurt ook in de praktijk. De oorzaak is de nieuwe regelgeving, ingevoerd door bevoegd minister Bourgeois, die sinds acht maanden van kracht is. Hierbij moeten we twee problemen onderscheiden. Enerzijds zijn er de opgelopen wachttijd en kostprijs verbonden aan de archeologienota. Anderzijds is er de onrechtvaardige eis dat de eigenaar, die de ongelooflijke pech heeft te willen bouwen op een site waar zich mogelijk archeologisch erfgoed bevindt, moet opdraaien voor de hieraan verbonden kosten. De eerste problematiek is verbonden met een gekend oud zeer: wanneer een overheid verplichtingen oplegt onder het mom van het algemeen belang, wentelt ze de lasten al te graag af op de individuele burger. Dezelfde overheid die de regels voorschrijft, ontloopt zo elke verantwoordelijkheid zich voor de verbonden kosten en tijdrovende administratieve inefficiëntie te verantwoorden. Het gevolg laat zich raden: Kafka en wantrouwen regeren in de regelneverij. Doorloopt u even mee de afhandeling van een archeologienota. Een archeoloog moet eerst erkend zijn door de Vlaamse overheid alvorens hij gemachtigd is een archeologienota op te stellen. In het bezit zijn van een master in de archeologie is met andere woorden onvoldoende. Vervolgens moet deze nota nog een tweede maal gecontroleerd worden. Dit gebeurt niet door één ambtenaar, maar door een heel team. Zij gaan na of de archeoloog nauwgezet de juiste procedure heeft gevolgd aan de hand van een 217! bladzijden tellende code van goede praktijk. Dit getuigt niet meteen van een efficiënt gebruik van overheidsmiddelen. Controle van de controle. De Vlaamse overheid vertrouwt met andere woorden de archeologen die ze zelf erkent niet.Het eindresultaat hoeft niet te verbazen. In het allerbeste geval is de wachttijd voor de afhandeling van een archeologienota korte tijd na de invoering opgelopen tot minstens één maand. De oorspronkelijk geschatte kostprijs van 250 euro is dan weer vertienvoudigd tot gemiddeld 2500 euro. Te betalen door de aanvrager, dat spreekt.De tweede kwestie is een rechtvaardigheidsvraagstuk. Valt het te verantwoorden dat de overheid, die beslist dat archeologisch erfgoed een algemeen goed is dat beschermd moet worden, de kosten afwentelt op de eigenaar? Heeft de eigenaar die opdraait voor de kosten dan niet het recht te claimen wat gevonden wordt als het zijne? Of is het enige rechtvaardige antwoord op dit vraagstuk dan niet dat wanneer een overheid iets aanwijst als zijnde van de gemeenschap, diezelfde gemeenschap hier ook de kosten van draagt? De situatie vandaag maakt het in ieder geval mogelijk dat iemand voldoende kapitaalkrachtig moet zijn om deze lasten te dragen of de grond zal moeten verkopen. Dit bovendien tegen een significant lagere prijs aangezien de volgende eigenaar evengoed deze kost zal moeten dragen.Als antwoord op deze onrechtvaardige kosten voor de individuele pechvogel, wordt steeds nadrukkelijker gehint op een verplicht solidariteitsfonds. Bouwbedrijven zouden dan verplicht worden een bijdrage te storten. Dat zij dit zullen doorrekenen naar de consument, weet iedereen. Al is dit natuurlijk minder vervelend om uit te leggen dan een belastingverhoging. De kritieken vanuit het veld over de wachttijd en de kostprijs van de archeologienota hebben op aandringen van de coalitiepartners intussen dan weer geleid tot aanpassingen zoals de versoepeling van de code van goede praktijk. Alleen is dit too little. Vanuit het brede werkveld is al duidelijk te horen dat dit weinig zoden aan de dijk zal zetten. Te voorspellen valt dan ook dat er een herziening komt van de wetgeving in het najaar. Alleen is dit too late. Daarom een oproep aan Minister-President Bourgeois: kies nu voor een grondige bijsturing. Ban Kafka; in het belang van ons archeologisch erfgoed én de rechtszekerheid van de burger. Het streven is lovenswaardig en legitiem, de middelen die hiertegenover staan zijn dat niet.