'Peilingnieuws zou beter op de pagina met de horoscopen worden geplaatst', zei sociologe Nathalie Sonck ooit, toen ze aan de KU Leuven op het onderwerp doctoreerde. Eind vorige week pakten kranten en televisiezenders alweer uit met hun peilingen naar de kiesintenties. En dat terwijl er pas in 2019 nieuwe federale verkiezingen zijn, die mogelijk om thema's zullen draaien die vandaag niet eens aan de orde zijn - Louis Michel, vader van onze premier, zei in Knack nog dat er dan 'onvermijdelijk' over communautaire thema's zal worden gepraat.
...

'Peilingnieuws zou beter op de pagina met de horoscopen worden geplaatst', zei sociologe Nathalie Sonck ooit, toen ze aan de KU Leuven op het onderwerp doctoreerde. Eind vorige week pakten kranten en televisiezenders alweer uit met hun peilingen naar de kiesintenties. En dat terwijl er pas in 2019 nieuwe federale verkiezingen zijn, die mogelijk om thema's zullen draaien die vandaag niet eens aan de orde zijn - Louis Michel, vader van onze premier, zei in Knack nog dat er dan 'onvermijdelijk' over communautaire thema's zal worden gepraat. We weten al lang dat opiniepeilingen weinig of geen wetenschappelijke waarde hebben. In het beste geval zorgen ze voor enig vermaak. Dat vertier is nefast, want de onbetrouwbare cijfers van de peilingen beïnvloeden politici in hun doen en laten, en ondertussen is er geen aandacht voor de zaken die er wel toe doen. Midden in het gedaas over de peilingen presenteerde de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid een rapport van 266 bladzijden over de evolutie van de arbeidsmarkt. Die cijfers zijn wél betrouwbaar, maar de media waren nauwelijks geïnteresseerd. En dat terwijl 'jobs, jobs, jobs' toch het voornaamste streefdoel is van de regering-Michel. Toen in het weekend een definitief akkoord werd bereikt over de taxshift, de verschuiving van belastingen op arbeid naar belastingen op consumptie, milieuvervuiling en vermogen, verklaarde minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) dat hij er 'absoluut zeker' van is dat dit aanleiding zal geven tot 'enkele tienduizenden bijkomende jobs'. De Hoge Raad schrijft dat er vorig jaar bijna 18.000 extra banen werden gecreëerd, terwijl er in 2013 nog 13.000 jobs verloren gingen. Een verbetering, jazeker, maar je moet ze wel relativeren. Want in 2010 nam de werkgelegenheid nog toe met 30.000 jobs, en in 2011 zelfs met 63.000. Ook interessant om te checken: om welke banen gaat het precies? Het aantal jobs nam vooral toe in de niet-marktdiensten, zoals de gezondheidszorg en de maatschappelijke dienstverlening (bij de overheid en in het onderwijs bleef het personeelsbestand stabiel). In de industrie en de bouw gingen nog 18.000 arbeidsplaatsen verloren, een tendens die al jaren aan de gang is. Er kwamen wel 22.000 banen bij in de sector van de 'zakelijke dienstverlening'. Daartoe behoren de uitzendkantoren, die in 2014 nog profiteerden van de dienstencheques. Daar gaat het dus, net als bij de niet-marktdiensten, vooral om jobs die door de overheid gesubsidieerd worden. De dienstencheques zitten intussen aan hun plafond, veel extra banen hoeven we daar niet meer te verwachten. Dat legt meteen de grote uitdaging bloot: zorgen dat er jobs bij komen in de privésectoren. Hoe kan de overheid al die niet-marktjobs anders blijven financieren? Als minister Van Overtveldt spreekt van 'enkele tienduizenden bijkomende jobs' is het niet duidelijk of hij het heeft over gesubsidieerde banen, of over jobs in de industrie en de marktdiensten. Bovendien blijkt uit het rapport van de Hoge Raad dat de uitdagingen in Wallonië en Brussel, met een werkgelegenheidsgraad van respectievelijk 62 en 58 procent, veel groter zijn dan in Vlaanderen, waar de werkgelegenheidsgraad 72 procent bedraagt. Maar ook Vlaanderen staat voor een gigantische opdracht, want het heeft - in tegenstelling tot de andere gewesten - een doel gesteld tegen 2020: het wil dan een werkgelegenheidsgraad halen van 76 procent. De Hoge Raad merkt fijntjes op dat het daarvoor tot 2020 24.000 arbeidsplaatsen per jaar moet creëren, 'het drievoudige van het jaargemiddelde sinds 2010'. De regering-Michel wil, net als de regering-Di Rupo, de concurrentiekracht van onze ondernemingen aanscherpen met een arbeidskostenvermindering. Daarvoor koos ze voor een tijdelijke opschorting van de loonindexering, voor een vermindering van de patronale bijdragen van 33 naar 25 procent, en voor een lichte verhoging van het netto-inkomen. Wie bijvoorbeeld 2800 euro bruto verdient, krijgt binnenkort maandelijks 100 euro meer op de rekening, wie 5500 euro bruto verdient krijgt 74 euro meer. Volstaat dat alles om extra jobs te creëren in de marktsectoren? Dat blijft bang afwachten. De werkgevers hebben zich in elk geval nog niet laten betrappen op prognoses over het aantal nieuwe banen. Heel veel zal ook afhangen van de internationale conjunctuur. Of de regering-Michel een jaar geleden onder een gelukkig gesternte werd geboren, blijft hoogst onzeker. Zoals alle horoscopen en opiniepeilingen.