Rosenquist werd geboren op 29 november 1933 in South-Dakota. Hij startte zijn carrière door reclameborden en filmposters te schilderen, en gebruikte ook van in het begin voorwerpen uit het dagelijks leven. Hij werd samen met Roy Lichtenstein en Andy Warhol dan ook een van de grondleggers van de nieuwe stroming van de popart, die door classisisten oorspronkelijk als een mindere kunstvorm werd gezien, maar uiteindelijk uitgroeide tot een van de grootste stromingen in kunstwereld. In de popart gebruiken artiesten beelden en objecten uit de massamedia en populaire cultuur, inclusief reclame, stripverhalen en consumentenproducten. Ze gebruikten ook technieken die tot dan enkel waren weggelegd voor commerciële en industriële productie, zoals zeefdruk of het schilderen van reclamepanelen. Rosenquists beroemdste werk is "F-111" (1964-65), dat 3 meter hoog is en 26 meter lang en waarop hij onder meer spaghetti, een meisje onder een haardroger en een paddenstoelwolk samenbrengt. Het werk, dat geïnspireerd werd door de traditie van de surrealistische collage en montages op reclameborden, is momenteel te zien in het Museum of Modern Art (MoMA) in New York. Hoewel zijn werken zelden een politieke boodschap hebben, is "F-111" deels een kritiek op het Amerikaanse militarisme. Later in zijn carrière evolueerde Rosenquists stijl geleidelijk aan naar een meer abstracte stijl, al bleef hij wel een voorkeur behouden voor zeer grote doeken. Hij beschreef zijn werken zelf als actuele kunst, die gericht is op het heden. "Ik leef vandaag. De tijd bestaat vandaag", zei hij in 2004. "Er zijn zoveel ideeën rondom mij, dus waarom zou ik spreken over het verleden?" (Belga)

Rosenquist werd geboren op 29 november 1933 in South-Dakota. Hij startte zijn carrière door reclameborden en filmposters te schilderen, en gebruikte ook van in het begin voorwerpen uit het dagelijks leven. Hij werd samen met Roy Lichtenstein en Andy Warhol dan ook een van de grondleggers van de nieuwe stroming van de popart, die door classisisten oorspronkelijk als een mindere kunstvorm werd gezien, maar uiteindelijk uitgroeide tot een van de grootste stromingen in kunstwereld. In de popart gebruiken artiesten beelden en objecten uit de massamedia en populaire cultuur, inclusief reclame, stripverhalen en consumentenproducten. Ze gebruikten ook technieken die tot dan enkel waren weggelegd voor commerciële en industriële productie, zoals zeefdruk of het schilderen van reclamepanelen. Rosenquists beroemdste werk is "F-111" (1964-65), dat 3 meter hoog is en 26 meter lang en waarop hij onder meer spaghetti, een meisje onder een haardroger en een paddenstoelwolk samenbrengt. Het werk, dat geïnspireerd werd door de traditie van de surrealistische collage en montages op reclameborden, is momenteel te zien in het Museum of Modern Art (MoMA) in New York. Hoewel zijn werken zelden een politieke boodschap hebben, is "F-111" deels een kritiek op het Amerikaanse militarisme. Later in zijn carrière evolueerde Rosenquists stijl geleidelijk aan naar een meer abstracte stijl, al bleef hij wel een voorkeur behouden voor zeer grote doeken. Hij beschreef zijn werken zelf als actuele kunst, die gericht is op het heden. "Ik leef vandaag. De tijd bestaat vandaag", zei hij in 2004. "Er zijn zoveel ideeën rondom mij, dus waarom zou ik spreken over het verleden?" (Belga)