Misschien wel de plezierigste momenten van het voorbije cultuurseizoen waren de maandagavonden van De Nwe Tijd. Elke eerste maandag van de maand organiseert het theatergezelschap van Freek Vielen, Suzanne Grotenhuis en Rebekka de Wit een avond waarop ze in hun stadspand aan de Antwerpse Sint-Paulusstraat en samen met gasten eigen teksten brengen. Vanaf januari ben ik gaan kijken, en ik vond het elke keer weer van een wonderlijk niveau - het stuntelige van die avonden dat alle verwachtingen wegneemt zit daar, toegegeven, misschien wel voor iets tussen.

Rebekka de Wit werd in Rekto Verso op het einde van vorig jaar het boegbeeld van 'the new sincerity' in de Lage Landen genoemd. Het is een term die ik niet als eerste zou willen munten, maar als hij dan toch in omloop is, vat hij best goed samen waarom ik hen zo goed vind. Ze zijn complexloos persoonlijk, zonder de rest van de wereld buiten te sluiten. Daardoor wordt het, denk ik, nooit sentimenteel. Ik zag dit seizoen ook Tenzij je een beter plan hebt, van De Wit en Anoek Nuyens, net zo goed een van de beste voorstellingen van de laatste tijd. Op dezelfde manier zoals ze op maandag over zichzelf spraken, ging het daarin over - kort gezegd, hoor, heel kort gezegd - de opwarming van de aarde. En ja, het was écht goed, en ontzettend geestig.

Is acteren een zwaar beroep, of moeten ze echt allemaal nog door tot na hun 65e?

U zult dat misschien moeilijk geloven van mij, maar er is weinig zo vrolijkmakend als enthousiast te kunnen zijn over een theatergezelschap - liefst jong, nieuw en aantrekkelijk. Ik had het enkele jaren geleden ook met De Warme Winkel. Na Poëten & Bandieten en Gavrillo Princip van hen te hebben gezien, dacht ik een nieuw favoriet gezelschap te hebben. Hun werk lijkt zelfs nogal wat op dat van De Nwe Tijd: geestig, werelds, slim, gulzig. Alleen, na die twee voorstellingen had ik het ook al wel gezien. Alles wat daarna kwam, leek daar een flauw doorslagje van. Majakovski/Oktober, dat in maart in deSingel speelde, was werkelijk doodvervelend.

Er zijn ook gezelschappen die sinds ik naar theater ga nooit die nieuwige glans over zich heen hebben gehad. Dit seizoen heb ik helemaal niets van De Roovers gezien, het gezelschap van Sara De Bosschere, Robby Cleiren, Sofie Sente en Luc Nuyens dat ondertussen al een kwarteeuw bestaat. De jaren daarvoor zag ik elk seizoen minstens één stuk van hen, maar ik moet zeggen dat ik die allemaal nog maar moeilijk uit elkaar kan houden. Eentje werd opgevoerd in een loods in Mortsel, dat herinner ik me nog wel, maar verder waren het allemaal identieke avonden in de Monty. Vraagt u me alstublieft niet naar titels. De Roovers zijn uitstekende acteurs, de repertoirestukken die ze spelen zelden nog echt dwingend of verrassend. Ik beeld me soms de avond in waarop het acteurscollectief uitkiest welke teksten ze volgend seizoen weer eens zullen brengen, en de verveling die daar met de jaren toch moet zijn ingeslopen. Een bestaan als kunstenaar-ambtenaar, zoiets, waarbij de romantiek van kunst als dwingende noodzaak stilaan opgedroogd is.

De Roovers is niet het enige gezelschap dat al decennialang meegaat, en waarvan de voorstellingen eigenlijk zonder zorgen kunnen worden overgeslagen. Over tg Stan en de KOE - ik had het twee weken geleden al over de telkens weer in herhaling vallende Peter Van den Eede - valt eigenlijk wel hetzelfde te zeggen. Zij maken theater omdat ze dat gewoon zijn en ervoor betaald worden, het publiek komt kijken omdat ze dat gewoon zijn en nu eenmaal iets moeten doen met hun vrije zaterdagavonden. Vroeg of laat gebeurt met De Nwe Tijd waarschijnlijk hetzelfde. Jan Fabre is daarin misschien wel een uitzondering: hij maakt tot vervelens toe hetzelfde, maar weet daarmee, vreemd genoeg weliswaar, toch altijd een jong en enthousiast publiek te vinden. Stadsgezelschappen als NTGent en het Toneelhuis zal het uiteraard ook minder snel overkomen: zij kunnen altijd hun artistiek directeur omruilen, ook al heeft het Toneelhuis met Guy Cassiers lang nodig om daar achter te komen.

In de cultuursector is het niet anders dan elders: eenmaal een instelling is opgericht, is het haast onmogelijk om er weer van af te raken.

Sara De Bosschere werd onlangs in De Standaard naar de houdbaarheidsdatum van De Roovers gevraagd. Ze zag de bui al een klein beetje hangen. De Bosschere: 'Natuurlijk willen we nog een tijdje doorgaan met De Roovers, al denk ik dat we tegelijk een manier moeten zoeken om ons gezelschap uit te breiden. Er staan overal jonge hengsten te trappelen om het gebied te betreden.' Het is ook op die manier dat De Nwe Tijd is kunnen ontstaan. Lucas Vandervost heeft zijn gezelschap, De Tijd, eenvoudigweg doorgegeven aan Vielen, Grotenhuis en de Wit.

Maar anders? Aan het begin van deze regeerperiode liet minister van Cultuur Sven Gatz weleens vallen dat hij ter besparing ook initiatieven en instellingen kon opdoeken. Dat leek mij een spannende oefening: wanneer is het op bij makers? Hoeveel mensen hebben ten slotte genoeg ideeën om een leven lang interessante voorstellingen te blijven maken? Er is weinig van in huis gekomen, en in de cultuursector is het niet anders dan elders: eenmaal een instelling is opgericht, is het haast onmogelijk om er weer van af te raken. Er rest in dat geval slechts één vraag: is acteren een zwaar beroep, of moeten ze echt allemaal nog door tot na hun 65e?

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.