Gewezen directeur bij de Nationale Bank
...

'Ik zou om te beginnen twee vrouwen willen nomineren die ik persoonlijk goed heb gekend: Anne Lybaert (1954-2015) en Tineke Vanden Avenne (1954-2015), die allebei in 2015 veel te vroeg aan kanker zijn overleden. Anne Lybaert was tussen 1987 en 2008 de drijvende kracht achter de Warande, de club voor Vlaamse bedrijfsleiders en intellectuelen in Brussel. Als de Warande vandaag dé ontmoetingsplek voor Vlamingen in Brussel is geworden, is dat dankzij haar pionierswerk. Anne heeft ook de Community Gent aangestuurd, een bloeiend netwerkplatform. 'Tineke Vanden Avenne heeft de christelijke middenstandsvrouwen, de vroegere CMBV, omgevormd tot Markant, een netwerk van 35.000 ondernemende vrouwen. Ze is ook vijf jaar nationaal voorzitter van Markant geweest en heeft die organisatie gemoderniseerd en financieel gezond gemaakt. Ze heeft ook de fameuze WOMED Award voor de vrouwelijke ondernemer van het jaar in het leven geroepen, die onder haar impuls grote weerklank heeft gekregen. Wat mij altijd trof bij de uitreiking van die award, waarvoor Markant al het werk had gedaan, was hoe de mannen van Unizo zich haastten om het een Unizo-award te noemen. I'll say no more, maar dan waren de hanen er opeens als de kippen bij. Anne Lybaert en Tineke Vanden Avenne hebben de samenleving grote diensten bewezen, zonder zichzelf op een voetstuk te plaatsen. Ze waren krachtige vrouwen die met beide voeten in het leven stonden: ze hadden behalve een gezin ook een beroep en waren maatschappelijk betrokken. Jonge mensen die hen niet kennen, zouden hen eens moeten googelen.'Het is een ongelooflijke misvatting dat vrouwen geen goede netwerkers zouden zijn, stelt De Wachter. 'Vrouwen hebben misschien een stillere manier van netwerken dan mannen. Doordat ze minder testosteron hebben, zijn ze wat bescheidener. Maar als wij met ons vrouwennetwerk vandaag nog koning Filip of de koningin van Engeland willen bereiken, dan kunnen we dat. En misschien is bescheidenheid ook effectiever om duurzame instellingen en netwerken uit te bouwen. Een derde vrouw voor wie ik veel bewondering heb en die naar mijn mening ook een beetje te snel is vergeten, is Josefa de Buysscher (1924-2012), beter bekend als zuster Leontine, pionier op het gebied van palliatieve zorg. Ze was eigenlijk gynaecologe en heeft zich pas na haar pensioen gespecialiseerd in palliatieve zorg in het Sint-Janziekenhuis in Brussel, waar ze tot haar dood in 2012 is blijven werken. Als je eigen ouders palliatieve zorg hebben gekregen, begrijp je beter hoe baanbrekend haar werk was.' Van de hand van Sophie De Schaepdrijver verscheen vorig jaar Gabrielle Petit, dood en leven van een Belgische spionne, waarin de historica de in de vergetelheid geraakte verzetsheldin opnieuw tot leven wekt (zie verder bij Ciska Hoet). Omdat De Schaepdrijver momenteel in het buitenland verblijft, vroegen we haar per mail welke andere vrouw uit de geschiedenis volgens haar niet de aandacht heeft gekregen die ze verdient. 'Andrée De Jongh (1916- 2007), verzetsstrijdster tijdens de Tweede Wereldoorlog', antwoordt De Schaepdrijver. 'De Jongh was verpleegster van opleiding en zette samen met haar vader en een vriend een beroemde vluchtroute op voor soldaten via de Pyreneeën. Na de oorlog trok ze naar verschillende Afrikaanse landen om lepralijders te verzorgen. De Jongh ontving eretekens in Amerika, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en België. In 1985 werd ze in de adelstand verheven.' Over Andrée De Jongh verscheen onlangs wel een boek, meldt De Schaepdrijver. 'Dat boek, in het Frans, geschreven door Marie-Pierre d'Udekem d'Acoz, is beslist heel degelijk en blijkbaar gebaseerd op het archief van de familie De Jongh. Maar het is helaas op geromanceerde wijze geschreven, in de ik-vorm, en het mist referenties, zodat de lezer niet weet waar de informatie vandaan komt en of de citaten werkelijk uit de bronnen komen en dergelijke.In elk ander land zou een zo belangrijke figuur als Andrée De Jongh allang een wetenschappelijke biografie hebben gekregen, waarin haar levensloop wordt verbonden met de maatschappelijke context: het België van het interbellum, de bezetting, de naoorlogse kolonie. Zo'n biografie zou bovendien moeten verschijnen in alle landstalen, en er zou nog een documentaire over haar leven bovenop moeten komen. In het Verenigd Koninkrijk krijgt De Jongh overigens wél de aandacht die ze heeft verdiend.' 'Er zijn veel te veel interessante vrouwen in de geschiedenis die compleet over het hoofd zijn gezien, vrouwen van wie we de naam niet eens kennen. Ik denk ook aan al het talent dat nooit tot ontwikkeling is gekomen, gewoon omdat vrouwen kinderen moesten baren, koken en het stof afnemen. Dat is de echte tragedie. Ik zou als eerste een nog levende vrouw willen noemen, namelijk Annie Lambrechts, de wereldkampioene rolschaatsen die het in 1981 tot sportvrouw van het jaar schopte. Ze was leerkracht op mijn school en gaf ons een uurtje biologie, geloof ik, maar iedereen wist dat ze tientallen keren Europees en Belgisch kampioen was geweest en gouden medailles had behaald op de wereldspelen in 1981. Ze was overduidelijk een supertalent, maar haar sporttak was niet populair én ze was een vrouw. Vandaar dat haast niemand haar vandaag nog kent. Dat vind ik hard. Topsporters kunnen meestal een spin-off maken van hun carrière, door lezingen te gaan geven of trainer te worden, maar voor haar zat dat er niet in. 'Wie ook zeker thuishoort in de categorie onterecht vergeten vrouwen is filosofe, hoogleraar en schrijfster Patricia De Martelaere (1957- 2009). Haar naam mag dan relatief bekend zijn, als Patricia De Martelaere een man was geweest, had men haar tot de allergrootsten van de literatuur van de Lage Landen gerekend. Maar haar ideeën en thematiek waren veel te vrouwelijk. Ze had een soort grilligheid, iets ongrijpbaars wat niet paste in het patriarchale systeem van de literaire kritiek. Je kon haar ook geen feministische schrijver noemen, daarvoor verzette ze zich te sterk tegen categorieën. Ze was buitengewoon intelligent en dat had voor mannen iets bedreigends, denk ik. Als man had men haar als een dwars, rebels genie beschouwd, maar omdat ze een vrouw was, wist men zich met haar geen raad. In academische kringen werd ze wel als een groot denker erkend. Ik heb nog taalfilosofie van haar gekregen.Ze was kortweg briljant, maar de plaats die ze heeft gekregen in de literaire canon is veel te bescheiden in verhouding tot haar capaciteiten. Haar romans zijn in tegenstelling tot haar academische werk ook heel toegankelijk en diepmenselijk. Maar die boeken zijn zelfs niet meer in druk. Schandalig is dat. Een uitzonderlijk persoon wordt op die manier bijna helemaal weggevaagd. Zo verdwijnen grote vrouwen dus uit de geschiedenis. En met die onzindiscussie over het vervrouwelijken van de namen van pleinen en straten gaan we het niet redden, hoor.' 'Een vrouw uit de recente geschiedenis die ik graag vermeld wil zien, is Nicole Van Goethem (1941-2000), tekenares, cartoonist, animator en onze enige Belgische Oscarwinnaar. Vreemd genoeg is zij nagenoeg vergeten, terwijl zij in de jaren 1960 en 1970 deel uitmaakte van de Antwerpse artistieke kringen waartoe ook Wannes Van de Velde, Fred Bervoets en Ferre Grignard behoorden, namen die bij de meeste mensen wel nog een belletje doen rinkelen. Daarnaast wil ik de voortrekkers van de eerste feministische golf in België, die actief waren in de tweede helft van de 19e en het begin van de 20e eeuw, naar voren schuiven. In België kun je dan niet heen om het triumviraat Isabelle Gatti de Gamond, Marie Popelin en Isala Van Diest. Isabelle Gatti-De Gamond (1839-1905) is vooral bekend vanwege haar inzet voor onderwijs voor meisjes. Ze heeft verschillende middelbare scholen voor meisjes opgericht. Ze was ook een vooraanstaand socialiste, erg begaan met het lot van arbeidersvrouwen. Marie Popelin (1846-1913) was de eerste Belgische vrouwelijke doctor in de rechten, maar ze kreeg geen toegang tot de balie van Brussel en mocht het beroep van advocaat niet uitoefenen. Ze heeft heel haar leven gestreden om vrouwen tot de balie toe te laten. Isala Van Diest (1842-1916) was de eerste Belgische vrouwelijke arts. Van Diest mocht in België alleen verloskunde studeren, maar dat wilde ze niet. Ze is dan naar Zwitserland gegaan om haar diploma geneeskunde te halen. Toen ze terugkwam, heeft ze een tijdje gewerkt in een opvanghuis voor prosti-tuees, waarna ze toch een eigen praktijk is begonnen. Ze heeft hard moeten vechten. Patiënten wilden zich aanvankelijk niet door haar laten behandelen. Maar mijn topfavoriet is Gabrielle Petit (1893-1916), de spionne uit de Eerste Wereldoorlog over wie Sophie De Schaepdrijver vorig jaar een lijvige biografie heeft gepubliceerd. Gabrielle Petit kwam uit een verpauperd milieu en is op haar zestiende alleen in Brussel gaan wonen. Daar ontmoette ze haar grote liefde Maurice. Toen die in 1914 naar het front moest, heeft ze hem naar Engeland helpen smokkelen. Vervolgens is ze hem achterna gereisd en is ze gerekruteerd door de Britse geheime dienst, die haar heeft opgeleid als spionne. Terug in België moest ze langs verschillende spoorwegknooppunten de Duitse troepenverplaatsingen in kaart brengen. Dat klinkt simpel, maar het was supergevaarlijk werk. Zes maanden lang heeft Petit een heel belangrijke rol gespeeld in het verzet, maar toen is ze verraden. Ze werd in de gevangenis van Sint-Gillis opgesloten en is op 1 april 1916 gefusilleerd. Na de oorlog was ze een tijdlang een echte verzetsheldin, maar vanaf de jaren 1950 is het snel bergaf gegaan met haar bekendheid. De geschiedschrijving is altijd heel wit en mannelijk geweest, waardoor de vrouwen die in de geschiedenis echt iets hebben betekend vaak niet tot ons collectieve geheugen zijn gaan behoren. Maar de tijden veranderen, denk aan de actie van televisie- en radiomaakster Sofie Lemaire voor meer vrouwelijke straatnamen. Die symboliek doet er wel degelijk toe. Sommige mensen geloven immers echt dat vrouwen nooit iets belangrijks hebben gedaan.' 'Een vrouw die tijdens mijn zoektocht snel kwam bovendrijven, is filmregisseur Chantal Akerman (1950- 2015). Zij was de dochter van Poolse Joden die naar België waren gevlucht. Van haar familie heeft alleen haar moeder de Holocaust overleefd. Het verbaast me dat Akerman in België relatief onbekend is gebleven, terwijl ze in het buitenland wel ontzettend veel erkenning heeft gekregen. The New York Times noemde Jeanne Dielman, haar drie en een half uur durende epos over een alleenstaande moeder en huisvrouw die zich 's avonds prostitueert om rond te komen, 'het eerste vrouwelijke meesterwerk'. Akerman heeft veel invloed gehad op de recente filmgeschiedenis. Ze heeft natuurlijk lang in het buitenland gewoond en lesgegeven aan een filmschool in New York, maar toch: waarom drukken we zo'n vrouw in België niet aan de borst? Haar films gelden als artistiek en ontoegankelijk, maar mannelijke artistieke filmmakers kent iedereen. Misschien heeft het ermee te maken dat filmcritici haar werk feministisch hebben genoemd. Terwijl haar films gewoon iets zeggen over mensen en de samenleving in het algemeen. En dan wil ik nog Anna Boch (1848-1936) vermelden, telg uit de artistieke en rijke familie Boch, bekend van het porselein. Zij was zelf een getalenteerd impressionistisch schilder en een groot kunstverzamelaar. Ze was ook de enige persoon die nog tijdens diens leven een werk van Vincent Van Gogh heeft gekocht, via zijn broer Theo Van Gogh om precies te zijn, voor 400 Franse frank. In 1885 werd ze als enige vrouw lid van de avant-gardistische kunstkring Les XX in Brussel, waar ze kunstenaars als James Ensor ontmoette. Haar huis in Elsene, dat door art-nouveauarchitecten als Victor Horta werd versierd, was een ontmoetingsplaats voor vooraanstaande kunstenaars. Vrouwen moeten hun terechte plaats in de geschiedenisboeken krijgen. Ik geloof hard in het idee: you can't be what you can't see. Als ze nooit andere vrouwen bepaalde dingen zien doen, gaan meisjes ook niet geloven dat dit voor hen een optie is. Representatie is superbelangrijk. Wij hebben bovendien de plicht om waarheidsgetrouwe informatie door te geven aan volgende generaties. Dat doen we nu niet, we kijken door een mannelijke lens naar de geschiedenis.' Monika Triest publiceerde vorig jaar het boek Wat zoudt gij zonder 't vrouwvolk zijn, een geschiedenis van het feminisme in België, met portretten van feministische pioniers. Op de vraag wie zij wil voordragen als onterecht veronachtzaamde vrouw, antwoordt ze: 'De vrouwen van FN, met hun grote staking voor gelijk loon voor gelijk werk. Die staking heeft enorme impact gehad en toch is de actie van die vrouwen weinig bekend en staat ze niet in de geschiedenisboeken.' Het verhaal gaat als volgt. In 1965 verdienden de vrouwelijke arbeiders bij wapenfabrikant FN Herstal gemiddeld 25 procent minder dan de mannelijke arbeiders. Op 16 februari 1966 legden de vrouwen het werk neer onder het motto ' à travail égal, salaire égal', zonder vakbondssteun, zonder overleg en zonder stakingsaanzegging. De staking was niettemin een groot succes. Na twaalf weken staken kregen de vrouwen de helft van de gevraagde loonsverhoging. Vrouwen worden om uiteenlopende redenen tot op heden in de geschiedschrijving genegeerd of nauwelijks opgemerkt, stelt Monika Triest, en ze worden natuurlijk ook beperkt in hun mogelijkheden om geschiedenis te maken. 'Alle bekende stereotypen spelen daarin een rol. Vrouwen gelden niet als volwaardige deelnemers aan de samenleving. Hun voornaamste job is een huishouden bestieren en kinderen krijgen en grootbrengen, nog altijd. Daardoor wordt de competentie van vrouwen altijd in twijfel getrokken, vaak op een subtiele manier. Vrouwen mogen actief zijn op alle gebieden, maar het liefst toch als vrijwilliger of om een handje te helpen. Vaak worden vrouwen tegengewerkt door hun partner, hun baas of de vakbond, waardoor het voor vrouwen nog altijd veel moeilijker is maatschappelijke impact te hebben.' Een zwak punt in België, besluit Triest, 'is ook dat er te weinig academische structuren zijn waar mensen op vrouwenstudies kunnen promoveren. We hebben veel hooggeschoolde feministen, maar die vinden niet altijd een plek aan de universiteit of een uitgever voor hun werk.' 'Een vrouw die mij na aan het hart ligt, is Clara Peeters, kunstschilder, tijdgenote van Rubens, en in de 17e eeuw een van de pioniers van het stilleven. Ze had een fenomenale techniek en hoefde niet onder te doen voor haar mannelijke collega's. Alleen kreeg zij niet dezelfde kansen, ze mocht bijvoorbeeld geen modellen schilderen. Clara Peeters was in haar tijd gerespecteerd en werd goed betaald voor haar werk. Maar later is haar overkomen wat veel vrouwen in de geschiedenis is overkomen: ze heeft even iets betekend, maar toen het lijstje werd opgesteld van de goede schilders uit de 17e eeuw heeft iemand beslist om haar daar niet in op te nemen. Zo is zij in de vergetelheid geraakt.Een paar jaar geleden kreeg ze als eerste vrouwelijke schilder een solotentoonstelling in het Pradomuseum in Madrid, maar die erkenning kwam wel een paar eeuwen te laat. Clara Peeters verdient dus zeker een straatnaam. Maar het zou ook fijn zou zijn als er een Vergeten vrouwstraat zou komen, voor al die belangwekkende vrouwen die nooit een gezicht hebben gekregen, zoals je ook straten hebt voor anonieme gevallen soldaten. Een probleem bij het toekennen van straatnamen is ook dat typisch mannelijke eigenschappen - prestatiegerichte dingen - nog altijd als eervoller worden beschouwd. Maar je kunt ook op een andere manier bijdragen aan een maatschappij. Door voor sociale cohesie in een gemeenschap te zorgen bijvoorbeeld. Zulke vrouwelijke kwaliteiten worden doorgaans veel minder gewaardeerd.Daarnaast is het belangrijk om te benadrukken dat vrouwen ook vaak gewoon niet de keuze hadden. Ze konden geen hoger onderwijs volgen en werden ontmoedigd in hun ambities. Dan mag het niet verwonderen dat je minder vrouwen in hoge functies aantreft. En die situatie is ook vandaag nog niet opgelost. Straatnamen zijn belangrijk vanwege de boodschap die je als samenleving geeft. Als slechts een op de tien straten die naar een persoon worden vernoemd een vrouwennaam heeft, geef je meisjes het signaal: je kunt zo goed zijn als je wilt, er is toch maar één kans op de tien dat we je over honderd jaar nog kennen.'