Het Grondwettelijk Hof vernietigde uit privacyoverwegingen eind april de wet rond dataretentie, die telecomoperatoren verplichtte om gegevens over klanten en hun communicatieverkeer twaalf maanden te bewaren. De bevoegde ministers van Telecom, Justitie en Defensie - Petra De Sutter (Groen), Vincent Van Quickenborne (Open Vld) en Ludivine Dedonder (PS) - werkten meteen aan een 'reparatiewet' voor het bewaren van identificatie-, verkeers- en locatiegegevens, waarvan het voorontwerp begin mei klaar was. In zijn advies dat dateert van midden juni is het Comité I - de toezichthouder van de Staatsveiligheid en de militaire inlichtingendienst ADIV - kritisch over de tekst. Het wijst op verschillende passages die problematisch of niet gerechtvaardigd zijn en moet zelfs vaststellen dat een artikel over de toegang tot de verzamelde gegevens dat door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, op één paragraaf na opnieuw terug te vinden is in de herwerkte versie. Het Comité I heeft met name kritiek op de gebrekkige controle die het kan uitoefenen op vorderingen tot gerichte bewaring van telecomgegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het ontwerp voorziet in een maandelijkse rapportering aan de waakhond, waarna die als dat nodig is, kan ingrijpen. Dat "correspondeert volgens het Comité I geheel niet met de graad van inmenging" die het verzamelen van de telefoniegegevens betekent. Het wijst op een arrest van het Europees Hof van Justitie van oktober 2020 (waarop de uitspraak van het Grondwettelijk Hof gebaseerd is) dat bepaalt dat de gerichte bewaring van verkeers- en lokalisatiegegevens onderworpen moet zijn "aan een effectieve rechterlijke toetsing". "De controle (...) voldoet volgens het Comité geenszins aan deze verplichting", luidt het. Wat het inschrijven van "het algemeen en ongedifferentieerd bewaren van verkeers- en lokalisatiegegevens" als nieuwe bijzondere inlichtingenmethode (BIM) betreft, plaatst de inlichtingenwaakhond voorts vraagtekens bij de bewaarperiode van de gegevens, die wordt vastgelegd op zes maanden. Het Comité I ziet geen reden om af te wijken van de aanwendingsduur van twee maanden die geldt voor bijzondere inlichtingenmethoden. Daarnaast moet volgens de toezichthouder onder meer nog de band tussen de bewaring van en de toegang tot de gegevens verstevigd worden: nu zijn er geen beperkingen voor toegang tot de data voor andere doeleinden dan aanvankelijk bedoeld. (Belga)

Het Grondwettelijk Hof vernietigde uit privacyoverwegingen eind april de wet rond dataretentie, die telecomoperatoren verplichtte om gegevens over klanten en hun communicatieverkeer twaalf maanden te bewaren. De bevoegde ministers van Telecom, Justitie en Defensie - Petra De Sutter (Groen), Vincent Van Quickenborne (Open Vld) en Ludivine Dedonder (PS) - werkten meteen aan een 'reparatiewet' voor het bewaren van identificatie-, verkeers- en locatiegegevens, waarvan het voorontwerp begin mei klaar was. In zijn advies dat dateert van midden juni is het Comité I - de toezichthouder van de Staatsveiligheid en de militaire inlichtingendienst ADIV - kritisch over de tekst. Het wijst op verschillende passages die problematisch of niet gerechtvaardigd zijn en moet zelfs vaststellen dat een artikel over de toegang tot de verzamelde gegevens dat door het Grondwettelijk Hof is vernietigd, op één paragraaf na opnieuw terug te vinden is in de herwerkte versie. Het Comité I heeft met name kritiek op de gebrekkige controle die het kan uitoefenen op vorderingen tot gerichte bewaring van telecomgegevens door de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Het ontwerp voorziet in een maandelijkse rapportering aan de waakhond, waarna die als dat nodig is, kan ingrijpen. Dat "correspondeert volgens het Comité I geheel niet met de graad van inmenging" die het verzamelen van de telefoniegegevens betekent. Het wijst op een arrest van het Europees Hof van Justitie van oktober 2020 (waarop de uitspraak van het Grondwettelijk Hof gebaseerd is) dat bepaalt dat de gerichte bewaring van verkeers- en lokalisatiegegevens onderworpen moet zijn "aan een effectieve rechterlijke toetsing". "De controle (...) voldoet volgens het Comité geenszins aan deze verplichting", luidt het. Wat het inschrijven van "het algemeen en ongedifferentieerd bewaren van verkeers- en lokalisatiegegevens" als nieuwe bijzondere inlichtingenmethode (BIM) betreft, plaatst de inlichtingenwaakhond voorts vraagtekens bij de bewaarperiode van de gegevens, die wordt vastgelegd op zes maanden. Het Comité I ziet geen reden om af te wijken van de aanwendingsduur van twee maanden die geldt voor bijzondere inlichtingenmethoden. Daarnaast moet volgens de toezichthouder onder meer nog de band tussen de bewaring van en de toegang tot de gegevens verstevigd worden: nu zijn er geen beperkingen voor toegang tot de data voor andere doeleinden dan aanvankelijk bedoeld. (Belga)