De gemiddelde verliezen zijn volgens de NBB bijzonder groot voor de gezinnen met de laagste inkomens. Zij voelen de gevolgen van de crisis blijkbaar duidelijker. De vaststelling geldt in de eerste plaats voor de gezinnen geconfronteerd met tijdelijke werkloosheid. Hoewel theoretisch gezien het relatief inkomensverlies van die gezinnen in principe door de overheidsmaatregelen beperkter zou moeten zijn, toont de enquête aan dat hoe hoger het inkomen, hoe kleiner het verlies is voor de gezinnen geconfronteerd met tijdelijke werkloosheid. Dat vloeit volgens de centrale bank onder meer voort uit het feit dat loontrekkenden uit de gezinnen met de laagste inkomens in hogere mate (meer dagen) tijdelijk werkloos zijn. Ze zijn vaker werkzaam in de sectoren die het zwaarst door de crisis worden getroffen en die een ruimer beroep hebben gedaan op de tijdelijke werkloosheid (evenementen, horeca, toerisme, non-food handel) In de gezinnen met de hoogste inkomens daarentegen, geven de respondenten aan vaker te werken in sectoren die relatief minder zwaar door de crisis worden getroffen, onder meer in de financiële sector of in de informatie- en communicatiesector. Een vergelijkbare vaststelling geldt voor de zelfstandigen uit gezinnen die het financieel minder makkelijk hebben: ook zij werken, in hogere mate, in de sectoren die het zwaarst door de crisis zijn getroffen. Daar komt volgens de NBB bij dat de gezinnen met de laagste inkomens des te kwetsbaarder zijn, omdat ze over weinig spaarreserves beschikken. Het groter verlies waarmee de gezinnen met de laagste inkomens worden geconfronteerd, maakt ook dat ze meer steun gevraagd hebben aan de OCMW's. Tot slot blijken de inkomensverliezen vergelijkbaar te zijn tussen de gewesten, al lijken de Vlaamse gezinnen op korte termijn minder kwetsbaar te zijn omdat ze over een comfortabelere spaarbuffer zouden beschikken. (Belga)

De gemiddelde verliezen zijn volgens de NBB bijzonder groot voor de gezinnen met de laagste inkomens. Zij voelen de gevolgen van de crisis blijkbaar duidelijker. De vaststelling geldt in de eerste plaats voor de gezinnen geconfronteerd met tijdelijke werkloosheid. Hoewel theoretisch gezien het relatief inkomensverlies van die gezinnen in principe door de overheidsmaatregelen beperkter zou moeten zijn, toont de enquête aan dat hoe hoger het inkomen, hoe kleiner het verlies is voor de gezinnen geconfronteerd met tijdelijke werkloosheid. Dat vloeit volgens de centrale bank onder meer voort uit het feit dat loontrekkenden uit de gezinnen met de laagste inkomens in hogere mate (meer dagen) tijdelijk werkloos zijn. Ze zijn vaker werkzaam in de sectoren die het zwaarst door de crisis worden getroffen en die een ruimer beroep hebben gedaan op de tijdelijke werkloosheid (evenementen, horeca, toerisme, non-food handel) In de gezinnen met de hoogste inkomens daarentegen, geven de respondenten aan vaker te werken in sectoren die relatief minder zwaar door de crisis worden getroffen, onder meer in de financiële sector of in de informatie- en communicatiesector. Een vergelijkbare vaststelling geldt voor de zelfstandigen uit gezinnen die het financieel minder makkelijk hebben: ook zij werken, in hogere mate, in de sectoren die het zwaarst door de crisis zijn getroffen. Daar komt volgens de NBB bij dat de gezinnen met de laagste inkomens des te kwetsbaarder zijn, omdat ze over weinig spaarreserves beschikken. Het groter verlies waarmee de gezinnen met de laagste inkomens worden geconfronteerd, maakt ook dat ze meer steun gevraagd hebben aan de OCMW's. Tot slot blijken de inkomensverliezen vergelijkbaar te zijn tussen de gewesten, al lijken de Vlaamse gezinnen op korte termijn minder kwetsbaar te zijn omdat ze over een comfortabelere spaarbuffer zouden beschikken. (Belga)