Zou het niet aangenamer zijn als we gewoon eens positief zouden zijn over ons land: als we ons mee op sleeptouw zouden laten nemen door het enthousiasme van de energieminister over haar windparken op zee, de plannen van de justitieminister om zijn departement te digitaliseren, de ambitie van de minister van Ambtenarenzaken om van de overheid de beste werkgever te maken, of door de waardige stijl van onze premier? Kastijden we ons niet te veel met onophoudelijke kritiek, net nu internationale bladen zoals Politico en The Economist de veerkracht van ons bestuur roemen? Moeten we onze scepsis niet durven los te laten?
...

Zou het niet aangenamer zijn als we gewoon eens positief zouden zijn over ons land: als we ons mee op sleeptouw zouden laten nemen door het enthousiasme van de energieminister over haar windparken op zee, de plannen van de justitieminister om zijn departement te digitaliseren, de ambitie van de minister van Ambtenarenzaken om van de overheid de beste werkgever te maken, of door de waardige stijl van onze premier? Kastijden we ons niet te veel met onophoudelijke kritiek, net nu internationale bladen zoals Politico en The Economist de veerkracht van ons bestuur roemen? Moeten we onze scepsis niet durven los te laten? Het zou het leven in alle geval aangenamer maken. Althans op korte termijn. Want de grote zwakte van deze enthousiaste fatsoenpolitiek blijft dat ze tracht te scoren met snelle successen zonder een antwoord te bieden op de uitdagingen op lange termijn. Kijk naar de 5,9 miljard euro die de Belgische overheid van Europa 'krijgt' om het herstel te bespoedigen. Dat budget wordt nu uitgestrooid als een confetti van 100 projecten, gespreid over drie jaar. Elke minister op elk bestuursniveau kan een eigen feestje bouwen. Veel van die projecten zijn zinvol, maar het ontbreekt aan consistentie. De fundamentele uitdaging, daar dansen we omheen: een snelgroeiende overheidsschuld met een vergrijzende bevolking en een economie die minder productief wordt. Vergrootglasoptimisme: de aandacht vestigen op kleine succesverhalen en te weinig oog hebben voor de grote onderliggende problemen. Het meest schrijnende voorbeeld blijft energie. Het is verleidelijk om mee te gaan in het optimisme over nieuwe technologieën, zoals windparken op zee, maar het feit blijft dat die turbines tegen 2030 met moeite zes procent van onze elektriciteit zullen opwekken, dat ze bij de duurste in Europa zijn en dat we in 2030 tot 60 terawattuur elektriciteit en gas zullen moeten invoeren, goed voor minstens 3 miljard euro per jaar. Ik krijg het niet warm van kleine succesjes als het totaalplaatje zo problematisch blijft. De fatsoenpolitiek, het soort beleid dat prat gaat op verantwoordelijkheidszin en vooruitgang, is eigenlijk een beetje een pretpolitiek. Ze biedt een kortstondige opstoot van optimisme, tenminste voor sommigen, maar daarna volgt de kater. Want is het allemaal wel zo fatsoenlijk, wanneer de rekening meedogenloos wordt doorgeschoven, de staatsschuld opnieuw sneller groeit dan elders in Europa, de fiscale koterij in stand gehouden wordt, en ga zo maar door? De fatsoenpolitiek ondermijnt haar eigen geloofwaardigheid, voedt het politieke wantrouwen en spreidt als het ware het bedje voor haar opponenten. Al wil dat niet zeggen dat de politieke tegenstanders het beter doen of zullen doen. Je kunt het je moeilijk voorstellen dat verstandige politici blind zijn voor de beperkingen van dat beleid. En ze worden ook heus niet allemaal gedreven door machtsdrang of narcisme: après nous, le déluge. Ik vermoed vooral dat velen zijn beginnen te aanvaarden dat oppervlakkige successen het best haalbare zijn in dit land, dat we gewoon niet verder raken door het moeilijke sociaal overleg en het institutionele kluwen. Misschien is die pretpolitiek zelfs de prijs die we betalen voor het behoud van de sociale en communautaire vrede. Inefficiëntie maakt nu eenmaal integraal deel uit van het Belgische project. Schulden, tekorten en bestuurlijke spilzucht worden een kalmeermiddel. Maar die gedachtegang is fout, want je kunt dat soort vrede en stabiliteit niet blijven afkopen met een land dat collectief verzwakt. Vroeg of laat zal België in het reine moeten komen met de pijnlijke realiteit, wellicht zelfs in een moeilijkere internationale context. Dan barst het gevecht om de resterende middelen pas echt los en zullen burgers wellicht nog meer hun toevlucht zoeken tot extreme politieke standpunten. Vergelijk het met de paniek, de woede en de angst van een verslaafde die zijn spuit plots niet meer kan krijgen. In plaats van de bevolking nu uit te leggen waar we voor staan, stellen we die aanpassingscrisis niet alleen uit, we maken de vereiste aanpassing voor de komende generatie ook alleen maar moeilijker. Wat vandaag doorgaat voor fatsoenlijk, is dat dus eigenlijk helemaal niet.